Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:43

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:43, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.253.599_01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.253.599/01zaaknummer rechtbank : C/02/339914 FA RK 18-63
beschikking van de meervoudige kamer van 9 januari 2020

inzake

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,verweerster in het incidenteel hoger beroep,hierna te noemen: de vrouw,advocaat mr. L.N.J.B. van Osch te Tilburg,
tegen

[de man]

wonende te [woonplaats] ,verweerder in het principaal hoger beroep,verzoeker in het incidenteel hoger beroep,hierna te noemen: de man,advocaat mr. M.Th. Linsen-Penning de Vries te Eindhoven.

ECLI:NL:GHSHE:2020:43:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.253.599/01zaaknummer rechtbank : C/02/339914 FA RK 18-63
beschikking van de meervoudige kamer van 9 januari 2020

inzake

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,verweerster in het incidenteel hoger beroep,hierna te noemen: de vrouw,advocaat mr. L.N.J.B. van Osch te Tilburg,
tegen

[de man]

wonende te [woonplaats] ,verweerder in het principaal hoger beroep,verzoeker in het incidenteel hoger beroep,hierna te noemen: de man,advocaat mr. M.Th. Linsen-Penning de Vries te Eindhoven.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 30 oktober 2018, hersteld bij beschikking van 19 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2

2.1.
De vrouw is op 28 januari 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 oktober 2018.
2.2.
De man heeft op 14 maart 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
De vrouw heeft op 24 april 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 3 oktober 2019 met bijlagen, ingekomen op 4 oktober 2019;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 8 oktober 2019 met bijlagen, ingekomen op 9 oktober 2019;- een journaalbericht van de zijde van de zijde van de vrouw van 17 oktober 2019 met bijlagen, ingekomen op 17 oktober 2019.
2.5.
De hierna te noemen, thans jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , heeft de vrouw gemachtigd om voor hem op te treden tijdens de mondelinge behandeling bij het hof.
2.6.
De mondelinge behandeling heeft op 22 oktober 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2.7.
Na de mondelinge behandeling is op 24 oktober 2019 is, met toestemming van het hof, ingekomen:- op 24 oktober 2019 een journaalbericht van de zijde van de man van 23 oktober 2019 met bijlagen;- op 12 november 2019 een journaalbericht van de zijde van de man van 11 november 2019, met als bijlage de brief van de advocaat van de man aan het hof (met bijlagen d.d. 11 november 2019;- op 13 november 2019 een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 13 november 2019, met als bijlage de brief van de advocaat van de vrouw aan het hof van 13 november 2019.
3

3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen zijn de ouders van de thans jongmeerderjarige:- [jongmeerderjarige] ( [jongmeerderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] .Tot het gezin van partijen behoorde ook de, uit een eerder huwelijk van de vrouw geboren, thans meerderjarige [meerderjarige] .
3.3.
Bij het door partijen op 13 mei 2015 ondertekend ouderschapsplan zijn partijen, voor zover hier van belang, het navolgende overeengekomen:
“Artikel 7. Kinderalimentatie

7.1
Kosten van (de kinderen/naam kind) (niet van toepassing)

De kosten van [jongmeerderjarige] zijn door de ouders (conform de gangbare tabellen) begroot op

€ 666,- en de ouders zullen naar rato van hun (draagkracht daarin bijdragen.

7.2
Kinderalimentatie

Met ingang van 1 juni 2015 en zolang [jongmeerderjarige] minderjarig is en bij de moeder woont, betaalt de

vader aan de moeder een alimentatie voor de [jongmeerderjarige] van € 380,- per maand.

Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel

1 : 402a BW, voor het eerst per 1 januari 2016.

Partijen hebben met de hoogte van de door vader voor [jongmeerderjarige] te betalen kinderalimentatie bewust willen afwijken van de wettelijke maatstaven.

Partijen komen nadrukkelijk overeen dat - ondanks het feit dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven - wijziging in de toekomst steeds mogelijk is en niet slechts wanneer voldaan is aan het strenge criterium van artikel 1:159 lid 3 BW, waarin staat dat wijziging in de toekomst slechts mogelijk is als sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat degene die wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan die overeenkomst kan worden gehouden.

