Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:61

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:61, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/00859


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrechtMeervoudige BelastingkamerKenmerk: 17/00859
Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 november 2017, nummer BRE 17/1997, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,

hierna: de Heffingsambtenaar,
betreffende de hierna te vermelden beschikking en aanslag.

ECLI:NL:GHSHE:2020:61:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrechtMeervoudige BelastingkamerKenmerk: 17/00859
Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 november 2017, nummer BRE 17/1997, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,

hierna: de Heffingsambtenaar,
betreffende de hierna te vermelden beschikking en aanslag.

procesverloop

1

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) aan belanghebbende een beschikking gegeven (hierna: de beschikking), waarbij de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2015 voor het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 is vastgesteld op € 175.000. Tegelijkertijd is aan belanghebbende een aanslag in de onroerende‑zaakbelastingen voor eigenaren over het jaar 2016 opgelegd (hierna: de aanslag). Deze aanslag is op één aanslagbiljet verenigd met de beschikking. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier heeft een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend. De Heffingsambtenaar heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgehad op 10 januari 2019 te ’s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en, namens de Heffingsambtenaar, [A] , bijgestaan door [B] en [C] .
1.6.
De Heffingsambtenaar heeft ter zitting een afschrift van het ‘Saneringsverslag [adres 2] te [woonplaats] ’ van [D] van 21 december 2018 overgelegd aan het Hof en aan belanghebbende.
1.7.
Het Hof heeft vervolgens het onderzoek geschorst en het vooronderzoek hervat.
1.8.
Van de zitting is een proces‑verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.
1.9.
Belanghebbende heeft bij brief van 21 januari 2019 gereageerd op het rapport van [D] van 21 december 2018. De griffier heeft een afschrift van deze reactie aan de Heffingsambtenaar verzonden.
1.10.
De Heffingsambtenaar heeft bij faxbericht van 15 februari 2019 uiteengezet hoe de zaak volgens hem moet worden opgelost. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 27 februari 2019.
1.11.
De meervoudige Kamer heeft vervolgens op de voet van artikel 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uit haar midden mr. M.J.C. Pieterse aangewezen als raadsheer‑commissaris. Op 12 maart 2019 te ’s‑Hertogenbosch zijn voor de raadsheer‑commissaris verschenen en gehoord belanghebbende en, namens de Heffingsambtenaar, [A] , bijgestaan door [B] . Partijen zijn overeengekomen dat op kosten van de Heffingsambtenaar een verkennend bodemonderzoek zal worden uitgevoerd. Er is een proces‑verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.
1.12.
Op grond van artikel 8:58 Awb hebben partijen vóór de nadere zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het betreft een brief van belanghebbende van 23 juni 2019 en brieven van de Heffingsambtenaar van 7 juni 2019, van 24 juli 2019 en van 25 oktober 2019.
1.13.
De nadere zitting heeft plaatsgehad op 11 november 2019. Op deze zitting zijn verschenen en gehoord belanghebbende en, namens de Heffingsambtenaar, [A] , bijgestaan door [B] .
1.14.
Bij aanvang van de nadere zitting zijn partijen erop gewezen, dat de meervoudige Belastingkamer tijdens het onderzoek ter zitting op 10 januari 2019 was samengesteld uit M.J.C. Pieterse, P.A.M. Pijnenburg en W.A. Sijberden, en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de Kamer door M.J.C. Pieterse, T.A. Gladpootjes en W.A. Sijberden, en dat de zaak wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, derde lid, Awb, in de stand waarin zij zich bevond op 12 maart 2019. Partijen hebben verklaard daar geen bezwaar tegen te hebben.
1.15.
Belanghebbende heeft tijdens deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.
1.16.
Het Hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten.
2

