Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:37

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:37, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.215.485_01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2020:37:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 9 januari 2020 Zaaknummer: 200.215.485/01Zaaknummer eerste aanleg: C/01/295923 / FA RK 15-3603-1
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,verzoekster in principaal appel,verweerster in incidenteel appel,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,
tegen

[de vader]

wonende te [woonplaats] ,verweerder in principaal appel,verzoeker in incidenteel appel,hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. A. Winters.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013, te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,hierna te noemen: de raad.
5

Bij die beschikking heeft het hof de moeder en de vader verwezen naar de Combinatie Jeugdzorg te [plaats] voor een traject in het kader van echtscheidingshulpverlening. De verdere behandeling van de zaak is aangehouden tot pro forma 14 juni 2018.

6

6.1.
Het hof heeft voorts kennis genomen van:- het V6-formulier van 5 juni 2019, met bijlage, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;- het V8-formulier van 12 juni 2019, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V8-formulier van 8 juli 2019, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;- het V8-formulier van de advocaat van de vader van 23 juli 2019, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, met bijlagen;- de brief van de advocaat van de vader van 18 november 2019, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.
6.2.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat;- de vader, bijgestaan door mr. T.L.W. Hermens, als waarnemer voor mr. Winters; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
overwegingen

7

7.1.
Aan het hof liggen op dit moment nog de volgende verzoeken voor.
7.1.1.
De moeder verzoekt – kort gezegd – de bestreden beschikking te vernietigen en de volgende zorgregeling vast te stellen:- [minderjarige] heeft contact met de vader eenmaal per 14 dagen van vrijdag na de opvang/school tot maandagochtend. De vader zal [minderjarige] ophalen en de vader zal [minderjarige] op maandagochtend brengen naar de kinderopvang of als [minderjarige] naar school gaat naar school.Gedurende de vakanties zal er contact zijn zoals in de bestreden beschikking is bepaald.
7.1.2.
De vader verzoekt - kort gezegd - de verzoeken van de moeder af te wijzen, en in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en de volgende zorgregeling vast te stellen:Gedurende de vakanties zal er contact tussen de vader en [minderjarige] zijn op de wijze als in de bestreden beschikking is bepaald, kosten rechtens.
-

De vader haalt [minderjarige] met ingang van 17 februari 2017 wekelijks op vrijdag op van school, of als [minderjarige] vrij is, om 09.00 uur bij de moeder;

De ene week haalt de moeder [minderjarige] aansluitend op zaterdag om 13.00 uur op bij de vader;

De andere week verblijft [minderjarige] het weekend aansluitend bij de vader en haalt de moeder [minderjarige] op zondagmiddag om 17.00 uur bij de vader op.

7.1.3.
De moeder heeft verzocht het incidenteel appel van de vader af te wijzen.
7.2.
Uit het hulpverleningsplan van de Combinatie Jeugdzorg van 19 april 2019 blijkt dat de ouders uitvoering geven aan de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling. In onderling overleg zijn zij overeengekomen dat [minderjarige] - in afwijking van de bestreden beschikking - op zondagavond om 17.00 uur wordt teruggebracht in plaats van op de maandagmorgen. Ook zijn zij in onderling overleg een nadere vakantieregeling overeengekomen. Concreet betekent dit dat [minderjarige] wekelijks op vrijdag van school wordt opgehaald door de vader en aansluitend de ene week door de moeder op zaterdag om

13.00
uur weer bij de vader wordt opgehaald. De andere week verblijft [minderjarige] het weekend aansluitend bij de vader en wordt hij op zondag om 17.00 uur door de vader bij de moeder thuisgebracht.
7.3.
De moeder voert – kort gezegd – het volgende aan. Hoewel aan de huidige regeling uitvoering wordt gegeven is het grootste bezwaar van de moeder hiertegen dat zij als gevolg hiervan geen volledig weekend met [minderjarige] kan doorbrengen. Ook kan [minderjarige] niet met zijn vriendjes in het weekend afspreken. De regeling is bovendien te onrustig voor [minderjarige] . Indien het verzoek van de moeder wordt toegewezen zou [minderjarige] ter compensatie ook op de studiedagen naar de vader kunnen gaan. Gelet op de financiële situatie van de moeder wil zij tenslotte dat de vader voortaan het halen en brengen van [minderjarige] verzorgt.
7.4.
De vader voert – kort gezegd – het volgende aan. De vader wil de huidige regeling handhaven aangezien deze in het belang van [minderjarige] is. De vader doet voor zijn gevoel steeds een stapje terug, aangezien hij aanvankelijk graag een co-ouderschapsregeling wilde. De vader wil een rol van betekenis kunnen blijven spelen in het leven van [minderjarige] , wat doordeweeks al wordt bemoeilijkt door de reisafstand die is veroorzaakt door de verhuizing van de moeder met [minderjarige] . De huidige regeling verloopt goed, en het lukt de ouders om afspraken te maken bij bijzondere gelegenheden, zoals de verjaardag van [minderjarige] waarbij hij het hele weekend bij de moeder is gebleven en een kinderfeestje kon vieren. De vader vindt niet dat [minderjarige] belemmerd wordt in het kunnen afspreken met vriendjes, aangezien dit doorgaans door de weeks gebeurt bij kinderen van die leeftijd. De vader zou tenslotte graag het halen en brengen bij helfte willen verdelen.
7.5.
De raad brengt tijdens de mondelinge behandeling – kort gezegd – het volgende naar voren. De ouders zijn van ver gekomen. Tijdens het eerdere onderzoek van de raad is gekeken hoe [minderjarige] het beste uit twee werelden geboden kan worden. De raad ziet daarom niet in waarom de huidige regeling niet meer zou kunnen voortduren. [minderjarige] gedijt er goed op. Mocht het wisselen veel problemen gaan geven, dan zou de moeder bijvoorbeeld vier keer per jaar een veto kunnen krijgen om een weekend iets met [minderjarige] te gaan doen. Kinderen van de leeftijd van [minderjarige] spreken overigens meestal doordeweeks af.
beslissing

8

8.1.
Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] dient te worden vastgesteld. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
8.2.
Met de raad vindt het hof dat de ouders van ver zijn gekomen. De verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [woonplaats] heeft vanwege de grote reisafstand de feitelijke invulling van een zorgregeling bemoeilijkt. Desondanks hebben de ouders sinds de bestreden beschikking - met een kleine aanpassing daarin - uitvoering gegeven aan de regeling zoals die door de rechtbank is vastgesteld. Deze regeling loopt dus al bijna drie jaar en de raad geeft aan dat [minderjarige] er goed op gedijt. Ook zit [minderjarige] bij beide ouders op zwemles en lukt het de ouders afspraken te maken over bijvoorbeeld het laatst door de moeder in het weekend gevierde kinderfeestje voor [minderjarige] . De moeder heeft in dit verband niet betwist dat de vader zich in de uitoefening van de zorgregeling flexibel opstelt. Hoewel het standpunt van de moeder begrijpelijk is dat zij ook weleens een volledig weekend met [minderjarige] wil doorbrengen, acht het hof het toch het meest in het belang van [minderjarige] de huidige regeling te handhaven. Het is het hof namelijk niet gebleken dat deze regeling te onrustig is voor [minderjarige] . Hiermee is [minderjarige]
dan bovendien iedere zaterdagochtend op één vaste plek, waar hij dan wekelijks zijn sport (of andere clubactiviteit) kan uitoefenen. Dit zou worden doorkruist als [minderjarige] ieder weekend bij een andere ouder verblijft. Het zou goed zijn als de ouders vervolgens vanuit deze rustige en gestructureerde situatie met elkaar in gesprek blijven. Immers, met de ontwikkeling van een kind zullen er zich regelmatig nieuwe omstandigheden voordoen die de ouders met elkaar moeten bespreken en waar zij gezamenlijk beslissingen over moeten nemen. Dit geldt ook voor de uitoefening van de huidige zorgregeling.Ten aanzien van het halen en brengen ziet het hof eveneens geen aanleiding om de huidige situatie te wijzigen. Dit betekent dat beide ouders hun aandeel hierin blijven houden, in die zin dat de vader [minderjarige] op vrijdag van school haalt en de ene week op zondag bij de moeder terugbrengt. De moeder haalt [minderjarige] de andere week op zaterdag bij de vader op.
8.3.
Het voorgaande leidt er toe dat het verzoek van de moeder wordt afgewezen en het verzoek van de vader in incidenteel appel gedeeltelijk wordt toegewezen. Dit betekent dat de bestreden beschikking wordt vernietigd voor wat betreft de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en dat de regeling opnieuw wordt vastgesteld, met inachtneming van de tussen de moeder en de vader gemaakte afspraken over het terugbrengen van [minderjarige] op zondagavond:- de vader haalt [minderjarige] wekelijks op vrijdag op van school, of als [minderjarige] vrij is, om 09.00 uur bij de moeder;- de ene week haalt de moeder [minderjarige] aansluitend op zaterdag om 13.00 uur op bij de vader;- de andere week verblijft [minderjarige] het weekend aansluitend bij de vader en brengt de vader [minderjarige] op zondag om 17.00 uur terug bij de moeder.
8.3.1.
Het hof stelt verder vast dat, alhoewel dit in hoger beroep niet ter beoordeling voorligt, de ouders hangende de procedure in aanvulling op de bestreden beschikking afspraken hebben gemaakt over de vakantieregeling, welke afspraken de ouders binden.
8.3.2.
Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren gelet op de aard van de zaak.
beslissing

9

- de ene week haalt de moeder [minderjarige] aansluitend op zaterdag om 13.00 uur op bij de vader;- de andere week verblijft [minderjarige] het weekend aansluitend bij de vader en brengt de vader [minderjarige] op zondag om 17.00 uur terug bij de moeder;
Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 februari 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en stelt opnieuw de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:

de vader haalt [minderjarige] wekelijks op vrijdag op van school, of als [minderjarige] vrij is, om 09.00 uur bij de moeder;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt;

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en A.M. van Riemsdijk en is op 9 januari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.