Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:67

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:67, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19-00175


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrechtMeervoudige BelastingkamerKenmerk: 19/00175
Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

hierna: belanghebbende
tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 27 februari 2019, kenmerk AWB 18/349, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Peel en Maas,

hierna: de Heffingsambtenaar,
betreffende de hierna te vermelden weigering.

ECLI:NL:GHSHE:2020:67:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrechtMeervoudige BelastingkamerKenmerk: 19/00175
Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

hierna: belanghebbende
tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 27 februari 2019, kenmerk AWB 18/349, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Peel en Maas,

hierna: de Heffingsambtenaar,
betreffende de hierna te vermelden weigering.

procesverloop

1

1.1.
Met dagtekening 21 april 2016 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar verzocht om afgifte aan haar van een beschikking zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet). Bij beschikking met dagtekening 3 augustus 2017 heeft de Heffingsambtenaar die afgifte geweigerd. Het daartegen gemaakte bezwaar is door de Heffingsambtenaar bij uitspraak ongegrond verklaard.
1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake daarvan heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof tegen de uitspraak van de Rechtbank. Ter zake daarvan heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Belanghebbende voorafgaand aan het onderzoek ter zitting stukken ingediend ter completering van het dossier. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2019 te ’s-Hertogenbosch. Partijen zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.
1.6.
Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.
1.7.
Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.
2

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1.
Op 18 april 2016 heeft belanghebbende een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het object [adres] , [postcode] , [plaats] (hierna: de onroerende zaak). Krachtens levering van de onroerende zaak aan belanghebbende op 1 augustus 2016 heeft belanghebbende die zaak in eigendom verkregen.
2.2.
In de onder 2.1 genoemde koopovereenkomst is bepaald dat de door de verkopende partij over het jaar 2016 verschuldigde onroerendezaakbelasting naar rato van tijd wordt verrekend tussen koper en verkoper.
2.3.
Belanghebbende heeft met dagtekening 21 april 2016 verzocht om afgifte aan haar van een beschikking zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet voor het jaar 2016. De Heffingsambtenaar heeft dat verzoek afgewezen. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende een beschikking zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet gegeven, met als ingangsdatum 1 augustus 2016.
3

3.1.
In geschil is of de Heffingsambtenaar ten onrechte de afgifte aan belanghebbende van een beschikking zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet heeft geweigerd. Verder is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.
Belanghebbende concludeert tot afgifte van een beschikking zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet aan belanghebbende en tot toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade aan belanghebbende. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
overwegingen

4

Ten aanzien van het geschil

4.1.
De Rechtbank heeft onder meer als volgt overwogen:
“5. De rechtbank stelt vast, op grond van het verhandelde ter zitting, dat partijen het erover eens zijn dat de beschikking als bedoeld in artikel 26 van de Wet woz niet terug werkt tot het begin van het kalenderjaar waarvoor de beschikking is afgegeven. In zoverre heeft eiseres derhalve, ondanks de toezending van de beschikking als bedoeld in artikel 26 van de Wet woz, belang bij toezending van een beschikking als bedoeld in artikel 28 van de Wet woz.

6. Ten aanzien van de vraag of verweerder dit terecht heeft geweigerd, overweegt de rechtbank als volgt.

7. Artikel 28 van de Wet woz luidt – voor zover hier van belang:

“1. Ten aanzien van degene die aannemelijk maakt belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak ingevolge de artikelen 22, eerste lid, 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid, en aan wie niet op de voet van de artikelen 24, derde tot en met zesde en achtste lid, 26, vierde lid, dan wel 27, derde lid, de beschikking ter zake is toegezonden, neemt de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar binnen acht weken na een daartoe gedaan verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22, eerste lid, artikel 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid. Van een belang is sprake als het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt, en de belanghebbende door dit gebruik in zijn individuele belang kan worden geraakt.”

