Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1317

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-09-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 13-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1317, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/02827


Bron: Rechtspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde KamerNr. 18/02827
13 september 2019
Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de tegen de uitspraak van het van 23 mei 2018, nr. 17/01147, op het hoger beroep van te (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/2857) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:1317:DOC
nl

Hoge Raad der Nederlanden
Derde KamerNr. 18/02827
13 september 2019
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de tegen de uitspraak van het van 23 mei 2018, nr. 17/01147, op het hoger beroep van te (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/2857) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
overwegingen

2

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende woonde in 2012 in een woning in [Z] die eigendom was van zijn partner. Op deze woning rustte een hypotheekschuld. Belanghebbende was zelf eigenaar van een woning met een daarbij behorende garagebox in [Q] . Op de woning en de garagebox in [Q] rustte een hypotheekschuld van € 210.000.

2.1.2.
In 2013 is in de garagebox die via de woning in [Q] toegankelijk was, een hennepkwekerij aangetroffen. Op 22 april 2013 heeft belanghebbende tegenover de politie verklaard dat hij de woning in [Q] vanaf mei 2012 en de garagebox vanaf oktober 2012 heeft verhuurd.

2.1.3.
In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2012 heeft belanghebbende de woning in [Z] opgenomen als eigen woning voor het inkomen uit werk en woning (hierna: box 1). Tevens heeft hij de waarde van de woning en de garagebox in [Q] als bezitting opgenomen in de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Verder heeft hij zowel een bedrag aan rente op de hypothecaire geldlening ter zake van de woning in [Z] , als een bedrag aan rente op de hypothecaire geldlening ter zake van de woning en de garagebox in [Q] in aftrek gebracht als rente van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld. In die aangifte heeft belanghebbende geen opgaaf gedaan van inkomsten uit het kweken van hennep.

2.1.4.
Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV is de Inspecteur van de aangifte afgeweken. Hij heeft de hypotheekrente voor de woning en de garagebox in [Q] niet in aftrek toegelaten. Daarnaast heeft de Inspecteur inkomsten uit de kweek van hennep als resultaat uit overige werkzaamheden gerekend tot het belastbare inkomen van belanghebbende in box 1.

2.2.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 27e, lid 1, AWR. Daarbij was niet in geschil dat de hypotheekrente voor de woning en de garagebox in [Q] niet als rente ter zake van de eigenwoningschuld in aftrek kan worden gebracht.

2.2.2.
Het Hof heeft de in 2.2.1 bedoelde vraag ontkennend beantwoord. Het heeft daartoe verwezen naar het standpunt van de Inspecteur, inhoudende dat belanghebbende wist dat niet in box 1 aftrekbaar is de hypotheekrente voor de woning (kennelijk: inclusief de garagebox) in [Q] . Het Hof heeft overwogen dat dit standpunt van de Inspecteur niet los kan worden gezien van diens standpunt dat belanghebbende resultaten uit overige werkzaamheden heeft genoten door in de woning in [Q] hennep te kweken. Dit laatste standpunt brengt mee dat kosten die verband houden met deze hennepteelt in beginsel ten laste van het resultaat daarvan kunnen worden gebracht. Hieronder vallen dan ook de rentelasten die betrekking hebben op de hypotheek van de woning in [Q] . In het door de Inspecteur voorgestane feitencomplex - waarin belanghebbende de woning en de garagebox in [Q] gebruikte voor hennepteelt – zijn aldus de rentelasten aftrekbaar. Daardoor is niet aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat door het in aftrek brengen van deze rentelasten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, aldus nog steeds het Hof.

2.2.3.
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2012 inkomsten uit het kweken van hennep heeft genoten.

2.3.1.
Middel 1 richt zich tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof.

2.3.2.
Het middel slaagt. Het Hof is bij het bestreden oordeel enerzijds uitgegaan van de juistheid van het door de Inspecteur voorgestane feitencomplex waarin belanghebbende in 2012 in box 1 te belasten inkomsten heeft genoten door in de woning althans de garagebox in [Q] hennep te telen. Anderzijds heeft het Hof, blijkens zijn hiervoor in 2.2.3 weergegeven en in cassatie niet bestreden oordeel, niet aannemelijk geacht dat belanghebbende in 2012 enig bedrag aan inkomsten uit hennepteelt heeft genoten. Die oordelen zijn niet met elkaar verenigbaar. Gelet hierop is onbegrijpelijk de op die oordelen voortbouwende conclusie van het Hof dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte niet wist of zich ervan bewust moest zijn dat door het in aftrek brengen van de rentelasten voor de woning en de garagebox in [Q] een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

2.4.
Middel 2 kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad: verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof, en verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.