7.3
Partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van [jongmeerderjarige] wanneer hij bij hen is”

3.4.1.
Bij het door partijen op 13 mei 2015 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen, verkort weergegeven, dat de kosten van [jongmeerderjarige] zijn begroot op € 666,- per maand, dat de ouders naar rato van hun inkomen bijdragen in de kosten van [jongmeerderjarige] , dat de vader, zolang [jongmeerderjarige] bij de moeder woont, met ingang van 1 juni 2015 een kinderalimentatie betaalt van € 380,- per maand, voor het eerst te indexeren pr 1 januari 2016 en dat partijen ieder de eigen kosten van inwoning van [jongmeerderjarige] draagt wanneer [jongmeerderjarige] bij hen is.
3.4.2.
Voorts zijn partijen in voormeld echtscheidingsconvenant overeengekomen:
“Artikel 2. Partneralimentatie

Behoefte

2.1
Partijen stellen de huwelijksgerelateerde behoefte van ieder van partijen hierbij vast op

€ 3.000,- netto per maand, uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 6.335,- per de kosten van [meerderjarige] van € 668,- per maand en de kosten van [jongmeerderjarige] van € 666,- per maand.

De vrouw kan gedeeltelijk in haar eigen levensbehoefte voorzien. Haar bruto inkomen uit arbeid bedroeg in 2012 € 5.987,-, in 2013 € 4.097,- en in 2014 € 6.004,--. Haar gemiddelde jaaropgave over deze jaren bedroeg derhalve € 5.363,-.

Draagkracht

2.2.
Partijen gaan bij de berekening van de huidige draagkracht van de man uit van een winst uit onderneming van € 100.000,-. De draagkracht van de man is berekend conform de als bijlage 3 bij dit echtscheidingsconvenant gevoegde draagkrachtberekening.

Hoogte partneralimentatie

2.3
Op basis van de aldus vastgestelde behoefte en draagkracht heeft de man draagkracht om € 212,40 voor de vrouw te betalen. Deze verplichting gaat in op de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zal zijn ingeschreven in de daartoe bestemde registers. Het bedrag van € 212,40 zal in ieder geval gedurende het jaar 2016 betaald worden.

Nadat de echtelijke woning van partijen aan [adres] te [plaats] zal zijn verkocht zullen partijen een herberekening maken met inachtneming van de nieuwe woonsituatie van de man”.

3.5.
Bij beschikking van 13 augustus 2015 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 30 november 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, de door de man te betalen kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] met ingang van 1 juni 2015 bepaald op € 380,- per maand en bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan voor het overige deel uitmaken van die beschikking. Met ingang van 1 januari 2018 bedraagt de kinderalimentatie afgerond € 399,- per maand en met ingang van 1 januari 2019 afgerond € 407,- per maand.
4

4.1.
Bij de bestreden beschikking is de beschikking van 13 augustus 2015 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) gewijzigd en is de partneralimentatie met ingang van 19 mei 2017 nader vastgesteld op € 264,- per maand. Het verzoek van de man tot wijziging van kinderalimentatie is afgewezen.
4.2.
De vrouw en de man kunnen zich met deze beschikking niet verenigen.
4.3.1.
De vrouw heeft in principaal hoger beroep verzocht, verkort weergegeven, de bestreden beschikking, hersteld bij beschikking van 19 december 2018, te vernietigen en de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2017 nader te bepalen op € 2.600,- per maand, althans de partneralimentatie te bepalen op een bedrag en met ingang van een datum die het hof juist acht.
4.3.2.
De grieven van de vrouw zien op de ingangsdatum en op de draagkracht van de man.
4.4.
De man heeft in het principaal hoger beroep verzocht de vrouw in haar verzoeken alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vrouw haar verzoeken te ontzeggen als ongegrond en onbewezen en de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.5.1.
In het incidenteel hoger beroep heeft de man verzocht, verkort weergegeven, de bestreden beschikking, hersteld bij beschikking van 19 december 2018, te vernietigen, en alsnog, opnieuw rechtdoende, te bepalen:1. ten aanzien van de :- dat de man met ingang van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud voor de vrouw een bedrag van € 562,- per maand zalvoldoen;- dat de man met ingang van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2019 als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud voor de vrouw een bedrag van € 674,- per maand zalvoldoen;- dat de man met ingang vanaf 1 september 2019 als bijdrage in de kosten van het- dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] zal betalen van € 304,- per maand;- dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2019 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] zal betalen van € 325,- per maand;- dat de man vanaf 1 september 2019 een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud aan [jongmeerderjarige] zal betalen van € 864,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
levensonderhoud voor de vrouw een bedrag van € 205,- per maand zal voldoen;II. ten aanzien van de voor [jongmeerderjarige] :
en, wat het sub 1. en II. gestelde betreft, althans te bepalen dat de man zodanige bedragen met ingang van een zodanige ingangsdatum betaalt als het hof juist acht,en de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.5.2.
De grieven van de man zien op de behoeftigheid van de vrouw, de ingangsdatum en de wijziging van omstandigheden met betrekking tot de kinderalimentatie.
4.6.
De vrouw heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht de grieven van de man af te wijzen.
4.7.
Het hof zal de grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
beslissing

