Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1687

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 31-10-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 08-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1687, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/03677


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juli 2018, nrs. 16/03775 en 16/03776, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 15/6603 en 15/6604,) betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, Wet IB 2001. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:1687:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juli 2018, nrs. 16/03775 en 16/03776, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 15/6603 en 15/6604,) betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, Wet IB 2001. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

overwegingen

2

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden in de onderhavige jaren (2012 en 2013) in de vorm van een commanditaire vennootschap onder meer drie appartementen als Bed & Breakfast (hierna: B&B). Elk appartement bestaat uit een woon- en eetkamer, een separate keuken, een slaapkamer en een badkamer.

2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de appartementen niet de willekeurige afschrijving voor startende ondernemers van artikel 3:34 Wet IB 2001, in samenhang gelezen met artikel 7 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001, mag toepassen omdat sprake is van een van aftrek uitgesloten investering in woonhuizen als bedoeld in artikel 3.45, lid 1, letter d, Wet IB 2001 (tekst 2012 en 2013). Volgens het Hof zijn de appartementen, ook binnen het kader van het B&B-bedrijf van belanghebbende, naar hun aard en inrichting woningen en zijn zij ook bestemd om als woning te worden gebruikt. Het Hof heeft geoordeeld dat de tijdelijkheid van de bewoning en de omstandigheid dat de appartementen voor andere doeleinden niet worden aangemerkt als woning, niet maakt dat die bestemming is gewijzigd en dat de appartementen daardoor hun hoedanigheid van woonhuis niet verliezen.

2.3
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof.

2.4
Bij de beantwoording van de vraag of de appartementen zijn te beschouwen als woonhuizen in de zin van artikel 3:45, lid 1, letter d, Wet IB 2001 heeft het Hof terecht vooropgesteld dat bepalend is of de appartementen opstallen zijn die naar aard en inrichting woningen zijn, en zijn bestemd om als zodanig te worden gebruikt. De hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof zijn voor het overige verweven met waarderingen van feitelijke aard en zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt daarom.

3

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.

_3ef0f4dc-c1dc-4827-9dbd-9628976ceea1
1

Vgl. HR 8 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8282.