Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:36

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:36, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.267.181_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 9 januari 2020Zaaknummer : 200.267.181/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/353253 / FA RK 18-6784
in de zaak in hoger beroep van:

[de vader]

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen,
tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland,verweerder,hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over: , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder]

wonende op een bij het hof bekend adres,hierna te noemen: de moeder,
en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering

gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI)).

ECLI:NL:GHSHE:2020:36:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 9 januari 2020Zaaknummer : 200.267.181/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/353253 / FA RK 18-6784
in de zaak in hoger beroep van:

[de vader]

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen,
tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland,verweerder,hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over: , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder]

wonende op een bij het hof bekend adres,hierna te noemen: de moeder,
en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering

gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI)).
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 augustus 2019.

2

2.1.
Bij beroepschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 2 oktober 2019, heeft de vader verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren en voormelde beschikking te vernietigen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. Segeren-Krijnen;- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] ; - de moeder; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.4.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is enkele dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
overwegingen

3

3.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] .
3.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 september 2014 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Sinds medio 2017 is [minderjarige] met een daartoe strekkende machtiging uithuisgeplaatst. Nadat zij op verschillende locaties van Idris/Amarant heeft verbleven is zij in september 2018 gesloten geplaatst bij Almata in [plaats 1] . Inmiddels verblijft zij op een open groep in [plaats 2] die valt onder Amarant.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd.

3.4.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De vader heeft in zijn beroepschrift, aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De vader wil het gezag over [minderjarige] behouden. Hij kan de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding zelf dragen, ook als [minderjarige] niet meer thuis komt wonen. De vader stemt in met de plaatsing in [plaats 2] en hij werkt mee aan de noodzakelijke hulpverlening. Een (vrijwillige) uithuisplaatsing is dan ook voldoende. De vader heeft het gezag in het verleden niet als strijdmiddel gebruikt. [minderjarige] is voorafgaand aan de huidige plaatsing in [plaats 2] meerdere keren overgeplaatst en de vader heeft daar kritische vragen over gesteld, aangezien een toelichting van de GI vaak ontbrak. Het gezag zorgt ervoor dat zijn mening meer gewicht in de schaal legt bij te nemen beslissingen en dat hij informatie kan opvragen over [minderjarige] .Bovendien is het gezag het laatste stukje ‘band’ dat de vader nog heeft met [minderjarige] en het is voor hem niet te verteren dat hij dat ook nog verliest. Voor het geval het hof zou vinden dat de rechtbank het gezag van de vader op goede gronden heeft beëindigd, is de vader het niet eens met de benoeming van de GI tot voogdes. De GI houdt de vader onvoldoende op de hoogte over [minderjarige] . Zijn e-mails aan de GI blijven vaak onbeantwoord en er is vaak gewisseld van contactpersoon. Ten aanzien van de contactregeling is nauwelijks overleg mogelijk en er wordt geen rekening gehouden met zijn werktijden. Verder is er geen overleg geweest over de keuze van de school en heeft de GI onvoldoende gedaan om [minderjarige] zo spoedig mogelijk op een passende open plek te plaatsen.
3.6.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De raad handhaaft zijn verzoek. Er is niet gebleken dat de samenwerking nu wel goed gaat. Integendeel, er zijn steeds problemen in de samenwerking met de vader. Voorts maakt de raad zich zorgen over het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] . In de thuissituatie krijgt zij onvoldoende aansturing, regels en structuur. De huidige GI heeft een expertise op het gebied van mensen met een beperking en biedt passende ondersteuning. In de regio Brabant is er sprake van een onderbezetting en wisselingen van gezinsvoogd zijn daardoor onvermijdelijk.
3.7.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Als [minderjarige] haar zin niet krijgt, gaat het niet goed en wordt ze boos. Ze is weggelopen van de groep. De vader stelt zich bedreigend op naar de gezinsvoogd en de groepsleiding. Het plannen van een gesprek met de vader gaat moeizaam en kost tijd. De vader is het niet eens met de plaatsing en hij brengt [minderjarige] niet op tijd terug naar de groep. De vader voedt de weerstand van [minderjarige] . Als het voor [minderjarige] rustig is, doet zij het goed op de groep en werkt ze mee aan de doelen. De moeder probeert wel tegen het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] op te komen. Het klopt dat er veel wisselingen van gezinsvoogd hebben plaatsgevonden, waarvan in ieder geval één keer door bedreigingen van de vader. Verder heeft [minderjarige] als voorbereiding op een open plaatsing een aantal maanden doorgebracht op een groep waar de overgang van een gesloten naar een open plaatsing werd begeleid en opgebouwd. Voor zover de GI weet zou de school de ouders benaderen. De ouders worden betrokken, zij worden bijvoorbeeld ook uitgenodigd voor gesprekken.
3.8.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij graag een gelukkige dochter wil, maar dat dat niet lukt vanwege alle betrokken instanties.
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien
loweralpha

een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.
Aangezien alleen de vader in hoger beroep is gekomen tegen de bestreden beschikking waarbij het gezag van de ouders over [minderjarige] is beëindigd en de grieven uitsluitend zien op de gezagspositie van de vader, begrijpt het hof het verzoek van de vader zo dat dit uitsluitend ziet op het behouden van zijn gezagspositie.
3.9.3.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de vereisten van artikel 1:266 BW en dat het gezag terecht is beëindigd. De vader kan de verantwoordelijkheid van verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet dragen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. Gelet op haar problematiek heeft [minderjarige] een stabiele opvoedomgeving nodig met duidelijke grenzen en kaders waarbinnen adequaat afgestemd wordt op haar mogelijkheden en beperkingen en waarbinnen ook specifieke aandacht is voor haar gewetensontwikkeling. De vader kan [minderjarige] een dergelijke omgeving niet bieden. Dat geldt overigens ook voor de moeder. [minderjarige] heeft veel te maken gehad met onveiligheid en instabiliteit door de wisselende woon- en leefsituaties met verschillende opvoedingsstijlen en onderlinge conflicten tussen de verschillende opvoeders. Gedurende de afgelopen jaren is in het kader van de ondertoezichtstelling getracht om met de ouders te werken aan de gestelde doelen, maar dit is onvoldoende gelukt, met name vanwege het gedrag van de vader. De vader staat niet volledig achter de plaatsing van [minderjarige] . De vader laat wisselend gedrag zien en de samenwerking met de GI verloopt daardoor moeizaam. De beëindiging van het gezag draagt bij aan de duidelijkheid die [minderjarige] zo hard nodig heeft. Het hof ziet geen aanleiding om een andere GI te benoemen. De problemen in de samenwerking worden veroorzaakt door het (wisselende) gedrag van de vader. Bovendien zou een wisseling van GI wederom tot onduidelijkheid bij [minderjarige] leiden, hetgeen niet in haar belang is.
beslissing

4

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 augustus 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, L.Th.L.G. Pellis en C.A.R.M. van Leuven en is op 9 januari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.