Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1194

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 12-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1194, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/00105


Bron: Rechtspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het verzoek van belanghebbende tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 21 december 2018, nr. 18/02748, ECLI:NL:HR:2018:2409.

ECLI:NL:HR:2019:1194:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het verzoek van belanghebbende tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 21 december 2018, nr. 18/02748, ECLI:NL:HR:2018:2409.

overwegingen

1

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het voor het herzieningsverzoek verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.In de zaak 18/02748, waarvan thans herziening wordt verzocht, heeft belanghebbende op 22 augustus 2018 een verklaring overgelegd, met jaaropgaven van de door de Sociale verzekeringsbank in 2017 aan belanghebbende en haar fiscale partner op grond van de AOW uitgekeerde bedragen. Naar aanleiding van die verstrekte gegevens is het beroep op betalingsonmacht bij brief van 21 maart 2019 afgewezen, omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 26 maart 2019 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht ter zake van het verzoek tot herziening en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Bij brief van 18 april 2019 heeft belanghebbende verzocht om uitstel van betaling van het verschuldigde griffierecht. De griffier heeft dat verzoek bij brief van 19 april 2019 afgewezen. Het griffierecht is niet voldaan.De griffier heeft belanghebbende bij brief van 7 mei 2019 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 9 mei 2019 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.Het verzoek tot herziening moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
2

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

3

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.