Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1689

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 31-10-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 01-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1689, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/02398


Bron: Rechtspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer

Datum

PREJUDICIËLE BESLISSING

In de zaak van

[de vrouw] ,wonende te [woonplaats] , VERZOEKSTER in eerste aanleg,hierna: de vrouw,niet verschenen in de prejudiciële procedure,
tegen

[de man] ,wonende te [woonplaats] , VERWEERDER in eerste aanleg,hierna: de man,advocaat in de prejudiciële procedure: mr. M.A.J.G. Janssen.

ECLI:NL:HR:2019:1689:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer

Datum

PREJUDICIËLE BESLISSING

In de zaak van

[de vrouw] ,wonende te [woonplaats] , VERZOEKSTER in eerste aanleg,hierna: de vrouw,niet verschenen in de prejudiciële procedure,
tegen

[de man] ,wonende te [woonplaats] , VERWEERDER in eerste aanleg,hierna: de man,advocaat in de prejudiciële procedure: mr. M.A.J.G. Janssen.
1

Bij tussenvonnis in de zaak C/01/336798 FA RK 18-3724 van 14 mei 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.De man heeft schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als vermeld in de conclusie onder 2.48.
2

2.1
Deze prejudiciële procedure gaat over een beding dat ouders zijn overeengekomen en waarin is bepaald dat de vastgestelde kinderalimentatie niet kan worden gewijzigd, ook niet als zich een wijziging van omstandigheden voordoet die zonder zo’n beding zou leiden tot aanpassing van die kinderalimentatie. De vraag is of zo’n beding geldig is.
Feiten en procesverloop

2.2.1
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren; een zoon in 1999 en een dochter in 2003.(ii) Bij de echtscheidingsbeschikking is de hoogte van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: de kinderalimentatie) vastgesteld. Nadien is de hoogte van de kinderalimentatie herhaaldelijk gewijzigd.(iii) Partijen hebben voor het laatst op 12 augustus 2013 overeenstemming bereikt over de hoogte van de kinderalimentatie. Die overeenstemming is neergelegd in een beschikking van de rechtbank van 27 augustus 2013. (iv) Partijen hebben in aanvulling op deze beschikking een overeenkomst gesloten. Voor zover van belang bevat de overeenkomst de volgende afspraken:“1. De man zal aan de vrouw bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voldoen voor [de dochter] van € 325,00 per maand met ingang van 1 september 2013. De bijdrage van de vrouw aan de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] is nihil. (…)3. Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat de hiervoor overeengekomen kinderalimentatie niet bij rechterlijke uitspraak zal worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een (positieve) inkomenswijziging of anderszins verhoging van de draagkracht aan de zijde van de vrouw dan wel de man zal niet tot enige wijziging kunnen leiden. In het geval de man in een werkloosheid- en/of arbeidsongeschiktheidssituatie komt te verkeren en zijn inkomen verlaagd zal een wijziging kunnen worden verzocht.”(v) Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie voor de dochter per 1 januari 2018 € 347,01 per maand en per 1 januari 2019 € 353,95 per maand.
2.2.2
De vrouw verzoekt in deze procedure wijziging van de beschikking van de rechtbank van 27 augustus 2013 ten aanzien van de daarin ten behoeve van de dochter vastgestelde kinderalimentatie. Volgens de vrouw dient de kinderalimentatie te worden bepaald op € 650,-- per maand op de grond dat de beschikking van 27 augustus 2013 als gevolg van gewijzigde omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.
2.2.3
De man heeft hiertegen, voor zover thans van belang, ingebracht dat partijen in art. 3 van hun overeenkomst – hiervoor weergegeven in 2.2.1 onder (iv) – een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen.
2.2.4
De rechtbank heeft prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. In verband hiermee heeft de rechtbank het volgende overwogen.De man zou, met aftrek van een zorgkorting, een bedrag van € 410,41 moeten bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de dochter. (rov. 4.17)Nu dit bedrag hoger is dan de bijdrage die de man op dit moment betaalt, ligt het verzoek van de vrouw, voor zover dat is gebaseerd op art. 1:401 lid 1 BW, voor toewijzing gereed. Dit is anders als de man zich kan beroepen op het tussen partijen overeengekomen niet-wijzigingsbeding. (rov. 4.18)In de literatuur en rechtspraak bestaat geen duidelijkheid over de vraag of het ouders vrijstaat om voor kinderalimentatie een niet-wijzigingsbeding overeen te komen, al dan niet in beperkte vorm. (rov. 4.30) Het antwoord op die vraag bepaalt welke toets moet worden aangelegd bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw. Indien het niet-wijzigingsbeding nietig is, dient de toets van art. 1:401 lid 1 BW te worden aangelegd. Indien het niet-wijzigingsbeding niet nietig is, zou – naar analogie – de toets van art. 1:159 lid 3 BW kunnen worden aangelegd. In dat laatste geval is het de rechtbank niet duidelijk of die toets bij kinderalimentatie net zo stringent is als bij partneralimentatie. (rov. 4.20)
2.2.5
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:
1. Is een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie gelet op de aard van de onderhoudsverplichting nietig? 2. Indien de vraag onder 1 ontkennend wordt beantwoord: is een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie wel nietig wanneer ten nadele van de onderhoudsgerechtigde wordt afgeweken van de wettelijke en in de rechtspraktijk ontwikkelde maatstaven van behoefte en draagkracht?3. Dient in geval het beding geldig is en de toets van art. 1:159 lid 3 BW moet worden aangelegd deze toets net zo stringent te worden toegepast als bij partneralimentatie dan wel minder stringent?
Beantwoording van de prejudiciële vragen

