Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:42

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:42, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.267.572_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 9 januari 2020Zaaknummer : 200.267.572/01Zaaknummer 1e aanleg : C/03/263734 / FA RK 19-1624
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende op een geheim adres,in deze zaak woonplaats kiezende te [kantoorplaats] aan [adres] op het kantoor van haar advocaat,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. E.A.M. Ramakers,
tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,verweerder,hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI)).

ECLI:NL:GHSHE:2020:42:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 9 januari 2020Zaaknummer : 200.267.572/01Zaaknummer 1e aanleg : C/03/263734 / FA RK 19-1624
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende op een geheim adres,in deze zaak woonplaats kiezende te [kantoorplaats] aan [adres] op het kantoor van haar advocaat,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. E.A.M. Ramakers,
tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,verweerder,hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI)).
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 17 juli 2019.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om het ouderlijk gezag van de moeder over de hierna nader te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen, af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 november 2019, heeft de GI verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep, dan wel dit beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 december 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Ramakers;- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 juli 2019;

de overige stukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 21 oktober 2019.

overwegingen

3

3.1.
Uit de relatie van de moeder en [de vader van minderjarige 1] is op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ) geboren.
Uit de relatie van de moeder en [de vader van minderjarige 2] is op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ) geboren,

De moeder oefende tot aan de datum van de bestreden beschikking het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna tezamen ook: de kinderen) uit.

3.2.
[minderjarige 1] staat sinds 8 februari 2013 onder toezicht van de stichting. [minderjarige 2] staat sinds 15 juli 2014 onder toezicht van de stichting.De kinderen zijn sinds 5 december 2014 met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.Sinds 22 maart 2019 verblijft [minderjarige 1] in ‘ [instelling] ’, een specialistische instelling voor jeugdzorg in [plaats 1] en sinds 15 maart 2019 verblijft [minderjarige 2] in [gezinshuis] in [plaats 2] .
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en de GI tot voogd over hen benoemd.
3.4.
De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.Het is niet noodzakelijk en niet proportioneel om het gezag van de moeder over de kinderen te beëindigen omdat de moeder thans duurzaam bereid is om de kinderen elders te laten opgroeien. Na het uitkomen van de psychologische rapportages over de opvoedcapaciteiten van de moeder is zij gaan beseffen dat de problematiek bij de kinderen dusdanig complex, dat het in hun belang is dat zij in een professionele setting opgroeien. De moeder heeft enige tijd nodig gehad om tot dit besef te komen.De moeder werkt overal aan mee en zal dat ook blijven doen. Tegenover de kinderen zal zij uitdragen dat zij niet terug naar huis kunnen. De moeder betwist dat zij bij besluiten over de kinderen de belangen van de kinderen niet vooropstelt. Voortzetting van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zal geen ernstige belemmering opleveren voor de kinderen om zich in de instelling respectievelijk het gezinshuis positief te blijven ontwikkelen.Dat de moeder bij de GI om uitbreiding van de omgang vraagt, zegt niets over haar bereidheid om de uithuisplaatsing van de kinderen te aanvaarden. Nu er voor de kinderen duidelijkheid bestaat over hun toekomstperspectief, is er ruimte voor uitbreiding van de omgang.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.Uit de NIFP-rapportages is gebleken dat het opvoedperspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt. De moeder geeft aan dat zij dit accepteert, maar zij blijft wel steeds vragen naar uitbreiding van de omgang. Dat is onduidelijk voor de kinderen.Bij beide kinderen is sprake van ernstige problematiek.In de besluitvorming rondom de kinderen lukt het de moeder onvoldoende om de belangen van de kinderen voorop te stellen. Zo wil zij nu graag dat [minderjarige 1] bij [minderjarige 2] in het gezinshuis gaat wonen. Het is de vraag of dit voor beide kinderen de beste optie is. [instelling] zal hierover nog adviseren. Ook belast de moeder de kinderen met volwassen informatie, zoals over de huidige zwangerschap van de moeder. Voor beide kinderen is de aanvaardbare termijn ruimschoots overschreden. Beëindiging van het gezag van de moeder is in hun belang noodzakelijk.
3.7.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het hof geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien
loweralpha

een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de ouder het gezag misbruikt.

3.8.2.
Het hof is met de raad van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een beëindiging van het gezag van de moeder over de kinderen is voldaan. Uit de overgelegde stukken, waaronder de in 2018 via het NIFP uitgebrachte deskundigenrapportages over de moeder en de beide kinderen, blijkt dat de moeder, gelet ook op de complexe problematiek van beide kinderen, in pedagogisch opzicht over onvoldoende vaardigheden bezit om nu of in de toekomst voor één of beide kinderen in haar thuissituatie te kunnen zorgen. De moeder betwist deze bevindingen van de deskundige niet. Het hof acht de aanvaardbare termijn voor beide kinderen, die reeds jaren uit huis zijn geplaatst, inmiddels verstreken.De moeder stelt zich op het standpunt dat zij, ook al is er geen sprake van een terugplaatsing van de kinderen bij haar, toch het gezag kan behouden en op die manier de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kan blijven dragen. De vraag is dan ook aan de orde of beëindiging van het gezag noodzakelijk is in het belang van de kinderen nu de moeder stelt duurzaam in te stemmen met de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de kinderen.Het hof stelt hierbij voorop dat volgens vaste jurisprudentie die duurzame bereidheid van een ouder in de beoordeling dient te worden betrokken, maar dat die bereidheid niet (zonder meer) aan een gezagsbeëindiging in de weg staat. Of een gezagsbeëindiging aan de orde is, moet namelijk worden beoordeeld op grond van omstandigheden van het geval. Daarbij speelt het belang van de minderjarigen bij stabiliteit en duidelijkheid over hun opvoedingsperspectief een grote rol.Het hof acht in deze zaak de beëindiging van het gezag van de moeder over de kinderen in hun belang noodzakelijk. Er is sprake van een ingewikkelde situatie. Beide kinderen kampen met forse problematiek. Zij verblijven in verschillende professionele settings. [minderjarige 1] verblijft in [instelling] , een instelling voor specialistische jeugdzorg, en [minderjarige 2] in een gezinshuis. Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder en de gezinsvoogd niet altijd met elkaar op één lijn zitten over wat het beste voor de kinderen is, bijvoorbeeld bij de kwestie of het in het belang van de kinderen is dat zij uit elkaar geplaatst worden of bij elkaar. Het hof acht het in deze situatie in het belang van de kinderen nodig dat er een onafhankelijke instantie zoals de GI betrokken is, die de grote lijnen in de gaten houdt en, zo veel mogelijk in overleg en na raadpleging van de moeder, de gezagsbeslissingen over de kinderen neemt. Het hof acht het risico te groot dat de moeder indien zij met het gezag belast blijft, overvraagd zal worden door alle beslissingen die in deze complexe situatie over de kinderen genomen moeten worden. In een dergelijke situatie dient er in het belang van de kinderen duidelijkheid te komen over hun toekomstperspectief, te weten dat de kinderen nu en in de toekomst niet meer thuis bij de moeder komen wonen, en over de (eind)verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen door een beslissing te nemen over het gezag. In de onderhavige situatie zou, bij voortzetting van het gezag door de moeder, de GI steeds middels een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing betrokken moeten blijven. Een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing – vanuit de wet beoogd als tijdelijk, gericht op opvoedondersteuning met zo nodig tijdelijke uithuisplaatsing - zijn in deze zaken niet de geëigende maatregelen. Bij dit alles komt nog dat de moeder pas recent van standpunt is veranderd in die zin dat zij stelt zich nu en in de toekomst niet langer tegen het voortduren van de uithuisplaatsing van de kinderen te verzetten. Het is op dit moment nog niet duidelijk of deze koerswijziging van de moeder bestendig is. Het hiervoor overwogene brengt met zich dat het gezag van de moeder over de kinderen dient te worden beëindigd.
3.9.
Nu de grieven van de moeder niet slagen, zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
beslissing

4




Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 17 juli 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, L.Th.L.G. Pellis enE.M.C. Dumoulin en is op 9 januari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.