8. Dit betekent dat er, om in aanmerking te kunnen komen voor een medebelanghebbendenbeschikking, a) sprake moet zijn van een waardegegeven dat op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt en b) de belanghebbende moet door dit gebruik in zijn individuele belang kunnen worden geraakt. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Indien eiseres de gewenste beschikking in het kader van de Wet woz gebruikt is weliswaar voldaan aan voorwaarde a), maar niet aan voorwaarde b). Eiseres is dan immers niet in haar individuele belang geraakt, aangezien zij bij het begin van het belastingjaar geen eigenaar was van de onroerende zaak. Indien eiseres de gevraagde beschikking gebruikt als basis voor de verrekening van de verschuldigde OZB-belasting die zij met de verkoper heeft afgesproken, is niet voldaan aan voorwaarde a), aangezien de beschikking dan niet gebruikt wordt op grond van een wettelijk voorschrift. Aan voorwaarde b) is dan evenmin voldaan, aangezien het kunnen verrekenen met een verkoper een afgeleid en derhalve geen persoonlijk belang van eiseres betreft. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 28 van de Wet woz en derhalve niet in aanmerking komt voor een medebelanghebbendenbeschikking als bedoeld in dit artikel.”

4.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de Rechtbank heeft miskend dat zij een individueel belang heeft zoals door artikel 28, lid 1, van de Wet geëist. Dat belang volgt volgens belanghebbende enerzijds uit het beding in de koopovereenkomst betreffende de onroerendezaakbelasting die naar rato van tijd voor haar rekening komt. Anderzijds stelt belanghebbende dat zij rechtstreeks belang heeft bij de ter zake van de onroerende zaak vastgestelde waarde omdat zij ter zake van die woning sinds 1 augustus 2016 in de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen wordt betrokken.
4.3.
Het Hof stelt voorop dat het laatstbedoelde argument van belanghebbende niet ertoe leidt dat zij belang heeft bij het geven van een beschikking ingevolge artikel 28 van de Wet. Het in dat argument bedoelde belang wordt immers gediend door de reeds aan belanghebbende gegeven beschikking ingevolge artikel 26 van de Wet.
4.4.
Wat betreft belanghebbendes eerstgenoemde argument overweegt het Hof als volgt.
4.5.
De Rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat een beschikking ingevolge artikel 26 van de Wet, anders dan een beschikking ingevolge artikel 28 van de Wet, niet terugwerkt tot een eerder rechtsmoment dan dat waarop de hoedanigheidswijziging waarbij artikel 26 van de Wet aangrijpt, plaatsvindt (zie artikel 26, lid 2, van de Wet). Dat betekent dat de beschikking ingevolge artikel 26 van de Wet in het onderhavige geval slechts werking heeft vanaf 1 augustus 2016. Daarentegen heeft een beschikking ingevolge artikel 28 van de Wet, desgewenst, wél terugwerkende kracht tot een eerder rechtsmoment. In artikel 28, lid 2, van de Wet is bepaald dat de beschikking terugwerkende kracht heeft tot uiterlijk het begin van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het verzoek is gedaan, ofwel, in dit geval, tot uiterlijk 1 januari 2015. De onroerendezaakbelasting is een tijdstipbelasting, waarbij het tijdstip van heffing op grond van artikel 220 van de Gemeentewet het begin van het kalenderjaar is en waarbij de heffingsmaatstaf wordt gevormd door de WOZ-waarde voor dat kalenderjaar (artikel 220c van de Gemeentewet). Belanghebbende heeft, gelet op haar tijdsevenredige aandeel in de onroerendezaakbelasting over het jaar 2016 ingevolge het koopcontract, belang bij een beschikking als bedoeld in artikel 28 van de Wet, zoals de Rechtbank in overweging 5 van haar uitspraak terecht heeft onderkend.
4.6.
De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden die in de slotzin van artikel 28, lid 1, van de Wet zijn gesteld. Voor zover de Rechtbank dat oordeel heeft gebaseerd op een door belanghebbende gewenst gebruik van de door haar gewenste beschikking in het kader van de Wet, geldt dat belanghebbende een dergelijk gebruik niet heeft gesteld. Wat betreft het restant van het oordeel van de Rechtbank onder overweging 6 van haar uitspraak overweegt het Hof als volgt.
4.7.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat, voor zover het betreft de door belanghebbende (uiteindelijk) beoogde vermindering van het pro rata gedeelte van de onroerendezaakbelasting, niet is voldaan aan de beide in de slotzin van artikel 28, lid 1, van de Wet genoemde voorwaarden. Het Hof acht dat oordeel onjuist. Aan de voorwaarde dat het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt, is voldaan, omdat het waardegegeven in het kader van de Wet is gebruikt, welk gebruik onder andere heeft geleid tot heffing van onroerendezaakbelasting van de verkoper van de onroerende zaak. Uit de wettekst noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het gebruik van het waardegegeven rechtstreeks moet zijn betrokken op het subject dat de beschikking ingevolge artikel 28 van de Wet aanvraagt. Ook aan de voorwaarde dat het zojuist bedoelde gebruik van het waardegegeven belanghebbende in zijn individuele belang kan raken, is voldaan. Anders dan de Rechtbank, acht het Hof het belang dat belanghebbende ingevolge de koopovereenkomst heeft bij een tijdsevenredige vermindering van de heffing van onroerendezaakbelasting over het jaar 2016 toereikend voor het bestaan van een individueel belang als hier bedoeld. Een fiscaal belang, zoals was vereist onder de tot 1 oktober 2015 geldende wettelijke regeling is sindsdien niet langer vereist. De wetgever achtte dat vereiste onnodig beperkend voor het honoreren van aanvragen van WOZ-beschikkingen door medebelanghebbenden (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013-2013, 33 462, nr. 3, blz. 16). Uit wettekst noch wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat een belang als het onderhavige, dat weliswaar een verbintenisrechtelijke oorsprong heeft en geen wettelijke, buiten de door de wetgever beoogde verruiming van het belangvereiste zou vallen.
Slotsom

