Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:1147

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-07-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:1147, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/03103


Bron: Rechtspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

bold

STRAFKAMER

Nummer

Datum

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 juni 2016, nummer 20/003527-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna: de betrokkene.

ECLI:NL:HR:2019:1147:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

bold

STRAFKAMER

Nummer

Datum

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 juni 2016, nummer 20/003527-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna: de betrokkene.
1

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het ingestelde beroep in cassatie.
overwegingen

2

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
beslissing

3

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .