Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1334

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-09-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 13-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1334, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/00560


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAME

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] , Marokko (hierna: belanghebbende)

tegen

de SOCIALE VERZEKERINGSBANK

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 november 2018, nr. 17/3156 AOW-PV, betreffende een besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

ECLI:NL:HR:2019:1334:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAME

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] , Marokko (hierna: belanghebbende)

tegen

de SOCIALE VERZEKERINGSBANK

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 november 2018, nr. 17/3156 AOW-PV, betreffende een besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

overwegingen

1

Belanghebbende heeft niet gekozen voor een domicilieadres in Nederland.Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 22 maart 2019, welke brief eveneens per gewone post is verzonden aan het door belanghebbende opgegeven adres in het buitenland, in de gelegenheid gesteld de daarbij gevoegde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen binnen twee weken na dagtekening van die brief, volledig ingevuld en ondertekend aan de Hoge Raad terug te zenden. Belanghebbende heeft van die geboden gelegenheid niet binnen de in de brief van 22 maart 2019 gestelde termijn gebruik gemaakt.Bij brief van 7 mei 2019 heeft de griffier van de Hoge Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Tevens is in deze brief meegedeeld dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet ontvankelijk kan worden verklaard.De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 10 mei 2019 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 13 juni 2019, welke brief eveneens per gewone post is verzonden aan het door belanghebbende opgegeven adres in het buitenland, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brieven van 6 en 11 juli 2019 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet‑ontvankelijk worden verklaard.
2

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

3

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.