4.8.
Gezien het vorenoverwogene moet het hoger beroep gegrond worden verklaard. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen en bepalen dat de Heffingsambtenaar een beschikking ingevolge artikel 28 van de Wet aan belanghebbende geeft.
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.9.
Belanghebbende heeft zich beklaagd over de afwijzing van haar verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens spanning en frustratie in verband met de behandelduur van haar verzoek. Zij erkent dat die termijn, gerekend vanaf de datum waarop zij bezwaar heeft gemaakt, niet is overschreden, maar stelt desalniettemin recht te hebben op een vergoeding, omdat gerekend zou moeten worden vanaf de datum waarop zij haar aanvraag heeft ingediend. Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende af. De omstandigheid dat de aanvraagfase een zekere tijd in beslag heeft genomen, vormt geen reden om uit te gaan van een andere aanvangsdatum dan die van de ontvangst van het bezwaarschrift (zie HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4029, ov. 3.3).
Ten aanzien van het griffierecht

4.10.
Omdat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard, dient de Heffingsambtenaar het door de Rechtbank en het Hof van belanghebbende geheven griffierecht aan haar te vergoeden.
Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.11.
In artikel 7:15, lid 2 en lid 3, van de Awb is bepaald dat de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan worden vergoed uitsluitend als (1) daar door belanghebbende om wordt verzocht en (2) het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In artikel 7:15, lid 3, van de Awb is bepaald dat (1) het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar beslist en (2) de Inspecteur op het verzoek beslist bij de uitspraak op het bezwaar.
4.12.
Belanghebbende heeft, voordat de Heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar deed, verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. De Heffingsambtenaar heeft dat verzoek afgewezen, omdat het bezwaar niet leidde tot een heroverweging van de afwijzing van belanghebbendes verzoek. Zoals uit het voorgaande volgt, had de Heffingsambtenaar die afwijzing moeten herroepen. Zoals verder uit het voorgaande volgt, berust die afwijzing op een onjuiste opvatting van de Heffingsambtenaar van artikel 28 van de Wet, hetgeen als een aan de Heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid moet worden aangemerkt. Het Hof acht dus termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten van het bezwaar, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht op, 2 (punten wegens bezwaarschrift en hoorgesprek) x € 261 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) = € 522.
Ten aanzien van de proceskosten

4.13.
Omdat het hoger beroep en het beroep gegrond zijn, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep door de Rechtbank en het hoger beroep door het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.14.
Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het beroep door de Rechtbank, op 2 (punten) x € 525 x 1 (factor gewicht van de zaak) = € 1.050.
4.15.
Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het hoger beroep door het Hof, op 1 (punt) x € 525 x 1 (factor gewicht van de zaak) = € 525. Het totaal van de tegemoetkoming bedraagt derhalve € 1.575, mede omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.
5

Het Hof:

Aldus gedaan op 9 januari 2020 door P.C. van der Vegt, voorzitter, M. Harthoorn en M.M. de Werd, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
-

verklaart

vernietigt

vernietigt

vernietigt

draagtop
gelast

veroordeelt

arabic

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

loweralpha

de naam en het adres van de indiener;

een dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.