Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1195

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 12-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1195, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/00952


Bron: Rechtspraak

12 juli 2019Nr. 18/00952
Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 25 januari 2018, nrs. 16/00423 en 16/00424, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 14/2601 en 15/2208) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 en 1 juni 2013 tot en met 30 juni 2013 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente.

ECLI:NL:HR:2019:1195:DOC
nl

12 juli 2019Nr. 18/00952
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 25 januari 2018, nrs. 16/00423 en 16/00424, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 14/2601 en 15/2208) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 en 1 juni 2013 tot en met 30 juni 2013 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 27 februari 2019 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:183).Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
overwegingen

2

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Sinds 2007 kent de aan belanghebbende gelieerde vennootschap [X1] N.V. een aandelenplan dat aan ieder van haar groepsraadsleden het recht geeft maximaal 75 procent van zijn bruto bonus aan te wenden ter verwerving van bepaalde aandelen. Volgens het aandelenplan draagt [X1] N.V. zorg voor de afdracht van de uit hoofde van het aandelenplan verschuldigde belastingen en sociale verzekeringspremies voor zover zij daartoe als inhoudingsplichtige werkgever is gehouden.

2.1.2.
Met ingang van 2012 past belanghebbende met betrekking tot het aandelenplan de zogenoemde werkkostenregeling zoals vervat in artikel 31, lid 1, aanhef en letter f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2012 en 2013; hierna: Wet LB) toe.

2.1.3.
In 2012 heeft belanghebbende aan een groepsraadslid aandelen toegekend met een nettowaarde van € 33.592. Ze heeft de vrije ruimte van 1,4 procent in dit jaar niet overschreden. In 2013 heeft belanghebbende aandelen toegekend met een nettowaarde van € 10.130. Ze heeft de vrije ruimte van 1,5 procent in dit jaar evenmin overschreden.

2.2.
Voor het Hof was, voor zover hier van belang, in geschil het antwoord op de vraag of de in 2012 en in 2013 door belanghebbende aan haar werknemer toegekende aandelen kunnen worden aangemerkt als eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, lid 1, aanhef en letter f, Wet LB.

2.3.
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartegen keren zich de middelen.

2.4.
De eerste twee middelen slagen op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 2.5.1 en 2.5.2 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/00926 (ECLI:NL:HR:2019:1050), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht. Het derde middel behoeft geen behandeling.

2.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van de vraag of aan de gebruikelijkheidstoets van artikel 31, lid 1, aanhef en letter f, Wet LB is voldaan. Na verwijzing dienen partijen gelegenheid te krijgen hun stellingen aan te passen aan de in het hiervoor in 2.4 vermelde arrest geformuleerde gezichtspunten voor de toepassing van die gebruikelijkheidstoets.

3

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 18/00926, 18/00953, 18/00955 en 18/00956 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.
beslissing

4

De Hoge Raad:verklaart het beroep in cassatie gegrond,vernietigt de uitspraak van het Hof,verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 508, enveroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een vijfde van € 5.184, derhalve € 1.036,80, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.