Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1316

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 13-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1316, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/00892


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST
In de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2019, nrs. 17/01359 tot en met 17/01379, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. LEE 15/4507 tot en met 15/4523 en 17/146 t/m 17/149) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1990 tot en met 2000 opgelegde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake verhogingen/boeten en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:1316:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST
In de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2019, nrs. 17/01359 tot en met 17/01379, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. LEE 15/4507 tot en met 15/4523 en 17/146 t/m 17/149) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1990 tot en met 2000 opgelegde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake verhogingen/boeten en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
overwegingen

2

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Naar aanleiding van door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens betreffende de tenaamstelling van rekeningen bij Kredietbank Luxemburg, met gegevens van saldi op 31 januari 1994, heeft de Belastingdienst onderzoek laten instellen naar de identiteit van de rekeninghouders met adresgegevens in Nederland. De Inspecteur heeft een proces-verbaal overgelegd waarin belanghebbende is geïdentificeerd als houder van rekeningen bij Kredietbank Luxemburg.

2.1.2
De inkomsten uit en saldi van die rekeningen zijn niet vermeld in de door belanghebbende gedane aangiften.De Inspecteur heeft over de jaren 1990 tot en met 1999 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), en over de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting opgelegd, en daaraan ten grondslag gelegd dat belanghebbende over de rekeningen in Luxemburg beschikte. Op dezelfde grond is de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 van de aangifte afgeweken. Met betrekking tot alle (navorderings)aanslagen zijn verhogingen toegepast of vergrijpboeten opgelegd van 100 procent.
2.1.3
Op vordering van de Staat heeft de voorzieningenrechter belanghebbende in kort geding veroordeeld tot het verschaffen van door de Inspecteur verlangde gegevens en inlichtingen, op verbeurte van dwangsommen tot een maximum van een half miljoen euro. In dat vonnis is overwogen dat de Staat voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende gerechtigd is tot de rekeningen bij Kredietbank Luxemburg.Het vonnis van de voorzieningenrechter is door het Hof bekrachtigd bij arrest van 8 april 2014.

2.2.1
Bij de behandeling van het beroep en het hoger beroep betreffende de hiervoor in 2.1.2 genoemde (navorderings)aanslagen was telkens in geschil of belanghebbende terecht is aangemerkt als rechthebbende ten aanzien van de rekeningen bij Kredietbank Luxemburg.Belanghebbende heeft dat ook in hoger beroep bestreden met de stelling dat die rekeningen door derden moeten zijn geopend met gebruik van paspoorten die in 1980 bij een inbraak in belanghebbendes auto zijn gestolen.

2.2.2
Het Hof heeft, voor zover hier van belang, op grond van onder meer de bevindingen in het proces-verbaal van identificatie, als bewijsvermoeden aangenomen dat belanghebbende gerechtigd is geweest tot de bankrekeningen bij Kredietbank Luxemburg. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende het bewijsvermoeden niet heeft ontzenuwd.

2.3
In cassatie wordt onder meer erover geklaagd dat “de rechter in de dwangsomprocedure (hoger beroep 2014)” ook deel uitmaakte van de meervoudige kamer die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Belanghebbende meent dat hij reden heeft “voor ernstige twijfels over een eerlijke rechtspraak”.
2.4.1
Artikel 8:15 Awb houdt in dat een rechter op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Artikel 8:16, lid 1, Awb bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra die feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

2.4.2
Uit de gedingstukken blijkt niet dat belanghebbende de in 2.3 weergegeven feiten en omstandigheden in hoger beroep naar voren heeft gebracht. In de toelichting op de klachten is niet vermeld dat het gaat om feiten en omstandigheden die aan belanghebbende pas bekend zijn geworden uit de bestreden uitspraak. Van dat laatste kan in cassatie niet worden uitgegaan. In de uitspraak in de door belanghebbende genoemde dwangsomprocedure (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2014, zaaknummer 200.139.110-01, ECLI:NL:GHARL:2014:2884) is namelijk vermeld dat deze mede is gewezen door een raadsheer met dezelfde naam en voorletter als een van de raadsheren die blijkens het proces-verbaal in hoger beroep aan de behandeling ter zitting heeft deelgenomen, en onder de gedingstukken bevindt zich een afschrift van een aan belanghebbende gerichte brief van 3 september 2018 waarin mededeling wordt gedaan van de namen en voorletters van de raadsheren die de zaak ter zitting van 16 oktober 2018 zullen behandelen. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat belanghebbende niet eerder dan door de bestreden uitspraak kennis heeft genomen van de omstandigheid dat de betrokken raadsheer aan de behandeling van de zaak zou deelnemen en kan daarover, mede in het licht van artikel 8:16, lid 1, Awb, in beginsel niet voor het eerst in cassatie worden geklaagd. De klachten bevatten geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Op het voorgaande stuiten de klachten af.

2.5
De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten voor het overige niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.