Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1516

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-10-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 04-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1516, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/01938


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2018, nrs. 15/01321 tot en met 15/01327, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/3204, AWB 12/3205 en AWB 12/3207 tot en met AWB 12/3211) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:1516:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2018, nrs. 15/01321 tot en met 15/01327, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/3204, AWB 12/3205 en AWB 12/3207 tot en met AWB 12/3211) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
overwegingen

2

2.1
Middel I richt zich onder meer tegen het oordeel van het Hof dat zich voor de bepaling van de redelijke termijn van berechting een verknochtheid van zaken voordoet als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het overzichtsarrest van 19 februari 2016).Het middel slaagt in zoverre op grond van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 2.3 van zijn arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623 (hierna: het arrest van 19 april 2019).
2.2.1
Het Hof heeft verworpen het betoog dat belanghebbende een vergoeding van rente toekomt over het bedrag aan griffierecht dat de Inspecteur aan belanghebbende dient te vergoeden. Hiertegen richt zich middel III.

2.2.2
In het door het Hof verworpen betoog van belanghebbende ligt besloten een verzoek om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW wegens vertraging in de vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, had het Hof daarom in zijn uitspraak de beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan (zie rechtsoverweging 2.4.2 van het arrest van 19 april 2019). Middel III slaagt.

2.3
De middelen voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4.1
.

2.4.2
De Rechtbank heeft uitspraak gedaan meer dan twee jaar nadat bezwaar was gemaakt en meer dan anderhalf jaar nadat het beroep was ingesteld. Bij die uitspraak is het beroep niet‑ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep. Ook in een dergelijk geval moet de rechtbank beslissen op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712; hierna het arrest van 2 december 2016), en zal als regel een vergoeding van immateriële schade moeten worden toegekend indien het tijdsverloop tussen het maken van bezwaar en de uitspraak van de rechtbank onredelijk lang is geweest.

2.4.3
Bij de beoordeling van dit tijdsverloop moet de omstandigheid dat het beroep te laat is ingesteld, worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1, onder b, van het overzichtsarrest van 19 februari 2016. De termijn van twee jaar die als uitgangspunt dient voor de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep, moet daarom in deze gevallen worden verlengd met het tijdsverloop tussen het einde van de beroepstermijn en het tijdstip waarop het beroep is ingesteld. Indien met inachtneming van die verlenging komt vast te staan dat de redelijke termijn voor de fase van bezwaar en beroep is overschreden, kan de rechter in belastingzaken alleen een schadevergoeding toekennen voor het aan de beroepsfase toerekenbare deel van die termijnoverschrijding (zie het arrest van 2 december 2016, rechtsoverweging 2.3.3). Bij deze toerekening heeft, net als bij ontvankelijke beroepen, als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (vgl. rechtsoverweging 3.11.1 van het overzichtsarrest van 19 februari 2016). Verder heeft te gelden dat die verlenging moet worden toegerekend aan de beroepsfase. De voor de beroepsfase te hanteren termijn – te rekenen vanaf de datum van de uitspraak op bezwaar – wordt dus verlengd met het tijdsverloop tussen het einde van de beroepstermijn en het tijdstip waarop het beroep is ingesteld.

2.4.4
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op de uit het procesdossier blijkende in cassatie niet bestreden feiten dient het bedrag van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als volgt te worden vastgesteld. Tussen het moment waarop bezwaar is gemaakt en de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan, zijn afgerond 49 maanden verstreken. De termijn van twee jaar die als uitgangspunt dient voor de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep, moet worden verlengd met een week, te weten het tijdsverloop tussen het einde van de beroepstermijn en het tijdstip waarop het beroep is ingesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep is overschreden met afgerond 25 maanden, zodat de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in deze fase € 2.500 bedraagt. Van de 25 maanden waarmee de redelijke termijn is overschreden, moeten drie maanden worden toegerekend aan de bezwaarfase (het tijdsverloop waarmee de voor de bezwaarfase als redelijk aan te merken termijn is overschreden) en het restant, derhalve 22 maanden, aan de beroepsfase. De toe te kennen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedraagt daarom 22/25 van € 2.500 oftewel € 2.200. De fase van hoger beroep heeft in totaal 30 maanden geduurd. De voor die fase geldende redelijke termijn is met zes maanden overschreden, zodat de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep € 500 bedraagt.

2.4.5
Tevens dient de beslissing van het Hof te worden aangevuld in de hiervoor in 2.2.2 bedoelde zin.

3

De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 18/01938 en 18/02375 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

beslissing

4

De Hoge Raad:- verklaart het beroep in cassatie gegrond,- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade en de wettelijke rente daarover,- stelt het bedrag van de door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te vergoeden immateriële schade vast op € 2.700, - beslist dat, indien het bedrag van de door de Rechtbank vastgestelde immateriële schade van € 500 niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de Rechtbank haar uitspraak heeft gedaan,- beslist dat, indien het bedrag van de door het Hof aanvullend vastgestelde immateriële schade van € 1.500 niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan,- beslist dat, indien het bedrag van de door de Hoge Raad aanvullend vastgestelde immateriële schade van € 700 niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop dit arrest is uitgesproken, - beslist dat, indien het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan, - draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 253 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.024, derhalve € 512, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019.