Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:66

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:66, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/00173 en 19/00174


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrechtMeervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 19/00173 en 19/00174

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 26 februari 2019, nummers BRE 17/7497 en BRE 17/7499, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

ECLI:NL:GHSHE:2020:66:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrechtMeervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 19/00173 en 19/00174

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 26 februari 2019, nummers BRE 17/7497 en BRE 17/7499, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur.
procesverloop

1

1.1.
Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer 1] over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag in de loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) opgelegd ten bedrage van € 10.998 aan belasting, alsmede bij gelijktijdige beschikking een vergrijpboete van € 2.457. Tevens is bij beschikking heffingsrente van € 1.382 in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd, de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 1.228 en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.
1.2.
Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer 2] over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag in de LB/PVV opgelegd ten bedrage van € 18.186 aan belasting, alsmede bij gelijktijdige beschikking een vergrijpboete van € 4.268 en heffings- en belastingrente van € 1.159. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd, de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 2.134 en de beschikking heffings- en belastingrente gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333.De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover dit ziet op de naheffingsaanslagen en niet-ontvankelijk verklaard voor zover het beroep ziet op de opgelegde boetes.
1.4.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 519.De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De Inspecteur heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft omtrent het incidentele hoger beroep haar zienswijze ingebracht.
1.6.
De zitting heeft plaatsgehad op 22 november 2019 te ‘s-Hertogenbosch.Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2

2.1.
Naar aanleiding van een boekenonderzoek over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013 heeft de Inspecteur aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen LB/PVV (hierna: de naheffingsaanslagen) opgelegd. Deze naheffingsaanslagen zijn opgelegd in verband met een correctie van door belanghebbende uitbetaalde kostenvergoedingen en een kilometervergoeding. Bij gelijktijdige beschikkingen zijn ook vergrijpboetes opgelegd en is heffings- en belastingrente in rekening gebracht.
2.2.
Bij brieven met dagtekening 16 december 2014 heeft belanghebbende tegen beide naheffingsaanslagen pro forma bezwaar aangetekend, met de mededeling de inhoudelijke motivering van het bezwaar uiterlijk op 31 december 2014 aan de Inspecteur te doen toekomen. Bij brief met dagtekening 22 december 2014 heeft belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de in de naheffingsaanslagen opgenomen vergrijpboetes. Naar aanleiding van deze brief en na telefonisch-/mailcontact heeft de Inspecteur de vergrijpboetes verminderd. De verminderingsbeschikkingen zijn van 6 en 7 mei 2015 en prints van de betreffende computeruitdraaien behoren tot de gedingstukken.
2.3.
Bij brief met dagtekening 16 januari 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende met de Inspecteur contact gehad over de afwikkeling van de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen. Als bijlage bij deze brief is een brief met dagtekening 2 januari 2015 gevoegd, met de motivering van de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen. Bij uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2017 heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen afgewezen.
2.4.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard voor zover het beroep betrekking heeft op de naheffingsaanslagen en niet-ontvankelijk verklaard voor zover het beroep betrekking heeft op de opgelegde boetes.
3

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Was belanghebbende ontvankelijk in haar beroep in eerste aanleg?2. Heeft de Inspecteur de wet en de redelijke termijnen niet in acht genomen, waardoor de Inspecteur niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het handhaven van de naheffingsaanslagen?3. Dienen de naheffingsaanslagen voor zover zij zien op de onkostenvergoedingen te worden verminderd, omdat door de Inspecteur geen gebruik is gemaakt van het bewijsaanbod van belanghebbende?4. Dienen de boetes op grond van een toezegging van de Inspecteur te worden verminderd tot nihil?
Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Tijdens de zitting heeft belanghebbende verklaard dat het verzoek om schadevergoeding uitsluitend ziet op de vergoeding van de proceskosten.

3.2.
Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting hebben zij hun standpunten nader toegelicht.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en vernietiging van de naheffingsaanslagen, de vergrijpboetes en de rentebeschikkingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
overwegingen

4

Vooraf

[gemachtigde] heeft ter zitting een machtiging overgelegd. De handtekening onder deze machtiging van [A] namens belanghebbende wijkt aanzienlijk af van de handtekening van [A] onder de ingediende pro forma bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen met dagtekening 16 december 2014. Op grond daarvan heeft het Hof twijfel omtrent de geldigheid van de door [gemachtigde] ter zitting overgelegde machtiging. Om redenen van proceseconomie zal het Hof er veronderstellenderwijs van uitgaan dat [gemachtigde] belanghebbende gedurende de hoger beroepsprocedure als gemachtigde kan vertegenwoordigen.

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van de eerste vraag

4.1.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tegen de uitspraken op bezwaar inzake de opgelegde boetes heeft de Rechtbank het volgende overwogen:
“2.5. Tussen partijen is niet in geschil dat er uitspraak op bezwaar is gedaan op 6 mei2017 [] ten aanzien van de boete begrepen in de aanslag met nummer [aanslagnummer 1] en op 7 mei 2017 [] ten aanzien van de boete begrepen in de aanslag met nummer [aanslagnummer 2] . De beroepschriften zijn ingediend op 22 november 2017. Dit is dus voor zover het beroep ziet op de boetes buiten de termijn van zes weken. De beroepen van belanghebbende zijn ten aanzien van de boetes dan ook niet-ontvankelijk tenzij er sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Uit het door belanghebbende aangevoerde zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit enige verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding blijkt. De rechtbank acht daarom de beroepen van belanghebbende voor zover het ziet op de boetes niet-ontvankelijk”
Belanghebbende heeft tegen dit oordeel van de Rechtbank in hoger beroep geen grieven aangevoerd. Het Hof verenigt zich met de aangehaalde overwegingen en maakt die tot de zijne.

4.2.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tegen de uitspraken op bezwaar inzake de naheffingsaanslagen overweegt het Hof volgende.
4.2.1.
Indien de bedragen van een belastingaanslag en een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, wordt een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag geacht mede te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt (artikel 24a, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).
4.2.2.
[A] heeft namens belanghebbende bij brieven met dagtekening 16 december 2014 pro forma bezwaar aangetekend tegen de naheffingsaanslagen, met de mededeling de inhoudelijke motivering van het bezwaar uiterlijk op 31 december 2014 aan de Inspecteur te doen toekomen. De Inspecteur heeft deze pro forma bezwaarschriften op 18 december 2014 ontvangen. Belanghebbendes gemachtigde heeft verklaard dat hij de brief met de gronden van het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen met dagtekening 2 januari 2015 reeds in 2015 aan de Inspecteur heeft verzonden. De Inspecteur heeft gemotiveerd de ontvangst van die brief betwist. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gronden van het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen begin 2015 aan de Inspecteur zijn verstuurd. Naar het oordeel van het Hof moet daarom worden aangenomen dat de Inspecteur de gronden van het bezwaar tegen