5

PARTNERALIMENTATIE
Wijziging van omstandigheden en ingangsdatum

5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij in het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat zij een herberekening van de partneralimentatie zullen maken nadat de echtelijke woning van partijen aan [adres] te [plaats] zal zijn verkocht met inachtneming van de nieuwe woonsituatie van de man. Vast staat voorts dat begin 2017 de voormalige echtelijke woning is verkocht en dat deze op 19 mei 2017 aan de koper is geleverd. De vrouw heeft gesteld dat de woonlasten van de man door afkoop van een beleggingspolis reeds in januari 2017 zijn gedaald, hetgeen een wijziging van omstandigheden oplevert voor herberekening van de partneralimentatie. Gelet hierop acht zij 1 januari 2017 als ingangsdatum aangewezen voor de te wijzigen partneralimentatie. Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw in dat verband nog gesteld dat naar haar mening naar de strekking van het echtscheidingsconvenant moet worden gekeken en niet naar de grammaticale uitleg daarvan. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist. De man is van mening dat verkoop (en levering) van de echtelijke woning aanleiding is voor herberekening van de partneralimentatie. Omdat de vrouw niet op zijn uitnodigingen voor een gesprek over de situatie na verkoop van de woning heeft gereageerd, staat de man 1 januari 2018 als ingangsdatum voor.Het hof constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat een nieuwe beoordeling gerechtvaardigd is. In geschil is de ingangsdatum.
5.2.
Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de partneralimentatie gewijzigd dient te worden met ingang van 19 mei 2017, de datum waarop de echtelijke woning aan een derde is geleverd, nu de man met ingang van die datum er rekening mee heeft kunnen houden dat de partneralimentatie mogelijk verhoogd zou worden. Gelet op hetgeen partijen ter zake de wijziging van de partneralimentatie in het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen ligt een eerdere datum niet in de rede, nu de vrouw pas op 4 januari 2018 haar verzoek om partneralimentatie heeft ingediend en de man niet eerder dan na levering van de woning met wijziging van de partneralimentatie rekening behoefde te houden. Een latere ingangsdatum - 1 januari 2018, zoals door de man gesteld – ligt evenmin in de rede omdat partijen hebben afgesproken dat een herberekening zou volgen zodra de echtelijke woning verkocht zou zijn.
Behoefte van de vrouw

5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 3.000,- netto per maand bedraagt, zoals partijen op 13 mei 2015 in het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte met ingang van 1 januari 2017 afgerond € 3.103,- netto per maand.
Behoeftigheid en aanvullende behoefte

5.4.1.
De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 750,- netto per maand. De vrouw is, aldus de man, in staat om fulltime te werken en haar inkomen te verhogen. Een verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.900,- netto per maand is redelijk te achten, zoals de man ter mondelinge behandeling heeft verklaard.
5.4.2.
De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist. Zij heeft het navolgende gesteld. Vanwege haar medische situatie is de vrouw beperkt in haar arbeidsmogelijkheden, en is de vrouw niet in staat om fulltime te werken. Sinds januari 2018 heeft de vrouw een Ziektewetuitkering. De verzekeringsarts heeft in het kader van de Ziektewet verminderde belastbaarheid vastgesteld. Naast de Ziektewetuitkering heeft vrouw beperkte inkomsten via het uitzendbureau [uitzendbureau] als invalkracht op een school. De vrouw geeft zelf aan wanneer zij beschikbaar is voor de invalwerkzaamheden, regelmatig voor twee dagen per week. De vrouw kan zich neerleggen bij de door de rechtbank vastgestelde verdiencapaciteit van € 750,- netto per maand, hoewel haar totale inkomsten op dit moment feitelijk lager zijn. Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat thans een WIA-traject is gestart.
5.4.3.
Het hof overweegt het navolgende.In hoger beroep heeft de vrouw een aantal stukken overgelegd terzake haar gezondheidsproblemen, onder meer de brief d.d. 16 mei 2019 van de revalidatiearts mevrouw [revalidatiearts] aan de huisarts van de vrouw. Uit deze brief blijkt dat de vrouw aanvankelijk met MS was gediagnosticeerd. Deze diagnose is later bijgesteld naar een variant van MS in progressieve vorm. De vrouw is thans in behandeling bij een neuroloog en psycholoog. Het hof is van oordeel dat de vrouw, gelet op de door haar in hoger beroep overgelegde stukken, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van medische beperkingen. Welke invloed deze beperkingen hebben op de belastbaarheid van de vrouw om inkomsten uit arbeid te genereren is echter onduidelijk gebleven. Er is op dit moment geen arbeidsdeskundige rapportage voor handen. Weliswaar zal dit aan de orde komen bij de beoordeling in het kader van WIA, zoals de vrouw ter mondelinge behandeling heeft gesteld, doch op de resultaten van dat onderzoek valt niet vooruit te lopen. Gelet op het voorgaande en nu de vrouw voor de invalwerkzaamheden op de school haar eigen agenda beheert en zij, zoals zij ter mondelinge behandeling heeft verklaard, na een dag werken een dag rust nodig heeft, is het hof van oordeel dat van de vrouw naar redelijkheid en billijkheid in ieder geval kan worden gevergd dat zij drie dagen per week kan werken waarmee zij dan een inkomen kan genereren op bijstandsniveau van afgerond € 1.000,- netto per maand. Het hof stelt derhalve de aanvullende behoefte van de vrouw, gelet op het voorgaande, met ingang van 19 mei 2017 op afgerond € 2.103,- netto per maand.
Draagkracht van de man

5.5.1.
De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank voor de bepaling van het inkomen van de man ten onrechte is uitgegaan van het feitelijk inkomen van de man. De vrouw is van mening dat uitgegaan moet worden van de in het echtscheidingsconvenant genoemde winst uit onderneming van € 100.000,-. Het betreft een, na onderhandeling tussen partijen, overeengekomen compromis terzake de verdiencapaciteit van de man, het convenant vermeldt immers ook: ‘partijen gaan uit van een winst uit onderneming van € 100.000,-’, aldus de vrouw. Het feitelijk inkomen van de man doet in de visie van de vrouw derhalve niet ter zake.De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.
5.5.2.
Het hof is, gelet op de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling, evenals de rechtbank, van oordeel dat het in het echtscheidingsconvenant overeengekomen inkomen van de man van € 100.000,- het resultaat is geweest van onderhandelingen tussen partijen en een beslechting van het debat over het inkomen van de man uit zijn onderneming. Dit geldt temeer nu partijen in artikel 2.2 van het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat zij bij de berekening van de ‘huidige draagkracht van de man’ uitgaan van een winst uit onderneming van € 100.000,-. De vrouw heeft haar stelling dat het een verdiencapaciteit van de man betreft niet, althans niet voldoende onderbouwd, zodat het hof aan die stelling voorbij gaat. Evenals de rechtbank gaat het hof uit van het feitelijk inkomen van de man.
5.6.
Voor het berekenen van de draagkracht van de man onderscheidt het hof vervolgens de navolgende perioden:- van 19 mei 2017 tot en met 31 december 2017;- van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018;- met ingang van 1 januari 2019.
Met betrekking tot de periode van 19 mei 2017 tot en met 31 december 2017

Inkomen van de man

5.7.1.
Uit de door de man overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2017 van de man blijkt een fiscaal loon bij [onderneming 1] (hierna ook: [onderneming 1] ) van € 83.394,- en een fiscaal loon van € 14.179,-, totaal ad € 97.574,-, alsmede van een uitkering van [onderneming 2] van € 11.064,- en een uitkering van Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV van € 5.276,-, met welke inkomensgegevens het hof, evenals de rechtbank, rekening houdt bij het berekenen van de draagkracht van de man.
5.7.2.
De man heeft ook een eenmanszaak, handelend onder de naam ‘ [eenmanszaak] ’. Uit het jaarrapport 2017 van [eenmanszaak] blijkt een verlies in de onderneming van € 42.933,-. De vrouw heeft gesteld dat bij het berekenen van de draagkracht van de man geen rekening mag worden gehouden met de door de man opgevoerde kosten van € 41.134,-, hetgeen tot geringer verlies in de onderneming leidt dan uit het jaarrapport blijkt. De opgevoerde kosten zijn extreem hoog, aldus de vrouw, zowel in absolute zin maar met name ook gelet op de geringe omzet in de onderneming. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist. Het hof overweegt het navolgende.De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat hij destijds in 2017 in de veronderstelling verkeerde dat hij zijn werkzaamheden voor [onderneming 1] als ZZP-er zou verrichten en dat hij pas op het laatste moment van [onderneming 1] vernam dat er sprake zou zijn van payrolling. Het hof overweegt dat de man voldoende heeft onderbouwd dat de kosten van zijn onderneming zijn doorgelopen, ook al was er in dat jaar geen sprake van een ZZP situatie. Dat de man de kosten in de winst- en verliesrekening heeft opgenomen acht het hof in dit geval dan ook redelijk. Het hof ziet ook geen aanleiding de bedragen van de in de winst- en verliesrekening opgenomen kosten te corrigeren, nu de man deze kosten in hoger beroep voldoende heeft geconcretiseerd, hij deze kosten in redelijkheid heeft kunnen maken en deze niet significant afwijken van eerdere of latere jaren. Dat geen accountantscontrole op de jaarrekening 2017 is toegepast maakt dit niet anders. Verder overweegt het hof dat onder meer de gestelde opleidingskosten in redelijkheid zijn gemaakt als zekerheid voor toekomstige opdrachten. Met betrekking tot de autokosten volgt het hof de vrouw niet in haar stelling dat de man had kunnen volstaan met de aanschaf van een veel goedkopere auto. De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat hij zijn leaseauto heeft ingeleverd en een goedkopere leaseauto heeft aangeschaft. Het betreft geen nieuwe auto maar een jong-gebruikte tweedehandsauto, aldus de man ter mondelinge behandeling. Het hof acht een dergelijke lease zoals door de man verklaard niet onredelijk. Het hof passeert verder het beroep van de vrouw op het beleid van de Belastingdienst ter zake het opnemen van (te hoge) kosten in de winst- en verliesrekening. Uit de door de man na de mondelinge behandeling overgelegde Aanslag 2017 Inkomstenbelasting en Premie volksverzekering blijkt dat de aangifte IB 2017 van de man, waarin hij het verlies van zijn onderneming in 2017 heeft verwerkt, volledig is geaccepteerd door de Belastingdienst. De vrouw heeft tenslotte gesteld dat de man de arbeidsongeschiktheidsverzekering had dienen te beëindigen, hetgeen de man gemotiveerd heeft betwist. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling gelet op het belang van de man bij deze inkomensvoorziening en mede gelet op zijn gezondheidssituatie. Het hof past wel een correctie toe op het verlies in de onderneming ter zake de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en wel als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 8.354,- door [eenmanszaak] is voldaan. Nu het een privé betaling van de man betreft en om een dubbeltelling te voorkomen corrigeert het hof het verlies uit de onderneming, waarbij het hof evenals de rechtbank uitgaat van € 42.933,- met de premie van € 8.354,- zodat het hof uitgaat van een verlies van € 34.379,-. Met de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zal separaat rekening worden gehouden, evenals met de, door de vrouw niet weersproken, premie lijfrente van € 4.754,- per jaar.Samenvattend, dient in de berekening van de draagkracht van de man in deze periode, naast voormeld fiscaal loon van totaal € 97.574,- en de uitkeringen van [onderneming 2] van € 11.064,- en van Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV van € 5.276,-, rekening te worden gehouden met een verlies in de onderneming van € 34.379,-. Voorts dient rekening gehouden te worden met de betaling van de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 8.354,- in het bruto gedeelte van de berekening (bij nummer 87) en in het netto gedeelte (bij nummer 125), zoals de rechtbank terecht heeft gedaan.
5.7.3.
Het hof gaat verder uit van de door de rechtbank in draagkrachtberekening opgenomen cijfers (2017) terzake de eigen woning en de heffingskortingen en de premie lijfrente van € 3.500,- per jaar, nu daartegen in hoger beroep geen grief is gericht.
Draagkrachtloos inkomen van de man

5.8.
Het hof stelt vast dat de overige door de rechtbank in de draagkrachtberekening opgenomen bedragen terzake het draagkrachtloos inkomen van de man voor het jaar 2017 tussen partijen niet in geschil zijn, zodat het hof daarvan uitgaat.
Draagkrachtruimte

5.9.
Tussen partijen is voorts niet in geschil dat in deze periode rekening gehouden moet worden met de (studie)kosten die de man aan [meerderjarige] betaalt van € 130,- per maand en dat in 2017 voorts rekening moet worden gehouden met een kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] van € 393,- per maand en de zorgkorting van € 241,- per maand, zoals blijkt uit de draagkracht van de rechtbank blijkt en waartegen geen der partijen een grief heeft opgeworpen.
5.10.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de door de man te betalen partneralimentatie voor de periode van 19 mei 2017 tot en met 31 december 2018, evenals de rechtbank, bepalen op € 264,- per maand. In zoverre zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.11.
Voordat het hof de navolgende perioden beoordeelt, overweegt het hof eerst het navolgende met betrekking tot de kinderalimentatie
KINDERALIMENTATIE

5.12.
De man heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2018 te wijzigen.Omdat kinderalimentatie hoge prioriteit heeft en de hoogte van de kinderalimentatie een factor van belang is voor de nadere vaststelling van de partneralimentatie na 1 januari 2018, beoordeelt het hof thans eerst het verzoek van de man met betrekking tot de kinderalimentatie.
5.13.1.
Tussen partijen staat vast dat de man, conform het ouderschapsplan, een kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] dient te voldoen van € 380,- per maand (niveau 2015). Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2018 afgerond € 399,- per maand en met ingang van 1 januari 2019 afgerond € 407,- per maand.
5.13.2.
De man heeft in verband met gewijzigde omstandigheden, te weten de door hem gestelde verdiencapaciteit van de vrouw, verzocht de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 te bepalen op 304,- per maand, van 1 januari 2018 tot en met 31 augustus 2019 te bepalen op € 325,- per maand en met ingang van 1 september 2019 op € 864,- per maand. De vrouw heeft verzocht de verzoeken van de man af te wijzen.
Ten aanzien van de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] met een ingangsdatum gedurende zijn minderjarigheid

5.13.3.
Het hof overweegt het navolgende.Gelet op de verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.000,- netto per maand, zoals overwogen in rechtsoverweging 5.4.3., heeft de vrouw enige draagkracht om bij te dragen in de kosten van [jongmeerderjarige] . Het hof stelt de draagkracht van de vrouw om bij te dragen in de kosten van [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2018 op € 25,- per maand. De door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] bedraagt dan van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 € 399,- minus € 25,- = € 374,- per maand en met ingang van 1 januari 2019 € 407,- minus € 25,- = € 382,- per maand. Het hof vat het verzoek van de man zodanig op dat hij verlaging van de kinderalimentatie wenst te bewerkstelligen. In zoverre zal het hof de verzoeken van de man toewijzen, doch slechts voor zover deze een wijziging behelzen van de kinderalimentatie met ingang van een datum gedurende de minderjarigheid van [jongmeerderjarige] . Het hof zal dit onder rechtsoverweging 5.13.4. nader toelichten. Dit betekent dat de met ingang van 1 januari 2019 vastgestelde kinderalimentatie op grond van art. 1:395b BW na de meerderjarigheid van [jongmeerderjarige] in beginsel blijft doorlopen als een bijdrage voor zijn levensonderhoud en studie.
Ten aanzien van een bijdrage voor levensonderhoud en studie voor [jongmeerderjarige] van met ingang van 1 september 2019

5.13.4.
Het hof constateert dat [jongmeerderjarige] op [geboortedatum] 2019 achttien jaar - en derhalve meerderjarig - is geworden. [jongmeerderjarige] heeft met ingang van [geboortedatum] 2019 een eigen recht op een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud. Uit de meest recente overgelegde stukken blijkt echter dat het niet duidelijk is wat momenteel de situatie van [jongmeerderjarige] is. Uit de brief van de man van 11 november 2019 blijkt dat [jongmeerderjarige] tijdelijk is gestopt met zijn studie en dat hij week op/week af bij zijn vader en moeder gaat wonen. De man verzoekt bij de draagkracht rekening te houden met het eigen aandeel van de man in de kosten van [jongmeerderjarige] . De man heeft echter voor het overige zijn verzoek om vaststelling van een bijdrage voor [naam] niet aangepast aan deze nieuwe situatie. Bij brief van 13 november 2019 bevestigt de vrouw dat [jongmeerderjarige] is gestopt met zijn studie, zij houdt de optie open dat dit niet tijdelijk is en deelt mede dat [jongmeerderjarige] 5 dagen per week werkzaam is in een supermarkt, dat hij circa € 1.100,-- per maand gaat verdienen. Voorts stelt de vrouw enerzijds dat de behoeftigheid van [jongmeerderjarige] geen voorwerp van discussie is maar anderzijds dat het niet onredelijk is dat de man de betalingen stopt, nu [jongmeerderjarige] feitelijk wel in eigen onderhoud kan voorzien. Voorts betwist de vrouw dat rekening moet worden gehouden met zorgkorting. Beide partijen vragen ten slotte om doorverwijzing naar een WMO-traject omdat zij als ouders een gezamenlijke hulpvraag hebben.
Het hof constateert dat thans volstrekt onduidelijk is welke conclusies partijen verbinden aan deze recente gewijzigde omstandigheden met betrekking tot [jongmeerderjarige] voor wat betreft hun eerder ingenomen standpunten. Daarnaast merkt het hof op dat partijen miskennen dat ten aanzien van een jongmeerderjarige de zorgkorting niet op dezelfde wijze een rol speelt als bij kinderalimentatie. Voor zover deze verzoeken van de man dan ook betrekking hebben op een bijdrage voor levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] berusten deze niet meer op de daarvoor benodigde feiten en omstandigheden. Zelfs indien al moet worden aangenomen dat [jongmeerderjarige] op de juiste wijze in deze procedure als partij is betrokken, hetgeen geenszins vaststaat, liggen deze verzoeken dan ook reeds op die grond als onvoldoende onderbouwd voor afwijzing gereed.
PARTNERALIMENTATIE

Met betrekking tot de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018

Inkomen van de man

5.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat uitgegaan moet worden van een fiscaal loon van de man van [onderneming 1] van € 26.681,-, zoals door de man ter mondelinge behandeling is verklaard, hetgeen de vrouw ter mondelinge behandeling heeft bevestigd. Voorts is er sprake van een winst uit onderneming in de eenmanszaak [eenmanszaak] van € 40.006,-. Het hof volgt de vrouw niet in haar bezwaren terzake de kosten in de winst- en verliesrekening over het jaar 2018, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.7.2. Ten slotte heeft de man een jaarsalaris ontvangen uit zijn vennootschap [onderneming 3] van € 8.400,- bruto. De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat de winst in [onderneming 3] van € 2.821,- ‘in de BV blijft zitten’, hetgeen de vrouw niet heeft weersproken, zodat het hof deze winst bij het berekenen van de draagkracht van de man in deze periode buiten beschouwing laat.
5.15.
Het hof gaat verder uit van de door de rechtbank in draagkrachtberekening opgenomen en door partijen niet betwiste cijfers (2018) terzake de eigen woning, de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling en de heffingskortingen, nu geen der partijen hiertegen een grief heeft gericht. Voorts houdt het hof, evenals de rechtbank, rekening met de premie lijfrente van € 4.754,- per jaar en de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 8.354,- per jaar.
Draagkrachtloos inkomen

5.16.
Het hof stelt vast dat de overige door de rechtbank in de draagkrachtberekening voor het jaar 2018 opgenomen bedragen terzake het draagkrachtloos inkomen van de man tussen partijen niet in geschil zijn, zodat het hof daarvan uitgaat.
Draagkrachtruimte

5.17.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat met ingang van 1 januari 2018 geen rekening meer wordt gehouden met de (studie)kosten van [meerderjarige] .
5.18.
Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.13.2. is overwogen met betrekking tot de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] , houdt het hof bij de berekening van de partneralimentatie van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 rekening met een door de man te betalen kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] van € 374,- per maand. Nu rechtbank in de bestreden, herstelde, beschikking bij de berekening van de draagkracht van de man in 2018 rekening heeft gehouden met een zorgkorting van € 245,- per maand, en geen der partijen op dat punt een grief heeft opgeworpen, gaat het ook hof van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 uit van een zorgkorting van € 245,- per maand.
5.19.
Het voorgaande leidt ertoe dat de man voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 in staat is om een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen van € 431,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening (bijlage I). Het hof wijst derhalve het verzoek van de man in incidenteel hoger beroep toe en bepaalt de partneralimentatie over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 op € 562,- per maand, aan welke bijdrage de vrouw behoefte heeft.
Met ingang van 1 januari 2019

Inkomen van de man

5.20.
Uit de, ook ter mondelinge behandeling besproken, door de man overgelegde productie 27 blijkt een winst uit onderneming in [eenmanszaak] van € 76.722,-. Het hof acht het redelijk dat de winst wordt gecorrigeerd met de afschrijving op de auto in 2019 van € 5.205,-, zodat wordt uitgegaan van een bedrijfsresultaat in [eenmanszaak] van € 71.517,-. Voorts houdt het hof rekening met een jaarsalaris van de man uit [onderneming 3] van € 6.208,- bruto. De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat de winst in [onderneming 3] van € 8.868,- aan de reserves wordt toegevoegd, hetgeen de vrouw niet heeft weersproken, zodat het hof de winst in [onderneming 3] buiten beschouwing laat bij de bepaling van het inkomen van de man in deze periode.
5.21.
Het hof volgt verder de door de man in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening terzake het jaar 2019 (productie 20) terzake rente en aflossing van de echtelijke woning en de premies lijfrente verzekering en arbeidsongeschiktheidsverzekering, nu de vrouw die berekening verder niet heeft weersproken. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening (bijlage II).
Draagkrachtloos inkomen

5.22.
Het hof stelt vast dat de overige door de man in zijn draagkrachtberekening opgenomen bedragen niet door de vrouw zijn weersproken, zodat het hof daarvan uitgaat, zoals blijkt uit bijlage II bij deze beschikking.
Draagkrachtruimte

5.23.
Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.13.2. is overwogen met betrekking tot de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] , houdt het hof bij de berekening van de partneralimentatie van 1 januari 2019 tot 1 september 2019 rekening met een kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] van € 382,- per maand. Het hof houdt voorts rekening met een zorgkorting van € 250,- per maand (conform de verder door de vrouw niet weersproken draagkrachtberekening van de zijde van de man, productie 20).
5.24.
Het voorgaande leidt ertoe dat de man met ingang van 1 januari 2019 in staat is om een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen van € 617,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening (bijlage III). Gelet op het verzoek van de man stelt het hof de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2019 op € 674,- per maand, aan welke bijdrage de vrouw behoefte heeft.Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2020 € 690,85 per maand.
Terugbetaling

5.25.
Zou de man over de periode vanaf 1 januari 2018 tot 25 april 2019 meer kinderalimentatie aan de vrouw hebben betaald dan waartoe hij op grond van deze beslissing gehouden is, dan is het hof van oordeel dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij het teveel ontvangene aan de man terugbetaalt nu de betaalde kinderalimentatie geacht wordt aan [jongmeerderjarige] te zijn besteed.
5.26.
Het hof gaat ten slotte voorbij aan het, door de vrouw ondersteunde, verzoek van de man bij brief van de advocaat van de man aan het hof d.d. 11 november 2019 om een verwijzing naar WMO ondersteuning in de beschikking op te nemen. Het hof begrijpt hieruit dat partijen behoefte hebben aan een ondersteuningstraject complexe scheiding als ouders van [jongmeerderjarige] . Het hof kan de intentie van de ouders om gezamenlijk een hulptraject in te gaan alleen maar toejuichen. Aangezien in onderhavige procedure slechts de partner- en kinderalimentatie ter beoordeling voor ligt en niet het ouderschap, kan het verzoek tot doorverwijzen in het kader van de WMO niet worden toegewezen. Daar komt bij dat [jongmeerderjarige] meerderjarig is en de gebruikelijke vormen van hulpverlening bij echtscheiding voor ouders met kinderen ziet op kinderen onder de 18 jaar. Nu [jongmeerderjarige] meerderjarig is dient hij zich zelf bij de gemeente te melden indien hij hulp of ondersteuning wenst.
5.27.
Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
beslissing

6

- voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 op een bedrag van € 374,- per maand;- vanaf 1 januari 2019 tot [geboortedatum] 2019 op een bedrag van € 382,- per maand, een en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 5.13.3;
- voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 op een bedrag van € 562,- per maand;- voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 op een bedrag van € 674,- per maand;- met ingang van 1 januari 2020 op een bedrag van € 690,85 per maand, de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 30 oktober 2018, hersteld bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 december 2018, voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud over de periode van 19 mei 2017 tot 1 januari 2018;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 30 oktober 2018, hersteld bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 december 2018, voor zover het betreft de met ingang van 1 januari 2018 door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] en de met ingang van 1 januari 2018 te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt het door partijen op 13 mei 2015 ondertekende echtscheidingsconvenant uitsluitend voor zover het betreft de met ingang van 1 januari 2018 door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en wijzigt in zoverre ook met ingang van 1 januari 2018 de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 13 augustus 2015;

stelt de door de man aan te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van: [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
bepaalt dat eventueel door de man over de periode van 1 januari 2018 tot [geboortedatum] 2019 te veel aan de vrouw betaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] , niet door de vrouw aan de man behoeft te worden terugbetaald;

stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en L.Th.L.G. Pellis en is op 9 januari 2020 door mr. C.N.M. Antens uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.