Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1873

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 29-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1873, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/00667


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2019, nr. 17/00952, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/5455) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de schenkbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:1873:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2019, nr. 17/00952, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/5455) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de schenkbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
overwegingen

2

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende is in 1979 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [A] (hierna: de echtgenoot). De huwelijkse voorwaarden behelzen uitsluiting van elke huwelijksgoederengemeenschap en de instelling van een wettelijk deelgenootschap als bedoeld in het destijds geldende artikel 1:132 BW.

2.1.2
Belanghebbende en de echtgenoot hebben een op schrift gestelde overeenkomst gesloten, gedateerd 28 september 2009, met de titel “Verrekening verleden huwelijkse voorwaarden (Verrekening van het verleden bij periodiek verrekenbeding)” (hierna: de overeenkomst). Hierin erkent de echtgenoot onder meer de helft van de (waarde van de) echtelijke woning (die zijn eigendom was) en een bedrag van € 10.000.000 verschuldigd te zijn aan belanghebbende. Het bedrag van € 10.000.000 is in de overeenkomst aangemerkt als een te verrekenen bedrag aan overgespaarde inkomsten dat in termijnen, voor 31 december 2012, aan belanghebbende zou worden uitbetaald. De eigendom van de echtelijke woning is vervolgens ondergebracht in een stichting (hierna: de stichting) waarvan belanghebbende en de echtgenoot de oprichters en bestuurders waren.

2.1.3
In 2012 zijn de echtgenoot en verscheidene vennootschappen waarvan de echtgenoot bestuurder en aandeelhouder was, failliet verklaard. De FIOD heeft een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke faillisementsfraude ingesteld.

2.1.4
De Inspecteur heeft op 3 maart 2015 aan belanghebbende een aanslag in de schenkbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging in het jaar 2010 van € 9.998.000.

2.1.5
Bij uitspraak van 21 juni 2016 heeft de civiele kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een zaak tussen enerzijds de curator in het faillissement van de echtgenoot en anderzijds de stichting geoordeeld dat de in de overeenkomst vervatte regeling nietig is, omdat die regeling moet worden aangemerkt als een (vorm van) (periodieke) verrekening welke afwijkt van de in 1979 opgestelde huwelijkse voorwaarden en omdat niet is voldaan aan de vormvereisten die voor een dergelijke wijziging van huwelijkse voorwaarden gelden. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze uitspraak verworpen met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3256).

2.2.1
Bij het Hof was onder meer in geschil of sprake is van een schenking en zo ja, tot welk bedrag.

2.2.2
Uit de gedingstukken blijkt onder meer het volgende. De Inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een schenking omdat (i) de huwelijkse voorwaarden iedere vorm van een huwelijksgoederengemeenschap uitsluiten, (ii) nagenoeg het gehele vermogen van de echtgenoot uit diens voorhuwelijkse vermogen komt, en (iii) er geen vermogen is dat voor verrekening in aanmerking komt. Belanghebbende heeft in haar verweer in hoger beroep onder meer betoogd dat de in de overeenkomst genoemde betaling van € 10.000.000 zou plaatsvinden ten titel van verrekening staande huwelijk.

2.2.3
Onder verwijzing naar de uitspraak van 21 juni 2016 heeft het Hof allereerst geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de huwelijkse voorwaarden zijn gewijzigd, omdat niet is gebleken dat de overeenkomst is neergelegd in een notariële akte en de destijds vereiste rechterlijke goedkeuring is verkregen. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat met de overeenkomst een vordering van belanghebbende op de echtgenoot is ontstaan, die niet op de huwelijkse voorwaarden is gebaseerd. Door (uitvoering van) de overeenkomst heeft een vermogensverschuiving van de echtgenoot naar belanghebbende plaatsgevonden, waardoor de echtgenoot is verarmd en belanghebbende is verrijkt. Nu gegeven de inhoud van de gedingstukken en de verklaringen die daarover zijn afgelegd ook de voor een schenking vereiste vrijgevigheid aanwezig is, is sprake van een schenking als bedoeld in artikel 1, lid 1, ten tweede, van de Successiewet 1956 (hierna SW), aldus het Hof.

2.2.4
Verder heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur heeft voldaan aan zijn bewijslast dat het gaat om een schenking tot een bedrag van € 10.000.000.

2.3.1
Het eerste middel komt op tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof.

2.3.2
In het geval van belanghebbende is sprake van een schenking in 2010 als bedoeld in artikel 1, lid 1, ten tweede, en lid 7 SW indien zij in dat jaar jegens de echtgenoot aanspraak heeft gekregen op de door de Inspecteur aan de aanslag ten grondslag gelegde prestatie of een gedeelte daarvan.

2.3.3
De hiervoor in 2.1.1 weergegeven vaststelling van het Hof en zijn in 2.2.3 weergegeven oordeel dat de huwelijkse voorwaarden door de overeenkomst niet zijn gewijzigd, behelzen een verwerping van het standpunt van belanghebbende dat de in de overeenkomst genoemde betaling zou plaatsvinden ten titel van verrekening staande huwelijk.

2.3.4
Het eerste middel slaagt voor zover daarin wordt betoogd dat op de grondslag van een nietige overeenkomst geen schenking kan worden aangenomen. De verwijzing in de bestreden uitspraak naar de uitspraak van 21 juni 2016 komt erop neer dat het Hof voor zijn oordeel dat belanghebbende de hiervoor in 2.3.2 bedoelde aanspraak in 2010 heeft gekregen, mede acht heeft geslagen op het in de uitspraak van 21 juni 2016 gegeven oordeel dat de overeenkomst nietig is. Dat brengt mee dat het daarop volgende oordeel van het Hof dat de overeenkomst wel een vordering van belanghebbende op de echtgenoot heeft doen ontstaan, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

2.4
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

3

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.

beslissing

4

De Hoge Raad:- verklaart het beroep in cassatie gegrond,- vernietigt de uitspraak van het Hof,- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128, en- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2019.