Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1695

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 01-11-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1695, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/00224


Bron: Rechtspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer

Datum

BESCHIKKING

op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 2 januari 2018, nummers RK 17/2138 en RK 17/2139, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend

door

[klager 2],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 197,
en

[klager 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,hierna: de betrokkenen.

ECLI:NL:HR:2019:1695:DOC
nl


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer

Datum

BESCHIKKING

op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 2 januari 2018, nummers RK 17/2138 en RK 17/2139, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend

door

[klager 2],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 197,
en

[klager 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,hierna: de betrokkenen.
1

De beroepen zijn ingesteld door de betrokkenen. Middelen van cassatie zijn namens dezen niet voorgesteld.De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klagers niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
overwegingen

2

Nu de betrokkenen niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie hebben doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 447, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkenen in het beroep niet kunnen worden ontvangen.

beslissing

3

De Hoge Raad verklaart de betrokkenen niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .