Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1722

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-11-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 08-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1722, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/03539


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

In de zaak van

[X] te [Z], België (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 juli 2018, nr. 17/00416, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/5280) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:1722:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

In de zaak van

[X] te [Z], België (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 juli 2018, nr. 17/00416, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/5280) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 16 april 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:408).

overwegingen

2

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende woonde in 2011 samen met zijn partner in België in een woning die eigendom is van de partner. In dat jaar dreef belanghebbende een onderneming waarvoor hij zowel in Nederland als in België werkzaamheden verrichtte. Van de belastbare winst uit deze onderneming is 90 procent ter heffing aan Nederland toegerekend en 10 procent aan België.

2.1.2
Belanghebbende en zijn partner hebben voor het jaar 2011 op de voet van artikel 2.5 Wet IB 2001 (tekst 2011) gekozen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtigen. Belanghebbende en zijn partner zijn fiscale partners.

2.1.3
In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2011 heeft belanghebbende de negatieve inkomsten uit de Belgische eigen woning van € 5.944 in aanmerking genomen. Voorts heeft hij daarin voor de aan België toegerekende belastbare winst (10% van € 50.541 = € 5.054) verzocht om een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. De Inspecteur heeft geen vermindering verleend, omdat het bedrag van € 5.054 naar zijn oordeel gesaldeerd moet worden met het bedrag van de negatieve inkomsten uit de Belgische eigen woning.

2.1.4
In haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 heeft de partner van belanghebbende, voor zover voor deze zaak van belang, een bedrag van € 103.139 aan Belgisch loon aangegeven. De Inspecteur heeft daarvoor een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting verleend.

2.2.1
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht heeft op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting voor de aan België toegerekende winst van € 5.054. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat hij objectief vergelijkbaar is met een inwoner van Nederland die aan België toerekenbare winst uit onderneming en negatieve inkomsten uit een in Nederland gelegen eigen woning geniet. Aan die inwoner zou voor die winst een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting worden verleend, omdat de negatieve inkomsten uit eigen woning daarmee niet gesaldeerd hoeven te worden, aldus belanghebbende.

2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat de normale toepassing van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (tekst 2011) leidt tot een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting van nihil, omdat de in dat artikel vervatte regels leiden tot een saldering van belanghebbendes in België behaalde winst met de negatieve inkomsten uit de (aldaar gelegen) eigen woning. Het Hof heeft het (kennelijke) beroep van belanghebbende op artikel 49 VWEU afgewezen omdat het gezamenlijke inkomen van belanghebbende en zijn partner ruimschoots voldoende moet worden geacht voor het in aanmerking nemen van de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende in België, onder verwijzing naar het arrest HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31.

2.3.1
Het hiervoor in 2.2.2 weergeven oordeel wordt in cassatie bestreden met een aantal klachten. Belanghebbende stelt dat de belastingheffing over het inkomen zowel in Nederland als in België is geïndividualiseerd, in België omdat hij en de partner niet als Belgische fiscale partners worden beschouwd en zij aldaar afzonderlijk belastingplichtig zijn voor de personenbelasting.

2.3.2
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, volgt dat wanneer een lidstaat niet-ingezetenen niet in aanmerking laat komen voor belastingvoordelen met het oog op de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene, welke voordelen wel aan ingezetenen worden verleend, dat onderscheid in de regel niet discriminerend is. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in een andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie.

2.3.3
Het oordeel van het Hof komt erop neer dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een door artikel 49 VWEU verboden discriminatie van een niet-ingezetene, rekening moet worden gehouden met het gezamenlijke inkomen van belanghebbende en de partner met wie belanghebbende samenwoont. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punt 38 en HvJ 16 oktober 2008, Renneberg, C-527/06, ECLI:EU:C:2008:566, punt 62). Het daarop berustende oordeel van het Hof dat het in België verworven gedeelte van dat gezamenlijke inkomen voldoende is voor het in aanmerking nemen van de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende is in cassatie niet bestreden.

2.3.4
De door belanghebbende betrokken stelling dat hijzelf en zijn partner in België niet als samenwonend worden beschouwd en om die reden elk afzonderlijk belastingplichtig voor de personenbelasting zijn, kan niet het oordeel dragen dat de in het hiervoor bij 2.3.2 genoemde arrest getrokken grens wordt overschreden. Die stelling zou, indien juist, derhalve niet tot een andere beoordeling van de klachten kunnen leiden.

2.3.5
De klachten falen.

3

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.