Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:70

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:70, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/00221 en 19/00222


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrechtMeervoudige BelastingkamerKenmerk: 19/00221 en 19/00222
Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 maart 2019, nummer BRE 17/6922 en 17/7926 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,
betreffende na te melden aanslagen.

ECLI:NL:GHSHE:2020:70:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrechtMeervoudige BelastingkamerKenmerk: 19/00221 en 19/00222
Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 maart 2019, nummer BRE 17/6922 en 17/7926 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,
betreffende na te melden aanslagen.

procesverloop

1

1.1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 79.384. Deze aanslag is bij uitspraak op bezwaar van de Inspecteur gehandhaafd.
1.1.2.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage‑inkomen van € 44.984. Deze aanslag is bij uitspraak op bezwaar van de Inspecteur gehandhaafd.
1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 46.De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier heeft een griffierecht geheven van € 128.De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De zitting heeft plaatsgehad op 21 november 2019 te ’s-Hertogenbosch. Namens belanghebbende is zijn gemachtigde [gemachtigde] verschenen en namens de Inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.5.
Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2

2.1.
Belanghebbende exploiteerde in 2014 de eenmanszaak “ [de eenmanszaak] ” (hierna: de eenmanszaak). Daarnaast hield hij in 2014 50% van de aandelen in [BV] .
2.2.
In de aangifte IB/PVV over het jaar 2014 heeft belanghebbende wat betreft de winst van de eenmanszaak (onder meer) als kostenposten aangegeven een bedrag van € 130.000 ‘kosten van grond- en hulpstoffen inkoopprijs van de verkopen’ en een bedrag van € 40.000 ‘afschrijving gebouwen en terreinen’.
2.3.
Bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 heeft de Inspecteur beide in 2.2 genoemde bedragen niet als kostenposten toegelaten. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen, die bij uitspraken op bezwaar zijn gehandhaafd. Tegen die uitspraken heeft belanghebbende beroep ingesteld.
2.4.
Tijdens de beroepsfase heeft op 9 april 2018 een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen de Inspecteur en de gemachtigde. Op diezelfde dag heeft de Inspecteur een e‑mail aan de gemachtigde verzonden met daarin de bevestiging van de afspraken die tijdens het telefoongesprek zijn gemaakt. Deze luiden als volgt:
“1. [belanghebbende] heeft voor het jaar 2014 alsnog recht op een bedrag van € 40.000 aan willekeurige afschrijving voor startende ondernemers;

2. Het bedrag van € 130.000 dat middels een papieren boeking in 2014 is verwerkt als storting in [BV] is niet aftrekbaar voor de heffing van inkomstenbelasting en is niet belast voor de heffing van vennootschapsbelasting;

3. Door u worden de beroepsprocedures over het jaar 2014 met kenmerk BRE 17/6922 en 7926 ingetrokken. Uw cliënt heeft geen recht op een vergoeding van proceskosten, griffierecht of enige andere vorm van schadevergoeding.”

2.5.
Bij e‑mail van eveneens 9 april 2018 heeft de gemachtigde als volgt op voornoemde e‑mail van de Inspecteur gereageerd:
“Akkoord met de tussen u en mij gemaakte afspraak. Ik zal de beroepsprocedure intrekken.”

2.6.
Bij verminderingsbeschikkingen van 28 april 2018, respectievelijk 28 juni 2018 heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 verminderd overeenkomstig de in 2.4 vermelde afspraken.
2.7.
Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting bij de Rechtbank heeft de Inspecteur op 6 februari 2019 opnieuw telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde. Tijdens het telefoongesprek heeft de gemachtigde verklaard dat hij het beroep niet intrekt.
2.8.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3

3.1.
In hoger beroep is in geschil of op 9 april 2018 een rechtsgeldig compromis tot stand is gekomen. Zo niet, dan is in geschil of de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 terecht de in 2.2 genoemde kostenpost van € 130.000 heeft gecorrigeerd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken op bezwaar en tot verdere vermindering van de aanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
overwegingen

4

Ten aanzien van het geschil

4.1.
Tijdens de zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende, net als in beroep bij de Rechtbank, bevestigd dat tussen hem en de Inspecteur een compromis tot stand is gekomen. Door de gemachtigde is ten tijde van het sluiten van het compromis geen voorbehoud gemaakt op grond waarvan belanghebbende mogelijk niet zou zijn gebonden. Ook is vast komen te staan dat niet kort na de totstandkoming van het compromis of na ontvangst van de daarop gebaseerde verminderingsbeschikkingen door belanghebbende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit zou moeten volgen dat belanghebbende niet is gebonden aan het compromis. Pas in het door de Inspecteur geïnitieerde telefonisch overleg van 6 februari 2019 is meegedeeld dat belanghebbende het beroep niet intrekt.
4.2.
In hoger beroep heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat zijn gemachtigde het compromis niet met hem heeft afgestemd en dat hij niet akkoord gaat met het compromis. De Rechtbank zou zijn voorbijgegaan aan het feit dat belanghebbende wel een machtiging heeft afgegeven, maar dit heeft gedaan onder de afspraak dat er te allen tijde overleg zou plaatsvinden, aldus nog steeds belanghebbende.
4.3.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende gebonden is aan het gesloten compromis. Tot de gedingstukken behoort niet een volmacht met de inhoud zoals door belanghebbende is gesteld. Ook anderszins is niet komen vast te staan dat de Inspecteur op de hoogte had kunnen zijn van de door belanghebbende gestelde beperkingen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van zijn gemachtigde. Het had op zijn weg gelegen een dergelijke volmacht te overleggen en, gelet op de betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken dat de Inspecteur op de hoogte had kunnen zijn van de gestelde omvang van de volmacht. De Rechtbank is niet voorbijgegaan aan het gestelde dat belanghebbende wel een machtiging heeft afgegeven, maar dit heeft gedaan onder de afspraak dat er te allen tijde overleg zou plaatsvinden, aangezien deze stelling pas in hoger beroep is betrokken.
Slotsom

4.4.
Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
Ten aanzien van het griffierecht

4.5.
Het Hof is van oordeel dat geen redenen aanwezig zijn om het griffierecht te vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten

4.6.
Het Hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 9 januari 2020 door M.J.C. Pieterse, voorzitter, T.A. Gladpootjes en L.B.M. Klein Tank, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
arabic

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

loweralpha

de naam en het adres van de indiener;

een dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.