Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:186

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 08-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:186, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/02191


Bron: Rechtspraak

8 maart 2019Nr. 18/02191
Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de van 4 april 2018, nr. 15/8466 ZW, betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Ziektewet.

ECLI:NL:HR:2019:186:DOC
nl

8 maart 2019Nr. 18/02191
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de van 4 april 2018, nr. 15/8466 ZW, betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Ziektewet.

overwegingen

1

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur‑Generaal – het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk verklaren.Belanghebbende heeft daarenboven een verzoek om wraking ingediend.Bij beslissing van 1 februari 2019, nr. 19/00157 tot en met 19/00163, ECLI:NL:HR:2019:145, is het verzoek tot wraking buiten behandeling gesteld.
beslissing

2

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.