Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:1051

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 24-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:1051, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.235.931_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.235.931/01

arrest van 24 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

handelend onder de naam [de juwelier] Juwelier

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna aan te duiden als [de juwelier] ,advocaat: mr. C.A. Gobbens te Breda,
tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [de vennootschap] ,advocaat: mr. O. Surquin te Arnhem,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 mei 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, onder zaaknummer 6337656 CV EXPL 17-5896 gewezen vonnis van 20 december 2017.

ECLI:NL:GHSHE:2020:1051:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.235.931/01

arrest van 24 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

handelend onder de naam [de juwelier] Juwelier

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna aan te duiden als [de juwelier] ,advocaat: mr. C.A. Gobbens te Breda,
tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [de vennootschap] ,advocaat: mr. O. Surquin te Arnhem,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 mei 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, onder zaaknummer 6337656 CV EXPL 17-5896 gewezen vonnis van 20 december 2017.

5

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

-

het tussenarrest van 8 mei 2018 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;

het proces-verbaal van comparitie van 26 juni 2018;

-

de memorie van grieven met producties;

de memorie van antwoord;

het schriftelijke pleidooi, waarbij beide partijen pleitnota’s hebben overgelegd.

overwegingen

6

6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
[de juwelier] is van 1 februari 2013 tot en met 31 augustus 2016 huurder geweest van de bedrijfsruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De oorspronkelijke verhuurder was [de oorspronkelijke verhuurder] Met ingang van 26 augustus 2015 is [de vennootschap] de eigenaar van de bedrijfsruimte geworden, en daarmee op de voet van artikel 7:226 lid 1 BW tevens de verhuurder, als rechtsopvolger van [de oorspronkelijke verhuurder]
6.1.2.
Bij vonnis van 31 augustus 2016 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 september 2016 en [de juwelier] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, tot betaling van een bedrag ad € 19.077,68 ter zake van achterstallige huur over de periode van januari 2016 tot en met augustus 2016 en tot het betalen van een gebruiksvergoeding, boete en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast is [de juwelier] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens huurderving over de periode vanaf 1 september 2016 tot 25 september 2017, nader op te maken bij staat en is [de juwelier] in de proceskosten veroordeeld.
6.1.3.
Op 14 maart 2017 hebben partijen een regeling getroffen. Deze regeling is bevestigd in de e-mail van [de gemachtigde] , de gemachtigde van [de vennootschap] , aan onder meer [de juwelier] van 14 maart 2017 om 12:37 uur. In deze e-mail staat onder meer het volgende vermeld:
“Onderwerp: [nummer 1] [de vennootschap] / [appellant]

Bijlagen: Bevestiging afzien van claim op bankgarantie [appellant] h.o.d.n. [de juwelier]
[nummer 1] [nummer 2]
[de vennootschap] / [appellant]

[adres] te Tilburg

[nummer 3]

Mijne heren,

Er wordt heden namens [appellant] tegen algehele en finale kwijting betaald een bedrag van € 19.077,68 op het bankrekeningnummer van [gerechtsdeurwaarders] gerechtsdeurwaarders, welk rekeningnummer via de deurwaarder ter plaatste van de executie, mevrouw [de deurwaarder] , aan de betaler bekend is/wordt gemaakt.
Op het moment dat het bedrag van € 19.077,68 zichtbaar is op het rekeningnummer van de deurwaarder, zal [de vennootschap] terstond de aanspraak op de bankgarantie ongedaan maken in die zin dat de aanspraak op de bankgarantie komt te vervallen, zoals dat ook blijkt uit de bijgevoegde mededeling namens [de vennootschap] . (…)”
6.1.4.
[de vennootschap] heeft een paar minuten voor deze mail, namelijk om 12:33 uur, het volgende aan [de gemachtigde] gemaild:
“Onderwerp: Bevestiging afzien van claim op bankgarantie [appellant] h.o.d.n. [de juwelier]
Geachte heer [de gemachtigde] ,

Betreft bankgarantie inzake [adres] te [vestigingsplaats] .

Hierbij bevestigen wij dat wij onder de besproken voorwaarden geen aanspraak maken op de claim van garantie met nummer [het garantienummer] t.w.v. € 7.362,27 (…)”

6.2.1.
In eerste aanleg heeft [de vennootschap] gevorderd [de juwelier] te veroordelen tot betaling van de huur over de maand augustus 2015 ad € 2.544,16, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 augustus 2015 en een bedrag ad € 379,42 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering bedraagt tot 1 september 2017 in totaal € 3.349,09.
6.2.2.
[de juwelier] heeft gemotiveerd verweer gevoerd in de conclusie van antwoord, maar niet tijdig gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om een conclusie van dupliek te nemen.
6.2.3.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de niet weersproken nadere stellingen van [de vennootschap] in de conclusie van repliek het verweer van [de juwelier] voldoende weerleggen en de vorderingen geheel kunnen dragen. De kantonrechter heeft vervolgens [de juwelier] veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 3.349,09, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.544,16 vanaf 1 september 2017 en heeft [de juwelier] in de proceskosten veroordeeld.
6.3.
[de juwelier] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [de vennootschap] , met veroordeling van [de vennootschap] tot terugbetaling van hetgeen [de juwelier] uit hoofde van het bestreden vonnis reeds heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en met veroordeling van [de vennootschap] in de proceskosten van beide instanties, inclusief de nakosten. [de juwelier] heeft één grief aangevoerd tegen het vonnis. In de toelichting op de grief heeft [de juwelier] bepaalde door hem gevoerde verweren aan het oordeel van het hof voorgelegd. Het hof zal die verweren in het onderstaande behandelen.
6.4.
[de vennootschap] vordert in deze procedure betaling van de huur over de maand augustus 2015, vermeerderd met rente en kosten. [de juwelier] heeft niet betwist dat hij de huur over de maand augustus 2015 niet heeft betaald, noch aan [de vennootschap] , noch aan de vorige verhuurder. Voorts bestrijdt [de juwelier] in hoger beroep niet langer dat het vorderingsrecht van de huur over de maand augustus 2015 is overgegaan van de vorige verhuurder op [de vennootschap] . [de juwelier] voert in zijn grieven aan dat hij de huur over de maand augustus 2015 niet aan [de vennootschap] verschuldigd is, omdat partijen in de regeling van 14 maart 2017 een algehele en finale kwijting zijn overeengekomen. Dit beroep op het kwijtingsbeding in de regeling van 14 maart 2017 vormt een zelfstandig verweer.
6.5.
Partijen twisten over de vraag hoe het beding ‘tegen algehele en finale kwijting’ in de regeling van 14 maart 2017 moet worden uitgelegd. Volgens [de juwelier] moet dit beding zo worden uitgelegd dat partijen, na betaling van het bedrag ad € 19.077,68,niets meer van elkaar te vorderen hebben op grond van de huurovereenkomst. Volgens [de vennootschap] hebben partijen, na betaling van voornoemd bedrag, niets meer van elkaar te vorderen op grond van het vonnis van 31 augustus 2016.