2.1.
Belanghebbende is gebruiker en eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een bouwterrein van 607 m2 voor twee grondgebonden woningen dat belanghebbende in het verleden heeft gebruikt als volkstuin.
2.2.
Op het adres [adres 2] te [woonplaats] , dat grenst aan de onroerende zaak, was voorheen een textielverzorgings- en wasbedrijf gevestigd van het [E] . In de periode van mei 1997 tot maart 1998 is op dit adres gefaseerd onderzoek uitgevoerd naar bodemverontreiniging. Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van [Stichting] van het [E] en werd uitgevoerd door [F BV] (hierna: [F BV] ).
2.3.
Het tot de gedingstukken behorende afschrift van het rapport ‘Nader bodemonderzoek [adres 2] te [woonplaats] ’ van [F BV] van april 1999 vermeld (met paginavermelding door het Hof):
“Rondom de bedrijfsriolering ten noorden en ten oosten van het ketelhuis zijn in de grond sterk verhoogde gehalten aan ‘per’ aangetoond. (…) Vanuit het brongebied (…) heeft de verontreiniging met ‘per’ zich via het ondiepe grondwater in noordwestelijke richting verspreid. (…) In verticale richting heeft de verontreiniging met ‘per’ zich naar het eerste watervervoerende pakket verplaatst (…). Voorts heeft de grondwaterverontreiniging met ‘per’ zich via het eerste watervervoerende pakket in horizontale richting verspreid. Deze horizontale verspreiding is met name noordelijk gericht, maar ook noordoostelijk en noordwestelijk van de onderzoekslocatie zijn sterk verhoogde gehalten aan ‘per’ in het diepe grondwater aangetoond. In vergelijking tot de verontreiniging in het ondiepe grondwater, die zich duidelijk in noordwestelijke richting verplaatst, is de verspreiding van de verontreiniging in het diepe grondwater minder eenduidig. [p. 14](…)Op basis van de vastgestelde omvang kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond en voor het grondwater een bodemvolume van meer dan 100 m3 waarin sterk verontreinigd grondwater voorkomt.Derhalve is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. [p. 15](…)Hoewel het geval nog niet is afgebakend, is toch op basis van de bestaande onderzoeksresultaten een inschatting gedaan van de aanwezige actuele risico’s. [p. 16](…)Uit de toetsing blijkt dat de verspreiding van ‘per’ ca. 17.000 m3/jaar bedraagt. Aangezien het criterium van 100 m3/jaar wordt overschreden is er sprake van actuele verspreidingsrisico’s. [p. 17](…)Conclusies en aanbevelingen(…) Op basis van de bestaande onderzoeksgegevens kan worden geconcludeerd, dat de bodemverontreiniging met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen als een geval van ernstige bodemverontreiniging dient te worden beschouwd. Sanering van het geval is urgent. [p. 20]”
2.4.
Het tot de gedingstukken behorende afschrift van het rapport ‘Saneringsplan [adres 2] te [woonplaats] ’ van [F BV] van oktober 1999 vermeld (met paginavermelding door het Hof) historische informatie over de locatie [p. 3‑4], de bodemverontreiniging vanuit saneringsperspectief [p. 6‑7] en twee saneringsalternatieven en hun uitwerking. De kosten van het zogenoemde IBC‑alternatief zijn geraamd op circa ƒ 1 miljoen en die van het zogenoemde herstelalternatief op circa ƒ 3 miljoen, waarbij wordt opgemerkt dat de daadwerkelijke kosten velen malen hoger zullen liggen [p 8].
2.5.
Tot de gedingstukken behoort een afschrift van het ‘Saneringsverslag (tussenevaluatie) [adres 2] te [woonplaats] ’ van [D] van 8 januari 2015. Daarin is onder ‘Samenvatting en conclusies’ vermeld:
“In opdracht van [G] uit [woonplaats] (eigenaar van het terrein) heeft [D] een bodemsanering uitgevoerd aan de [adres 2] te [woonplaats] . De verontreiniging betrof met name een omvangrijke grond- en grondwaterverontreiniging met voornamelijk PER, afkomstig van de vroegere chemische wasserij op locatie. (…) Door [H] [Hof: [H] ] is een externe eindcontrole uitgevoerd op de putbodem en –wanden van de ontgravingen en de aanvulgrond.Zeer ruim is voldaan aan de vereiste terugsaneerwaarde. In meer dan 90% van de ontgravingswanden zijn de gehalten minstens 10 maal lager dan de vereiste terugsaneerwaarde.Op slechts twee plaatsen waren de restconcentraties verhoogd, maar toch beneden 0,5 maal de terugsaneerwaarde.(…)De grondwatersanering loopt circa 8 maanden en wordt nog voorgezet; In 90% van het gebied is de terugsaneerwaarde reeds zeer ruim bereikt. In 10% van het gebied, ter plaatse van de [adres 3] is in december de terugsaneerwaarde bereikt.(…)N.B. de reeds aangetoonde (zeer) lage restconcentraties PER in het tonen aan dat de effectief gesaneerd is. Algemeen geldt dat bij lage concentraties PER in de grond, hoge concentraties in het grondwater worden aangetroffen.(…)Het overige terrein voldoet aan klasse Wonen. Meer dan 80% van het terrein voldoet zelfs aan de Achtergrondwaarde.”
2.6.
Tot de gedingstukken behoort een matrix opgesteld door [J] van 13 juli 2017. In die matrix zijn de volgende vergelijkingsobjecten opgenomen:
5

colA

colB

colC

colD

colE

adres

omschrijving

m2

transactiedatum

verkoopprijs

[adres 4]

