Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1777

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-11-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 15-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1777, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/04664


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2018, nrs. 16/03488 en 16/03499, op de hogere beroepen van belanghebbende en van de Ontvanger tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 14/4984) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor de van [A] B.V. te [Q] , voorheen [B] B.V, nageheven omzetbelasting over de periode 1 juli 2003 tot en met 31 oktober 2004.

ECLI:NL:HR:2019:1777:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2018, nrs. 16/03488 en 16/03499, op de hogere beroepen van belanghebbende en van de Ontvanger tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 14/4984) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor de van [A] B.V. te [Q] , voorheen [B] B.V, nageheven omzetbelasting over de periode 1 juli 2003 tot en met 31 oktober 2004.

1

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
2

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3

Aangezien het incidentele beroep alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, vervalt het beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb.

4

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

beslissing

5

De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2019.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.