6.6.
Voor de beantwoording van de vraag hoe het beding moet worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg zijn van betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.
6.7.
Allereerst is de aard van het beding van belang. Een kwijting houdt in beginsel niet meer in dan de verklaring tot bewijs dat de desbetreffende betaling heeft plaatsgevonden, waarvan tegenbewijs openstaat. In een dergelijke verklaring ligt niet zonder meer tevens een kwijtschelding (afstand om niet) als bedoeld in artikel 6:160 lid 2 BW besloten. Daartoe is vereist dat partijen zijn overeengekomen dat het verschuldigde bedrag niet geheel zou worden voldaan, of dat zij, bij wege van vaststellingsovereenkomst, aan enige onzekerheid over de verschuldigdheid daarvan een einde hebben willen maken. (HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:975).
6.8.
Uit de standpunten van partijen volgt dat in het onderhavige geval sprake is van een kwijtschelding als bedoeld in artikel 6:160 lid 2 BW. Partijen zijn overeengekomen dat het verschuldigde bedrag niet geheel zou worden voldaan. [de juwelier] hoeft op grond van de regeling alleen de achterstallige huur over de maanden januari 2016 tot en met augustus 2016 aan [de vennootschap] te voldoen. [de vennootschap] heeft in ieder geval afstand gedaan van hetgeen zij nog meer van [de juwelier] te vorderen had op grond van het vonnis van 31 augustus 2016. De vraag is of de kwijtschelding tevens betrekking heeft op het recht van [de vennootschap] om de huur over augustus 2015 van [de juwelier] te vorderen.
6.9.
Uit de tekst van de regeling zelf blijkt niet wat de reikwijdte is van de door partijen overeengekomen kwijtschelding. In de e-mail van [de gemachtigde] van 14 maart 2017, waarin de regeling is opgenomen, staan diverse zaaknummers vermeld. Dit betreffen volgens [de vennootschap] de zaaknummers van [de gemachtigde] , de deurwaarder die belast was met de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank en van [de vennootschap] . Deze zaaknummers vormen naar het oordeel van het hof op zichzelf onvoldoende aanwijzing dat de kwijtschelding alleen betrekking heeft op het vonnis van de rechtbank van 31 augustus 2016, zoals [de vennootschap] in eerste aanleg heeft aangevoerd.
6.10.
Met betrekking tot de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling van 14 maart 2017 acht het hof de volgende omstandigheden van belang. De aanleiding voor het sluiten van de regeling was de tenuitvoerlegging van het vonnis van 31 augustus 2016. [de juwelier] wilde beslaglegging voorkomen. De huur over de maand augustus 2015 vormde geen onderdeel van het geschil in de procedure bij de rechtbank en [de juwelier] heeft niet weersproken dat partijen in het kader van de regeling ook niet over de huur over deze maand hebben gesproken. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [de vennootschap] , zoals zij stelt, zich er op het moment van het sluiten van de regeling niet van bewust was dat [de juwelier] de huur over de maand augustus 2015 nog aan haar verschuldigd was. Als [de vennootschap] zich daarvan wel bewust was geweest, zou zij deze huur meegenomen hebben in haar vordering in de procedure bij de rechtbank of bij het door [de juwelier] te betalen bedrag in de regeling. De regeling is immers zo vormgegeven dat [de juwelier] de openstaande huurtermijnen nog moest betalen en de rest (kort gezegd: rente en kosten) werd kwijtgescholden. Het is ook zeer onwaarschijnlijk dat [de vennootschap] van de openstaande huur alleen de huur over de maand augustus 2015 zou hebben kwijtgescholden, terwijl daar door partijen niet over gesproken is. Voorts staat vast dat [de juwelier] destijds niet wist en niet kon weten dat hij de huur over augustus 2015, anders dan uit toepassing van artikel 7:226 lid 1 BW zou volgen, aan [de vennootschap] verschuldigd was in plaats van aan de vorige verhuurder. [de juwelier] heeft deze stelling van [de vennootschap] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist.
6.11.
Het hof leidt uit de hiervoor vermelde omstandigheden af dat [de vennootschap] geen afstand heeft gedaan van haar recht om de huur over augustus 2015 van [de juwelier] te vorderen. Een afstand van recht veronderstelt een op het rechtsverlies gerichte wilsverklaring van de schuldeiser. Daarvan zal alleen sprake kunnen zijn indien de schuldeiser het recht waarvan hij afstand doet kent, althans de schuldenaar gerechtvaardigd erop heeft vertrouwd dat de schuldeiser het recht kende. Uit het voorgaande volgt dat [de vennootschap] zich er niet van bewust was dat [de juwelier] de huur over de maand augustus 2015 nog aan haar verschuldigd was. Dat zij dit wel had kunnen weten, is voor de vraag of [de vennootschap] afstand heeft gedaan van haar recht niet van belang. Nu [de juwelier] ook niet wist dat hij de huur over augustus 2015 aan [de vennootschap] verschuldigd was, mocht hij er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat [de vennootschap] afstand deed van dit recht.
6.12.
Het hof ziet voorts geen aanwijzingen dat partijen de intentie hadden een vaststellingsovereenkomst te sluiten om een einde te maken aan enige onzekerheid over eventueel nog andere door [de juwelier] aan [de vennootschap] op grond van de huurovereenkomst verschuldigde bedragen, naast de bedragen die [de juwelier] verschuldigd was op grond van het vonnis van 31 augustus 2016. Het hof leidt uit de hiervoor vermelde omstandigheden af dat beide partijen er ten tijde van het treffen van de regeling van 14 maart 2017 vanuit gingen dat [de vennootschap] verder niets meer te vorderen had van [de juwelier] op grond van de huurovereenkomst. Het feit dat [de vennootschap] de bankgarantie heeft opgeheven, dient in dit licht te worden gezien.
6.13.
De stelling van [de juwelier] dat hij kenbaar heeft gemaakt dat hij na het door hem te betalen bedrag voorgoed van [de vennootschap] af wilde zijn en dat hem namens [de vennootschap] is verteld dat hij na betaling niets meer met [de vennootschap] te maken zou hebben, is gelet op het voorgaande onvoldoende om te concluderen dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben willen sluiten of dat [de juwelier] dit redelijkerwijs heeft mogen begrijpen. Uit deze stelling blijkt niet dat [de vennootschap] ook afstand heeft willen doen van andere aanspraken dan haar uit het vonnis van 31 augustus 2016 voortvloeiende aanspraken ter zake buitengerechtelijke kosten, boete, schadevergoeding en proceskosten, en ook niet dat [de juwelier] dit wel zo heeft mogen opvatten. De mogelijkheid dat [de vennootschap] ook nog andere vorderingen op [de juwelier] zou hebben, is tussen partijen niet voldoende duidelijk aan de orde geweest. Beide partijen dachten immers (ten onrechte) dat alle vorderingen van [de vennootschap] op het moment van het sluiten van de regeling bekend waren en dat zij derhalve een algehele regeling sloten. Het hof komt dan ook niet toe aan het bewijsaanbod van [de juwelier] met betrekking tot deze stelling.
6.14.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de kwijtschelding geen betrekking heeft op het recht van [de vennootschap] om de huur over augustus 2015 van [de juwelier] te vorderen. Het beding ‘tegen algehele en finale kwijting’ in de regeling van 14 maart 2017 moet zo worden uitgelegd dat partijen, na betaling van het bedrag ad € 19.077,68,niets meer van elkaar te vorderen hebben op grond van het vonnis van 31 augustus 2016. Dit betekent dat de vordering van [de vennootschap] tot betaling van de huur over augustus 2015 in beginsel toewijsbaar is. [de juwelier] heeft in zijn grieven echter nog een beroep op rechtsverwerking gedaan.