Bouwterrein voor één grondgebonden woning

132

8 juli 2015

€ 88.000

[adres 5]

Bouwterrein voor één grondgebonden woning

131

6 maart 2015

€ 88.000

[adres 6]

Bouwterrein voor één grondgebonden woning

192

18 mei 2016

€ 96.000

2.7.
Tot de gedingstukken behoort een afschrift van het ‘Saneringsverslag [adres 2] te [woonplaats] ’ van [D] van 21 december 2018 waarin is vermeld (met paginavermelding door het Hof):
“Door de selectieve optimale werkwijze voor grondsanering (voor zowel VOCl als voor de overige verontreinigingen) en de toegepaste optimale innovatieve werkwijze voor grondwatersanering zijn de volgende resultaten bereikt:- De vereiste terugsaneerwaarden voor grond zijn in zeer ruime mate behaald;- De bovenste 0,5 meter voldoet aan de Achtergrondwaarde;- de grond van (0-1m) voldoet aan de bodemklasse Wonen;- in de grond dieper dan 1 meter wordt de interventiewaarde niet overschreden; (kadastrale aantekening wordt doorgehaald)- De restconcentraties in het grondwater liggen beneden de vereiste terugsaneerwaarden;- Het in 2 jaar behaalde saneringsrendement op het grondwater bedraagt ruim 99,5%;- Het terrein is geschikt voor landbouw en woningen met tuin.- Bovenstaande resultaten zijn bevestigd middels het verificatie onderzoek van [H] [Hof: [H] ] [p. 5](…)1. Grondsanering VOCL(…)Resultaat- De bovenste meter voldoet volledig aan de achtergrondwaarde.- Dieper dan 1 meter wordt zeer ruim voldaan aan de vereiste terugsaneerwaarde. In meer dan 90% van de ontgravingswanden zijn de gehalten minstens 10 maal lager dan de vereiste terugsaneerwaarde (voor VOCl in grond, dieper dan 1 meter).Op slechts twee plaatsen waren de restconcentraties verhoogd, maar toch beneden 0,4 maal de terugsaneerwaarde. [p. 6](…)2. Grondsanering tot klasse Wonen (zware metalen, PAK’s en minerale olie)(…)ResultaatHet terrein voldoet betreffende metalen, PAK’s en minerale olie volledig aan klasse Wonen.- Door [H] is een onafhankelijke eindcontrole uitgevoerd;- De bovenste -0,5 meter voldoet geheel aan de Achtergrondwaarde (nog beter dan Wonen).- Van de laag van 0,5-1,0 meter voldoet 80% aan de Achtergrondwaarde en 20% aan klasse Wonen.- Dit geldt ook voor de grond dieper dan 1 m. [p. 8](…)3. GrondwatersaneringHet grondwater in het freatisch pakket (0 -7 m.) was zeer sterk verontreinigd met VOCL’s en met name PER.Er was nauwelijks sprake van afbraakproducten, met uitzondering van een vlek nabij de poort aan de [adres 7] (…)De grondwaterverontreiniging (omvang circa 26.000 m³) strekte zich uit over het terrein tot onder de [adres 3] , woningen en tuinen.NB Het diepere grondwater in het eerste watervoerende pakket (dieper dan 7 meter) is ook sterk verontreinigd met VOCl’s. Hiervoor is door de eigenaar een beheersovereenkomst afgesloten met de gemeente Tilburg in het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer.Het eerste watervoerende pakket valt dus buiten de sanering. [p. 10](…)(…) dat in 2 jaar tijd een saneringsrendement voor PER en VC in het grondwater (…) > 99,8 % behaald is.Tevens is de concentratie vinylchloride teruggebracht tot beneden de terugsaneerwaarde.N.B. De terugsaneerwaarde van (hoofdverontreiniging PER) bedroeg 500 µg/l. Door de optimale aanpak van de grondwatersanering werd in korte tijd deze waarde gerealiseerd. Vanwege de zeer voorspoedige en effectieve aanpak heeft [D] besloten om (op eigen kosten) deze specifieke grondwatersanering voort te zetten tot overal een eindconcentratie van minder dan 40 µg/l gerealiseerd was. Dus ruim tien maal lager dan de eis voor PER [p. 13]”
2.8.
Tot de gedingstukken behoort een afschrift van het ‘Verkennend bodemonderzoek [adres 3] (percelen sectie [--] , nummers [1] , [2] en [3] ) te [woonplaats] ’ [Hof: dit is de onroerende zaak] van [K] van 17 mei 2019 waarin is vermeld:
