Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1592

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-10-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1592, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/00965


Bron: Rechtspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer

Datum

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2018, nummer 20/001822-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,hierna: de verdachte.

ECLI:NL:HR:2019:1592:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer

Datum

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2018, nummer 20/001822-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,hierna: de verdachte.
1

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de gevangenisstraf wegens inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
overwegingen

2

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

overwegingen

3

3.1
Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 353, eerste lid, Sv geen beslissing heeft genomen ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 37.350,-.

3.2
Blijkens het aan de Hoge Raad gezonden proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming, met nr. PL 27YZ/16-066903, is onder de verdachte een geldbedrag van € 37.350,- met toepassing van art. 94 Sv in beslag genomen. De stukken van het geding houden niet in dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan de verdachte is teruggegeven.
3.3.1
Het Hof heeft aan de verdachte onder meer een geldboete opgelegd van € 37.350,-, subsidiair 221 dagen hechtenis. Het Hof heeft in dat verband overwogen dat het aan de verdachte een geldboete oplegt “ter hoogte van het onder hem in beslag genomen bedrag”.

3.3.2
Gelet hierop moet de bestreden uitspraak aldus worden begrepen dat het Hof de geldboete van € 37.350,- heeft opgelegd met het oog op de mogelijkheid van verhaal van die boete op het inbeslaggenomen geldbedrag. Als gevolg van een kennelijke misslag heeft het Hof echter niet in zijn arrest vermeld dat het Hof de teruggave gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan de verdachte. De Hoge Raad zal die misslag herstellen, door de bestreden uitspraak aldus te verstaan dat het Hof als zijn beslissing de teruggave heeft gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan de verdachte.

3.4
Door deze verbeterde lezing komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

3.5
Terzijde merkt de Hoge Raad op dat deze beslissing niet uitsluit dat een terug te geven bedrag kan worden verrekend met een te betalen geldboete.

overwegingen

4

4.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

beslissing

5

De Hoge Raad: - verstaat de bestreden uitspraak aldus dat het Hof de teruggave heeft gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan de verdachte; - verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .