Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:40

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:40, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.263.960_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 9 januari 2020Zaaknummer: 200.263.960/01Zaaknummer eerste aanleg: C/02/346954 / FA RK 18-3596
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. G. Veen,
tegen

[de man]

wonende te [woonplaats] , verweerder, hierna te noemen: de man,advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling.
Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

mr. [de bijzondere curator]

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] ,kantoorhoudende te [kantoorplaats] , hierna te noemen: de bijzondere curator,
en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering

gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,hierna te noemen: de raad.

ECLI:NL:GHSHE:2020:40:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 9 januari 2020Zaaknummer: 200.263.960/01Zaaknummer eerste aanleg: C/02/346954 / FA RK 18-3596
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. G. Veen,
tegen

[de man]

wonende te [woonplaats] , verweerder, hierna te noemen: de man,advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling.
Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

mr. [de bijzondere curator]

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] ,kantoorhoudende te [kantoorplaats] , hierna te noemen: de bijzondere curator,
en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering

gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,hierna te noemen: de raad.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 mei 2019.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 augustus 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het verzoek van de man tot het geven van vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] af te wijzen. Gelet op de geformuleerde grieven begrijpt het hof dat de moeder een gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking beoogt.
2.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 12 september 2019, heeft de bijzondere curator verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen.
2.3.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 25 september 2019, heeft de man verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen en, - zo begrijpt het hof - de moeder te veroordelen in de kosten van dit geding.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-

de moeder, bijgestaan door mr. Veen;

de man, bijgestaan door mr. Anhonise-Gieling;

de bijzondere curator;

de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] .

2.5.
Het hof heeft voorts nog kennisgenomen van de inhoud van:- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 18 april 2019; - het V-formulier van de advocaat van de man d.d. 15 november 2019, met bijlagen;- het V-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 21 november 2019 met bijlagen; - het V-formulier van de advocaat van de man d.d. 27 november 2019 met bijlage.
overwegingen

3

3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.Uit de relatie van partijen is geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018 ( [minderjarige] ). De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] staat sinds 18 april 2019 onder toezicht van de GI.

3.2.
Bij beschikking van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, mr. [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator (ex artikel 1:212 BW) over [minderjarige] en de bijzondere curator verzocht om een standpunt in te nemen over het afstammingsverzoek met betrekking tot [minderjarige] (vervangende toestemming erkenning).
3.3.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot erkenning van [minderjarige] als zijn kind, toegewezen en de man toestemming verleend, ter vervanging van de toestemming van de moeder, tot erkenning van [minderjarige] .
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder heeft in het beroepschrift, aangevuld tijdens de mondelinge behandeling -kort samengevat - het volgende aangevoerd. Partijen hebben nooit samengewoond en de relatie is tijdens de zwangerschap verbroken. Er waren veel spanningen en de man beschuldigde de moeder van onwaarheden. Bovendien was er sprake van (forse) mishandeling. Tijdens de zwangerschap heeft de moeder met de man gesproken over de erkenning, maar hij heeft hiertoe na de zwangerschap geen initiatief genomen. Op de dag van de bevalling en de dag erna heeft de man [minderjarige] gezien en daarna niet meer. De man intimideert en bedreigt de moeder en zij is hierdoor zeer gespannen. De moeder heeft een posttraumatische-stressstoornis (PTSS) door de relatie met de man, hetgeen zijn weerslag heeft op [minderjarige] . De bij kortgedingvonnis van 6 augustus 2018 bepaalde omgangsregeling is stopgezet door Juvent. Ondanks dat de moeder heeft verzocht om haar met rust te laten, blijft de man bedreigingen uiten. Het belang van de man bij erkenning weegt niet op tegen de negatieve consequenties hiervan voor de moeder en [minderjarige] . Er zijn zeer reële risico’s dat [minderjarige] ten gevolge van de erkenning wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische ontwikkeling. De kans is namelijk onaanvaardbaar groot dat de moeder ten gevolge van de erkenning door de man in een zodanige onevenwichtige toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is haar het evenwichtige opvoedklimaat te bieden dat zij nodig heeft. Het risico dat een erkenning haar ongestoorde relatie met [minderjarige] zal schaden is groot. De raad en de bijzondere curator hebben zich onvoldoende doen voorlichten door de behandelend psycholoog van de moeder. Vervolgens heeft de rechtbank geconstateerd dat de moeder veel stress en daaraan gerelateerde klachten ervaart, maar dat dit niet specifiek kan worden verbonden aan het verzoek van de man tot erkenning. Dat is onjuist. De man verhoogt de stress bij de moeder door juridische procedures, de mishandelingen in het verleden, het stalkende gedrag en de grievende en kwetsende berichten. De moeder is bang dat de man haar zal blijven lastigvallen als hij [minderjarige] mag erkennen.
3.6.
De vader heeft in het verweerschrift, aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De moeder en de man hebben een relatie gehad en hebben samengewoond van eind december 2016 tot en met april 2018. Partijen hadden een kinderwens, er zijn onderzoeken bij de dokter uitgevoerd en uiteindelijk was de moeder snel zwanger. Partijen hebben samen de kinderkamer ingericht. Het was de bedoeling dat de man [minderjarige] na de geboorte zou erkennen. De relatie is een maand voor de bevalling verbroken. Direct na de bevalling heeft de moeder de man gebeld waarna hij meteen naar het ziekenhuis is gegaan. De volgende dag was de man weer in het ziekenhuis om de moeder en [minderjarige] thuis te brengen. De man heeft [minderjarige] vastgehouden en verschoond. Daarna wenste de moeder de man niet meer te zien. Via het SMWO heeft de man tevergeefs geprobeerd om afspraken te maken met de moeder over [minderjarige] . Het bemiddelingstraject na de kort gedingprocedure en de ondertoezichtstelling hebben niet tot contact tussen de man [minderjarige] geleid. De moeder blijft volhouden dat er gedurende de relatie sprake is geweest van huiselijk geweld en dat zij daardoor PTSS heeft opgelopen. De brief van Emergis van 12 februari 2019 ondersteunt dit standpunt van de moeder niet. Er is
gedurende de relatie geen sprake geweest van geweld in welke vorm dan ook. De moeder heeft veel stress, maar dat komt niet door handelen van de man. Ook voor de relatie met de man had de moeder al last van gedrags- en stemmingsstoornissen. De man betwist dat de erkenning van [minderjarige] door de vader zorgt voor een zodanig onevenwichtige psychische toestand dat de moeder niet meer in staat is [minderjarige] stabiel op te voeden. Verder is nog van belang dat de moeder zelf heeft aangegeven dat zij wil dat [minderjarige] een vader heeft en haar daar later over wil vertellen. Ook geeft zij zelf aan dat er tijdens de relatie is gesproken over een erkenning. Bovendien heeft de moeder de erkenning ingezet als onderhandeling bij het laten stoppen van procedures over gezag en omgang. De man heeft het hoger beroep over de omgang ingetrokken in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling. De man doet alles wat de GI vraagt, maar er is nog steeds geen omgang en de man krijgt slechts eenregelige informatie over [minderjarige] . De man betwist tenslotte dat hij de door de moeder overgelegde (dreig)berichten aan haar heeft gestuurd.
3.7.
De bijzondere curator heeft in het verweerschrift, aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Het staat niet ter discussie dat de moeder stress ervaart. De vraag van de vader om [minderjarige] te mogen erkennen zorgt echter niet dat de moeder in een dusdanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is [minderjarige] het stabiele opvoedklimaat te geven dat zij nodig heeft. De huidige gevoelens van de moeder hoeven niet voort te komen uit het verzoek tot erkenning. Uit de brief van Emergis van 12 februari 2019 volgt dat er niet tot een vaststelling van PTSS kan worden gekomen en dat er ook vóór het aangaan van de relatie al sprake was van gedrags- en stemmingsstoornissen. De moeder heeft zelf aangegeven dat tijdens de relatie is gesproken over een erkenning. Dat was dus de bedoeling. De moeder heeft ook aangegeven het belangrijk te vinden dat [minderjarige] een vader heeft en dat ze [minderjarige] later zal vertellen wie de vader is. De vraag rijst dan waarom de man niet als vader van [minderjarige] zou kunnen worden geregistreerd. De moeder heeft ook aangegeven dat zij akkoord zou kunnen gaan met de erkenning als alle gerechtelijke procedures zouden worden ingetrokken. Dat is uiteindelijk niet gebeurd. De moeder gebruikt de erkenning om gezamenlijk gezag te voorkomen. De stellingen van de moeder over mishandelingen worden niet onderbouwd met veroordelingen. De aangiften zijn gedaan op het moment dat de moeder ermee bekend was dat de man een verzoek tot vervangende toestemming erkenning zou indienen bij de rechtbank. Bovendien is niet duidelijk van wie de door de moeder overlegde berichten afkomstig zijn. De ambivalente houding van de moeder ten aanzien van de erkenning rijmt niet met de stellingen van de moeder over de onevenwichtige psychische toestand. De bijzondere curator acht erkenning van [minderjarige] door de man juist in haar belang. Bovendien maakt de bijzondere curator zich ernstige zorgen over identiteitsontwikkeling als zij leest in het verslag van Juvent dat de moeder niet lijkt te kunnen horen dat [minderjarige] van beide ouders is. Het niet erkennen van de vader, brengt voor een kind met zich mee dat ook een stukje van hem of haar niet erkend mag worden. De weerstand van de moeder zit niet in de erkenning maar in mogelijkheden die dit met zich brengt.
3.8.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De GI sluit zich aan bij de visie van de bijzondere curator. De GI ziet geen redenen om de vader [minderjarige] niet te laten erkennen. De erkenning is belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . De omgang en het gezag is een ander proces. Een van de doelen van de ondertoezichtstelling is het zicht krijgen op de opvoedomgeving bij de moeder. Er bestaan
zorgen over haar draagkracht. Die zorgen zijn echter niet alleen te wijten aan het verzoek tot vervangende toestemming erkenning. De moeder ontvangt ambulante ondersteuning.
3.9.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De raad staat nog steeds achter zijn advies om het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen. De raad is er niet van overtuigd dat de erkenning een belasting vormt, terwijl het wel in het belang van [minderjarige] is dat zij erkend wordt.
3.10.
Het hof overweegt het volgende.
3.10.1.
Ingevolge artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming (tot erkenning) van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechter worden vervangen, tenzij deze erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:
a. de verwekker van het kind is, ofb. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
3.10.2.
Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker van [minderjarige] is.
3.10.3.
Verder overweegt het hof dat als uitgangspunt heeft te gelden dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij en zijn aanspraak op erkenning van het kind moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Het belang van de moeder is in de wet nader omschreven als haar belang bij een ongestoorde verhouding met haar kind. Wanneer de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning is dit op zichzelf onvoldoende grond de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit kan echter anders liggen indien de weerstand van de moeder belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het kind. Voor wat betreft de belangen van het kind heeft de Hoge Raad aanvaard (zie Hoge Raad 16 februari 2001, LJN AB0032) dat van schade aan de belangen van het kind, als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW, slechts sprake is, indien ten gevolge van de erkenning er voor het kind reële risico’s zijn, dat het wordt belemmerd in zijn evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Het enkele feit dat het kind (enige) weerslag zou ondervinden van de inbreuk die de erkenning maakt op zijn of haar gezinsleven met de moeder, kan niet worden aanvaard als schade aan zijn of haar belangen.
3.10.4.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de man tot verkrijging van vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] dient te worden toegewezen.
Ook het hof constateert dat niet is gebleken dat door de erkenning van [minderjarige] door de man op zich de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] of de belangen van [minderjarige] worden geschaad. De moeder ervaart weliswaar veel stress en andere daaraan gerelateerde klachten, maar uit de brief van Emergis van 12 februari 2019 blijkt dat de moeder in het verleden al kampte met stemmings- en gedragsstoornissen en dat PTSS op dit moment niet kan worden vastgesteld. De oorzaak van de stress en klachten die de moeder ervaart lijkt - dan ook - niet (alleen) gelegen in de mogelijke erkenning van [minderjarige] door de man. Bovendien is ook in hoger beroep onbetwist gebleven dat de moeder en de man er destijds voor hebben gekozen om samen een kindje te krijgen en dat het aanvankelijk ook de bedoeling was dat de man [minderjarige] zou erkennen. Ook is onbetwist gebleven dat de moeder haar toestemming tot erkenning heeft willen inzetten als ‘ruilmiddel’ om te voorkomen dat de man de procedure omtrent het gezag en de omgang zou voortzetten. De weerstand van de moeder ziet daarmee dus niet zo zeer op de erkenning op zich, maar meer in de mogelijkheden die deze juridische positie voor de vader mee zal brengen om ook het gezag over [minderjarige] te verkrijgen. De moeder vreest dat de man zich vanuit die positie in het leven van haar en [minderjarige] zal mengen en een (negatieve) invloed op hen zal uitoefenen, hetgeen zij ook in hoger beroep heeft herhaald. Voor zover hiervan al sprake zou zijn, kan de erkenning op zichzelf hier niet toe leiden. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige zouden worden geschaad of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang zou komen door erkenning door de man. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.
3.10.5.
Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
beslissing

4

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 mei 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.N.M. Antens en L.Th.L.G. Pellis en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.