Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:583

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-02-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 17-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:583, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-000474-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2020:583:DOC
nl

Parketnummer : 20-000474-19 Uitspraak : 17 februari 2020TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 februari 2019 in de strafzaak met parketnummer 03-661202-16 tegen:

[verdachte],
geboren te [geboortegegevens], wonende te [Adresgegevens]
Hoger beroep

Aan verdachte is onder 1 primair en 1 subsidiair – kort gezegd – ten laste gelegd de feitelijke aanranding der eerbaarheid respectievelijk het plegen van ontucht jegens de minderjarige [Slachtoffer] die destijds – kort gezegd – aan zijn opleiding was toevertrouwd.

Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd – kort gezegd – de feitelijke aanranding der eerbaarheid gepleegd jegens [slachtoffer 2].

De rechtbank heeft verdachte van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken. In samenhang hiermee is de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Terzake het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde heeft de rechtbank aan de verdachte opgelegd:-een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren; en-een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.
De vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer] is door de rechtbank gedeeltelijk toegewezen met oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – voor zover aan zijn oordeel onderworpen – om praktische redenen zal vernietigen en verder zal beslissen zoals de rechtbank heeft gedaan met inbegrip van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer] en de hoofdelijke opgelegde schadevergoedings-maatregel, met dien verstande dat in plaats van de door de rechtbank bevolen vervangende hechtenis een termijn voor gijzeling wordt bepaald.

De verdediging heeft een tot vrijspraak strekkend verweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in het hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:hij - als stagebegeleider en/of als (mede)eigenaar van stagebedrijf [naam bedrijf] - in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 4 februari 2016 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige (stagiaire) [Slachtoffer], geboren op [Geboortedatum], door meermalen, althans eenmaal, (telkens)
Vrijspraak

Overeenkomstig de rechtbank en de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging spreekt het hof verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde omdat daarvoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij - als stagebegeleider en als (mede)eigenaar van stagebedrijf [naam bedrijf] - in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 4 februari 2016 in de gemeente Venray meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige stagiaire [Slachtoffer], geboren op [Geboortedatum], door

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [Slachtoffer] onbetrouwbaar is en mogelijk is ingegeven doordat verdachte niet mee wilde werken aan het aftekenen van de benodigde uren voor haar stage.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De politie heeft met aangeefster [Slachtoffer] op 4 februari 2016 een informatief gesprek gevoerd (dossierpag. 10-13), waarna zij op 9 februari 2016 aangifte heeft gedaan (dossierpag. 22-34). In haar aangifte heeft [Slachtoffer] gedetailleerd verklaard over ontuchtige handelingen door verdachte jegens haar gepleegd.

Zowel uit de met twee andere stagiaires van verdachte, [Stagiaire 1] (blz. 14 t/m 17) en [Stagiaire 2] (blz. 18 t/m 21), gevoerde informatieve gesprekken als uit het verhoor van [Naam] (blz. 37 t/m 40), een vriendin van aangeefster die aangeefster wel eens in de kapsalon ging ophalen, blijkt van soortgelijke seksueel grensoverschrijdende gedragingen van verdachte jegens ieder van hen.

Gelet op deze gelijksoortigheid in handelingen waarover aangeefster en de hiervoor genoemde andere personen hebben verklaard en het ontbreken van aanwijzingen dat zij elkaar omtrent de door hen af te leggen verklaring hebben beïnvloed, is het hof met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat er geen redenen zijn te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door [Slachtoffer] jegens verdachte gedane aangifte.

De omstandigheid dat klanten [Klant 1] en [Klant 2]) en werknemers [Werknemer 1], [Werknemer 2] en [Werknemer 3] van de kapsalon van verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris hebben verklaard nooit iets van ontuchtige handelingen van verdachte jegens anderen c.q. henzelf te hebben gemerkt of daarover nooit met aangeefster te hebben gesproken, leidt niet tot een ander oordeel. De suggestie van de verdediging dat aangeefster moedwillig is overgegaan tot het afleggen van valse verklaringen omdat verdachte weigerde mee te werken aan het aftekenen van uren voor de stage van aangeefster, stelt het hof terzijde, nu het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting voor dit scenario een begin van aannemelijkheid hebben bijgebracht.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde is bewezen en wordt het andersluidende verweer van de verdediging verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft verdachte terzake het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. De advocaat-generaal heeft zich achter dit oordeel geschaard.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van ontuchtige handelingen jegens een minderjarige stagiaire die in zijn kapsalon werkzaam was en die als stagiaire aan zijn opleiding was toevertrouwd. Dit is een kwalijk feit, te meer omdat aangeefster voor het kunnen voldoen aan haar stageverplichting afhankelijk was van verdachte. Verdachte heeft misbruik gemaakt van die afhankelijkheidsrelatie en door zijn gedragingen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft de grenzen van zijn professionele verhouding tot het slachtoffer overschreden en is overgegaan tot gedragingen die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.

Anderzijds is verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 december 2019 first offender en sinds de onderhavige ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten zijn inmiddels vier jaren verstreken.

Dat alles leidt ertoe dat het hof komt tot een andere strafmodaliteit dan door de rechtbank opgelegd, waarin de werkstraf zal worden verminderd en een voorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zal worden opgelegd dan de rechtbank heeft gedaan. Dit is ingegeven door de omstandigheid dat naar het oordeel van het hof een forse stok achter de deur nodig is omdat verdachte nog steeds (minderjarige) stagiaires in zijn kapsalon aan het werk heeft.

Het hof legt aan verdachte op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren, naast een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Redelijke termijn

Met de rechtbank stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg is overschreden.

Met de rechtbank stelt het hof de aanvang van deze termijn op 21 april 2016, zijnde de datum van het eerste politieverhoor van verdachte. Het einde van de termijn stelt het hof op de datum van het vonnis, zijnde 6 februari 2019.

Dit betekent dat de redelijke termijn die in deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld met ruim negen maanden is overschreden.

Een deel van deze overschrijding is veroorzaakt doordat op 31 januari 2018, 17 mei 2018 en 2 juli 2018 op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord bij de rechter-commissaris.

Het hof volstaat met de enkele constatering van deze overschrijding zonder daaraan verdere consequenties te verbinden, mede gelet op de snelle afhandeling in hoger beroep en de aard en omvang van de opgelegde straf.

Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer]

De benadeelde partij [Slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.565,50, bestaande uit een bedrag van € 1.065,50 aan materiële schade en een bedrag van € 500,- terzake immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 532,50 terzake materiële schade en een bedrag van € 500,- terzake immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De vordering van de benadeelde partij voor zover in hoger beroep nog aan de orde is door de verdediging niet (gemotiveerd) betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [Slachtoffer] als gevolg van verdachtes onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Overeenkomstig de rechtbank zal het hof een bedrag van € 532,50 aan materiële schade toewijzen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat een bedrag van € 250,- terzake immateriële schade op grond van hetgeen ter onderbouwing daartoe gesteld is, billijk is. De wettelijke rente wordt berekend vanaf 4 februari 2016.

Voor zover de gevorderde immateriële schadevergoeding het bedrag van € 250,- te boven gaat, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en zal de benadeelde partij deze vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig kunnen maken.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [Slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 782,50. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Hoofdelijkheid

Anders dan de rechtbank zal het hof voormelde betalingsverplichtingen niet hoofdelijk opleggen. Het bewezen verklaarde verwijt betreft namelijk enkel verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.


1. hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 4 februari 2016 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens) - vastklemmen en/of klemzetten van een persoon genaamd [Slachtoffer] (geboren op [Geboortedatum]), zijnde een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, tussen een tafel en/of muur en zijn, verdachtes, lichaam, en/of versperren en/of blokkeren van de vrije doorgang voor die [Slachtoffer] en/of - aan die [Slachtoffer] vragen of en/of tegen die [Slachtoffer] zeggen dat zij bij hem, verdachte, op schoot wilde en/of moest komen zitten en/of - ( aan) die [Slachtoffer] vragen naar haar seksleven en/of seksuele voorkeuren en/of met wie zij seks had en/of wat voor seksuele handelingen zij (bij voorkeur) verrichtte en/of - tegen die [Slachtoffer] zeggen dat hij, verdachte, haar kont mooi vond en/of - slaan op/tegen de billen van die [Slachtoffer] en/of - met een handdoek tegen die [Slachtoffer] aan slaan die [Slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens) - slaan en/of tikken op/tegen en/of betasten en/of strelen van en/of wrijven over de billen van die [Slachtoffer] en/of - betasten en/of strelen van en/of wrijven over een/de (boven)be(e)n(en) van die [Slachtoffer] en/of - brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [Slachtoffer].
- op/tegen de billen van die [Slachtoffer] te slaan en/of te tikken en/of de billen van die [Slachtoffer] te betasten en/of te strelen en/of over de billen van die [Slachtoffer] te wrijven en/of - een/de (boven)be(e)n(en) van die [Slachtoffer] te betasten en/of te strelen en/of over een/de (boven)be(e)n(en) van die [Slachtoffer] te wrijven en /of - zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [Slachtoffer] te brengen en/of te duwen.
- tegen de billen van die [Slachtoffer] te slaan en/of te tikken; en/of- de bovenbenen van die [Slachtoffer] te betasten en te strelen; en/of- zijn lichaam tegen het lichaam van die [Slachtoffer] te brengen.



beslissing

BESLISSING


Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van , indien niet naar behoren verricht te vervangen door .

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van .

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Slachtoffer], ter zake van het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 782,50 (zevenhonderdtweeëntachtig euro en vijftig cent) bestaande uit € 532,50 (vijfhonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 15 (vijftien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 4 februari 2016.

Aldus gewezen door:mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,mr. C.M. Hilverda en mr. R.R. Everaars-Katerberg, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,en op 17 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.