6.15.
Uitgangspunt bij de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking van [de juwelier] is dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is immers de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.
6.16.
Het hof begrijpt dat [de juwelier] zich op het standpunt stelt dat [de vennootschap] haar rechten heeft verwerkt door het beding ‘tegen algehele en finale kwijting’ in de regeling van 14 maart 2017 en/of het vrijgeven van de bankgarantie. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen mocht [de juwelier] er op basis van het beding en/of de bankgarantie niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat [de vennootschap] haar aanspraak op de huur over augustus 2015 niet meer geldend zou maken. Dat beide partijen er bij het sluiten van de regeling vanuit gingen dat [de juwelier] niets meer aan [de vennootschap] verschuldigd was, betekent niet dat [de vennootschap] niet alsnog aanspraak mag maken op de huur over augustus 2015 nu blijkt dat [de juwelier] deze maand huur nog aan [de vennootschap] verschuldigd is. Voorts is door [de juwelier] niet gesteld en is niet gebleken dat de positie van [de juwelier] onredelijk wordt benadeeld of verzwaard nu [de vennootschap] haar aanspraak alsnog geldend maakt. Het beroep op rechtsverwerking faalt derhalve.
6.17.
[de juwelier] heeft voorts nog een grief gericht tegen de proceskosten-veroordeling. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis.
6.18.
Op grond van het voorgaande falen de grieven van [de juwelier] . Het hof zal derhalve het vonnis van de kantonrechter onder aanvulling van gronden bekrachtigen, de vordering van [de juwelier] tot terugbetaling van hetgeen hij uit hoofde van het bestreden vonnis heeft voldaan afwijzen en [de juwelier] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
7

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van gronden;

veroordeelt [de juwelier] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de vennootschap] op € 726,- aan griffierecht en op € 1.518,- aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, A.J. Henzen en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 maart 2020.

griffier rolraadsheer