“De veldwerkzaamheden hebben plaatsgevonden in april 2019(…)Verspreid over de onderzoekslocatie zijn geplaatst:- 5 boringen tot 2,0 m –mv (…);- 3 peilbuizen (…). [p. 9](…)Conclusie algehele bodemkwaliteit(…)In de grond zijn licht tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK (alleen licht) gemeten. In de grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een verontreiniging met vluchtige chloorkoolwaterstoffen. Er lijkt een verband te bestaan tussen het aantreffen van bijmengingen met baksteen en de aangetroffen verontreinigingen in de bovengrond. Een dergelijke relatie wordt vaker aangetroffen bij bodemverontreiniging.Geconcludeerd kan worden dat binnen de perceelgrenzen sprake is van een lichte verontreiniging met VOCl (PER) in het grondwater. De licht verhoogde concentraties zijn te relateren aan restverontreiniging als gevolg van de voormalige activiteiten en verontreinigingen uit de omgeving. Er is echter geen sprake van overschrijding van de interventiewaarde aan deze parameters, waardoor er geen risico en/of gebruiksbeperkingen meer zijn voor de omgeving.
Geschiktheid voor het beoogde gebruik van wonen met tuinUit de onderzoeksresultaten blijkt dat op een deel van het terrein gehalten aan zink en lood boven de interventiewaarde zijn gemeten. Dit kan mogelijk leiden tot gebruiksbeperkingen.
Om hier een gefundeerde uitspraak over te kunnen doen dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd om de ernst en omvang van deze verontreiniging vast te kunnen stellen. (…)Op basis van de bevindingen in het veld wordt geadviseerd om bij een vervolgonderzoek tevens aandacht te besteden aan (…) [Hof: asbest in de bodem], omdat deze tevens van invloed kan zijn op een mogelijke gebruiksbeperking. [p. 14‑15]”
2.9.
Tot de gedingstukken behoort een notitie van [L] , adviseur bodem bij de gemeente Tilburg , van 24 mei 2019 waarin is vermeld:
“Tijdens het bodemonderzoek is (…) alleen een zeer geringe overschrijding van VOCl’s (per) in het grondwater waargenomen. Dit duidt op een voldoende volledige sanering van de aangrenzende locatie. De gehalten aan VOCl’s in het grondwater zijn gemiddeld genomen over de stad Tilburg als “normaal” te beschouwen. Ook PID metingen in de woning (het meest kwetsbare gebied) hebben geen aanwijzingen gegeven voor mogelijke aanwezigheid van VOCl’s in de bodem of kruipruimten.In de bovengrond is op één plaats een sterke overschrijding van de gehalten aan lood en zink gemeten. Deze verontreiniging wordt beschouwd als een locatie eigen verontreiniging en komt zeer veel voor in een stedelijke omgeving.Er zijn geen significante (hooguit enkele lichte) verhogingen met kwik of andere parameters gemeten.Tijdens de veldinspectie en het bodemonderzoek is over de gehele locatie (…) puin en puin-houdend materiaal in de bovengrond aangetroffen. Hiermee is de locatie formeel asbestverdacht.(…)Hoewel de exacte omvang van de verontreinigingssituatie dus nog niet volledig in beeld is (er wordt immers nader bodemonderzoek geadviseerd) valt er grofweg wel iets over de kosten van de verontreiniging te zeggen (worst-case scenario)(…) [We] gaan (…) nu uit van een integrale verdachte laag van ca. 0,5 meter dikte over het gehele buitenterrein van ca. 700 m2.Als “vuistregel” geldt voor dergelijke verontreinigingen, indien men deze wil gaan sanering een all‑in prijs van ca. € 75,-- à € 100,-- / m2 incl. BTW.Dit komt dus neer op maximale kosten (zeg waardevermindering) van 700 m2 * € 100,-- = € 70.000, -- incl. BTW. Bij ongewijzigd gebruik zal er geen onderzoeks- of saneringsverplichting worden opgelegd. Dit is anders wanneer er een omgevingsvergunning voor de locatie wordt aangevraagd. Dan kan dit wel worden opgelegd.”
2.10.
Tot de gedingstukken behoort een e‑mailbericht van [M] , taxateur, aan [A] van 28 mei 2019:
“Na het verkennend bodemonderzoek en de tekst en uitleg die door [L] is gegeven kom ik tot de onderstaande conclusie:- [adres 1]De waarde is bepaald op € 175.000 met een grondperceel van 607m2. Er wordt een correctie opgenomen van € 100 per m2 (vanwege eventuele verontreinigde grond) wat neer komt op een correctie van totaal € 60.700.De waarde wordt verlaagd naar € 114.000 (afronding naar beneden).”
3

3.1.
In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. In het bijzonder is in geschil de invloed van de bodemverontreiniging op de waarde van de onroerende zaak.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vermindering van de vastgestelde waarde tot ten hoogste nihil en vermindering van de aanslag. De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vermindering van de vastgestelde waarde tot € 114.000 en vermindering van de aanslag.
overwegingen

4

Ten aanzien van het geschil

4.1.
De waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed.
4.2.
Die waarde wordt voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.
4.3.
De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de Heffingsambtenaar.
4.4.
Het Hof stelt voorop dat het hoger beroep gegrond is aangezien de Heffingsambtenaar na het ‘Verkennend bodemonderzoek’ concludeert tot vermindering van de waarde tot € 114.000. Het Hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat deze waarde niet te hoog is.
4.5.
Naar het oordeel van het Hof is de Heffingsambtenaar daarin niet geslaagd. Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld dat sprake is van bodemverontreiniging. Hij heeft daarbij onweersproken gesteld dat in het kader van het ‘Verkennend bodemonderzoek’ de onroerende zaak tot niet dieper dan tot drie meter onder het maaiveld is onderzocht. Daar komt bij dat in de 2.9 genoemde notitie van [L] is opgemerkt dat bij ongewijzigd gebruik er geen onderzoeks- of saneringsverplichting zal worden opgelegd en dat dit anders is wanneer er een omgevingsvergunning voor de locatie wordt aangevraagd, aangezien een dergelijke verplichting in dat geval wel kan worden opgelegd. Met beide omstandigheden heeft de Heffingsambtenaar geen rekening gehouden bij de bepaling van de door hem voorgestane waarde. Daarmee heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de door hem voorgestane waarde niet te hoog is.
4.6.
Vervolgens ligt het op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat de door hem voorgestane waarde van ten hoogste nihil niet te laag is. Belanghebbende slaagt daarin naar het oordeel van het Hof niet. Belanghebbende heeft geen taxatierapport overgelegd. Hij heeft met name gewezen op het ‘Nader bodemonderzoek [adres 2] te [woonplaats] ’ van [F BV] van april 1999. Dat onderzoek had echter geen betrekking op de onroerende zaak van belanghebbende.
4.7.
Ter zitting van 10 januari 2019 is aan de orde gekomen dat deze kwestie al vele jaren speelt en er diverse gesprekken zijn geweest tussen belanghebbende en de Heffingsambtenaar. Het Hof heeft in het kader van een duurzame oplossing van dat wat partijen verdeeld houdt, getracht partijen in beweging te krijgen, onder meer door tijdens de zittingen van 10 januari 2019 en 12 maart 2019 te onderzoeken wat daarvoor nodig was. Partijen bleken ook na het ‘Verkennend bodemonderzoek’ niet bereid in voldoende mate hun standpunten te verlaten om (ook voor de toekomst) tot overeenstemming over de (wijze van) waardering te komen. Zoals het Hof hiervoor heeft overwogen, heeft geen van de partijen de door hen verdedigde waarde aannemelijk gemaakt. Het Hof zal ter beslechting van het geschil de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum in goede justitie bepalen op € 40.000.
Slotsom

4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.
Ten aanzien van het griffierecht

4.9.
De Heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht van € 46 respectievelijk € 124 te vergoeden, omdat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten

4.10.
Het Hof veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de Rechtbank gegrond is.
4.11.
Het Hof stelt deze tegemoetkoming op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zittingen van respectievelijk € 2,12 en tweemaal € 10, is in totaal € 22,12.
5

Het Hof

Aldus gedaan op 9 januari 2020 door M.J.C. Pieterse, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
-

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar van de Heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Heffingsambtenaar;

vermindert de beschikking tot een waarde van € 40.000;

vermindert de aanslag in gelijke mate;

gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van, in totaal, € 170 vergoedt;

veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 22,12.

arabic

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

loweralpha

de naam en het adres van de indiener;

een dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

_11f533a2-398f-43f2-a6eb-89d2bfdb730a
1

Artikel 17, lid 2, Wet WOZ.

_f974c5fd-9add-4f29-9b83-b88e3ccc28f9
2

Artikel 4, lid 1, letter a, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.