Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1309

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-09-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 10-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1309, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/00002


Bron: Rechtspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer

Datum

ARREST

op een aanvraag tot herziening van - naar de Hoge Raad begrijpt - een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 maart 2004, nummer 20/002112-03, ingediend door A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam,

namens

[de aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,hierna: de aanvrager.

ECLI:NL:HR:2019:1309:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer

Datum

ARREST

op een aanvraag tot herziening van - naar de Hoge Raad begrijpt - een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 maart 2004, nummer 20/002112-03, ingediend door A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam,

namens

[de aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,hierna: de aanvrager.
1

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Breda van 16 juni 2003 – de aanvrager ter zake van 1. “Belaging”, 2. “Poging tot zware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat”, 3. “Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 4. “Mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden en heeft daarbij tevens gelast dat de aanvrager ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

2

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

overwegingen

3

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

3.2
Aan de aanvraag wordt – mede gelet op de daarbij gevoegde bijlagen – ten grondslag gelegd dat de aanvrager van 30 september 2002 tot 1 mei 2003 en derhalve ten tijde van het plegen van (een deel van) de bewezenverklaarde feiten uit hoofde van de zaak met parketnummer 02-002104-02 in een penitentiaire inrichting verbleef, zodat hij die feiten niet gepleegd kan hebben.

3.3
De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:“Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij parketnummer 02/002104-02 onder 1. en 2. en bij parketnummer 02/015651-03 onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(t.a.v. parketnummer 02/002104-02) 1. hij in de periode van 01 februari 2002 tot en met 17 december 2002 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen en te dulden, hebbende hij, verdachte, op tijdstippen in voornoemde periode - zich opgehouden bij de woning van die [slachtoffer 1] , althans zich in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 1] bevonden en/of - bij die woning veelvuldig aangebeld en/of - geroepen dat hij, verdachte, wil vechten en dat hij (zakelijk weergegeven) die [slachtoffer 1] en/of de vriend van die [slachtoffer 1] nog wel te pakken zal krijgen en/of - die [slachtoffer 1] veelvuldig telefonisch benaderd en/of - op 17 december 2002 de partner/vriend van die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen; 2. hij op 17 december 2002 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen tegen zijn hoofd en lichaam heeft geslagen en geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(t.a.v. parketnummer 02/015651-03) 1. hij op 20 november 2002 te [plaats] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes stekende en/of zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer 3] en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: “Ik pak jullie nog wel” en “Ik maak jullie af, wacht maar”; 2. hij op 20 november 2002 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3] ), meerdere malen heeft geslagen en gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”
3.4
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een de aanvrager betreffende beschikking ‘Opheffing schorsing inbewaringstelling’ van de rechter-commissaris in de Rechtbank Breda van 18 december 2002 in de zaak met parketnummer 02-002104-02. Deze beschikking houdt onder meer in:“Gelet op het gehouden verhoor van verdachte bijgestaan door zijn raadsman;Gelet op de beschikking van 3 oktober 2002, waarbij de inbewaringstelling van verdachte werd geschorst;Overwegende dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en er derhalve termen aanwezig zijn de schorsing van de inbewaringstelling op te heffen;(...)Heft op de bij beschikking van de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2002 bevolen schorsing van de voorlopige hechtenis van [de aanvrager] .”
3.5
Uit het voorgaande vloeit voort dat de voorlopige hechtenis van de aanvrager in de zaak met parketnummer 02-002104-02 geschorst is geweest in de periode van 3 oktober 2002 tot 18 december 2002 en dat hij - anders dan in de aanvraag is aangevoerd - in die periode niet uit hoofde van die zaak in een penitentiaire inrichting verbleef.

3.6
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

beslissing

4

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .