Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1871

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 29-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1871, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/02386


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

In de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 april 2019, nr. 18/00349, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/5179) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:1871:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

In de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 april 2019, nr. 18/00349, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/5179) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
overwegingen

2

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 30 december 2016 per aangetekende post een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan hem voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gestuurd aan de Inspecteur, naar het op het aanslagbiljet vermelde postbusnummer. Omdat dat postbusnummer niet meer bij de Belastingdienst in gebruik was, heeft PostNL de brief op 31 december 2016 aan belanghebbende geretourneerd. Belanghebbende heeft vervolgens het verzoek met andere adressering nogmaals aan de Inspecteur gezonden, die het op 18 januari 2017 heeft ontvangen.

2.1.2
De Inspecteur heeft het verzoek afgewezen omdat het niet is ingediend binnen 5 jaar na het einde van het kalenderjaar 2011.

2.2
Voor het Hof was in geschil of het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur het verzoek niet had mogen afwijzen op de grond dat het na de vijf jaarstermijn is ontvangen. Hiertoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende het verzoek had verzonden aan het postbusnummer dat op het aanslagbiljet was vermeld. De omstandigheid dat het betreffende belastingkantoor is opgeheven en de doorzendservice van dat postbusnummer was opgehouden dienen niet voor rekening van belanghebbende te komen, aldus het Hof.

2.3
Het middel betoogt dat bij de beoordeling van de tijdigheid van een verzoek om ambtshalve vermindering moet worden uitgegaan van de datum waarop de Inspecteur dat verzoek heeft ontvangen. Een termijnoverschrijding kan niet met toepassing van artikel 6:11 Awb verschoonbaar worden geacht, omdat hoofdstuk 6 van de Awb alleen van toepassing is bij bezwaar en beroep waar het in dit geval niet om gaat. Aangezien het verzoek is ontvangen meer dan 5 jaar na het einde van 2011, is het verzoek terecht om die reden afgewezen, aldus het middel.
2.4.1
De ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV die is voorzien in artikel 9.6 Wet IB 2001, kan door de Inspecteur ambtshalve of op verzoek van de belanghebbende worden verleend. In artikel 45aa, letter a, Uitvoeringsregeling IB 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is bepaald dat een vermindering niet wordt verleend indien vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag inkomstenbelasting moet zijn gedaan binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

2.4.2
Een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering is een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 AWR. Dat artikel bepaalt dat op een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift artikel 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Het Hof is er daarom terecht vanuit gegaan dat de inspecteur een na afloop van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling ingediend verzoek in behandeling moet nemen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.4.3
Het oordeel van het Hof dat belanghebbende in dit geval met de te late indiening van het verzoek niet in verzuim was, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten. Het oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het beroep in cassatie moet daarom ongegrond worden verklaard.

3

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

beslissing

4

De Hoge Raad - verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2019.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.

_2bee2644-900c-4a94-9178-39476081af49
1

Staatscourant 2010, 21111, pag. 41/42