2.3.1
Op grond van art. 1:404 lid 1 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Deze verplichting duurt na echtscheiding voort. Art. 815 Rv schrijft voor dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevat waarin onder meer afspraken tussen de ouders zijn opgenomen over de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechter oordeelt over de afspraken tussen de ouders zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over kinderalimentatie zijn overeengekomen.
2.3.2
De kinderalimentatie wordt vastgesteld bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst tussen de ouders. Wijziging of intrekking van die rechterlijke uitspraak of overeenkomst is op grond van art. 1:401 BW mogelijk als zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1), als de rechterlijke uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4), of als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). Nadat de rechter bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek heeft vastgesteld dat een van de hiervoor vermelde wijzigings- of intrekkingsgronden zich voordoet, geldt, net als in het hiervoor in 2.3.1 omschreven geval, dat hij zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.
2.4.1
Zoals hiervoor in 2.2.1 onder (iv) is vermeld, zijn de ouders die partij zijn in deze procedure, een niet-wijzigingsbeding voor de kinderalimentatie overeengekomen. Dit beding strekt ertoe geheel of gedeeltelijk de mogelijkheid uit te sluiten die art. 1:401 lid 1 BW biedt, om de vastgestelde kinderalimentatie te doen wijzigen op de grond dat de rechterlijke uitspraak of de overeenkomst waarbij de kinderalimentatie is vastgesteld, door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De eerste prejudiciële vraag stelt aan de orde of een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie nietig is, gelet op de aard van de onderhoudsverplichting. Voor het geval deze vraag ontkennend wordt beantwoord, stelt de tweede prejudiciële vraag aan de orde of een dergelijk beding nietig is wanneer ten nadele van de onderhoudsgerechtigde wordt afgeweken van de wettelijke en in de rechtspraak ontwikkelde maatstaven van behoefte en draagkracht. Deze vragen lenen zich voor gezamenlijke beantwoording.
2.4.2
Voor zover een niet-wijzigingsbeding inhoudt of ertoe strekt dat een toename van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een hogere kinderalimentatie, is dit beding nietig op grond van art. 3:59 BW in verbinding met art. 3:40 lid 1 BW. Die inhoud of strekking is in strijd met de dwingendrechtelijke bepaling dat iedere ouder ten minste verplicht is naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen (art. 1:404 lid 1 BW). Voor zover een niet-wijzigingsbeding inhoudt of ertoe strekt dat een afname van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een lagere kinderalimentatie, is dit beding in beginsel niet in strijd met de regel dat kinderalimentatie ten minste aan de wettelijke maatstaven moet voldoen, en kan aan dit beding rechtsgevolg toekomen. Dat kan anders zijn als de onderhoudsplichtige ouder ook onderhoudsverplichtingen heeft jegens andere kinderen, onder wie kinderen uit andere relaties. In dat geval zou het niet-wijzigingsbeding immers in strijd kunnen komen met de regel dat bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige rekening gehouden moet worden met onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen.
2.5.1
Uit hetgeen hiervoor in 2.4.2 is overwogen, volgt dat aan een niet-wijzigingsbeding rechtsgevolg kan toekomen. Voor dat geval stelt de derde prejudiciële vraag aan de orde of de toets van art. 1:159 lid 3 BW moet worden aangelegd en zo ja, of die toets net zo stringent dient te worden toegepast als bij partneralimentatie.
2.5.2
Art. 1:159 BW regelt het niet-wijzigingsbeding bij partneralimentatie. Art. 1:159 lid 3 BW bepaalt kort gezegd dat de partneralimentatie ondanks een niet-wijzigingsbeding op verzoek van een van partijen toch gewijzigd kan worden op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. Aan analoge toepassing van dit voorschrift op een niet-wijzigingsbeding bij kinderalimentatie bestaat geen behoefte. Indien aan een dergelijk beding rechtsgevolg toekomt, is daarop art. 6:216 BW in verbinding met art. 6:248 lid 2 BW en met art. 6:258 BW van toepassing. Een beroep op die bepalingen ligt bijvoorbeeld in de rede als de draagkracht van de onderhoudsplichtige zodanig is verminderd dat hij niet langer in staat is in zijn eigen levensonderhoud te voorzien bij het ongewijzigd in stand laten van de vastgestelde kinderalimentatie. Indien een dergelijk beroep slaagt, is de overeenkomst vatbaar voor wijziging op de voet van art. 1:401 lid 1 BW.
beslissing

3

De Hoge Raad:- beantwoordt de prejudiciële vragen op de hiervoor in 2.4.2 en 2.5.2 weergegeven wijze;- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van de man.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op .

_3dfe9dab-7500-4c3b-aae8-0cfd2e8913de
1

HR 24 november 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC5276.

_cbe519c1-d2b3-441c-9870-f9213e8008d5
2

Vgl. HR 22 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0400.

_207ea705-5a16-4704-8d97-a05dcff9f369
3

Vgl. HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451.