Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:1045

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 23-03-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 23-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:1045, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-000782-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2020:1045:DOC
nl

Parketnummer : 20-000782-18 Uitspraak : 23 maart 2020
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-700051-17 tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,wonende te [adres] ,thans verblijvende in PI Vught, Nieuw Vosseveld 2 HvB Arres. te Vught.
Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met inbegrip van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, onder aanvulling van gronden, behalve voor wat betreft de opgelegde sancties en in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 9 jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede dat het hof aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling aan de Staat, met bevel tot verpleging van overheidswege zal opleggen.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. Wat betreft het beslag heeft zij aangesloten bij de beslissing van de rechtbank. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft zij primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair om te beslissen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eersteaanleg – ten laste gelegd dat:
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen één of meermalen in en/of door het lichaam van die [slachtoffer] te schieten;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft met de advocaat-generaal en de verdediging uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Onder 1 wordt verdachte – kort gezegd – verweten het (mede)plegen van moord op [slachtoffer] . Het hof overweegt in dit verband het volgende.

Moord vereist de bewezenverklaring van het bestanddeel 'met voorbedachten rade'. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' volgens bestendige jurisprudentie moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvind en, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen vóór en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte vóór en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 en meer recent HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2058 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907).
Het hof stelt dienaangaande vast dat uit het dossier blijkt dat er een lang(er) lopende ruzie tussen verdachte en het slachtoffer bestond en ook dat zij elkaar mogelijk beconcurreerden bij de verkoop van wiet (om verwarring te voorkomen met de hierna nog te noemen [medeverdachte 1] , zal het hof zowel bij verdachte – [verdachte] – als bij [medeverdachte 1] telkens ook de voornaam opnemen). Daarnaast is in het dossier opgenomen de verklaring van [broer slachtoffer] , de broer van het slachtoffer, dat 'ze' – waarmee hij kennelijk doelt op verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] – van te voren hebben besloten om zijn broertje dood te schieten, dat ze nooit in het café kwamen, dat ze het dus echt van tevoren hebben bedacht, dat zijn broertje gewoon achter de bar stond te werken en dat het meenemen van een wapen terwijl zijn broertje daar stond geen toeval was, maar is gepland. De inhoud van deze verklaring lijkt te zijn ingegeven door een bericht dat de broer van het slachtoffer heeft gekregen van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft verklaard dat 'schoten op [slachtoffer] iets was wat meneer [het hof begrijpt: verdachte] al eerder wou doen' en dat elke keer als [verdachte] hoorde dat [slachtoffer] in de buurt was, hij [verdachte] hoorde zeggen 'dat hij hem samen met ons wilde pakken', dat hij hem af zou maken en dat hij niet in zijn (verdachtes) buurt moest komen. Ten slotte heeft het hof kennis genomen van de verklaring van [medeverdachte 3] dat [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte] hem gevraagd zou hebben om [slachtoffer] iets aan te doen en dat dat misschien een paar weken vóór het schietincident is geweest.

Het hof wijst ter beoordeling op het volgende. Artikel 359 lid 3 Sv stelt dat de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het is daarbij aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Daarbij dient uit de bewijsvoering ter zake van voorbedachte raad met voldoende mate van nauwkeurigheid en buiten redelijke twijfel kunnen worden afgeleid dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Hoewel de aard van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, meer bepaald de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] vóór het begaan van het feit – mede tegen de achtergrond van de hiervóór genoemde mogelijke voorgeschiedenis en de afgelegde verklaringen – naar het oordeel van het hof opmerkelijk zijn, in die zin dat deze lijken te duiden op meer dan enkel handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling van verdachte en/of de medeverdachte, komt het hof desalniettemin tot de conclusie dat het geheel aan voorliggende bewijsmiddelen geen overtuigend bewijs oplevert van het handelen met voorbedachte raad door verdachte en/of [medeverdachte 2] . De genoemde, niet duidelijk geworden voorgeschiedenis en de genoemde verklaringen, waarin onder meer melding wordt gemaakt van door verdachte gedane eerdere uitlatingen ten aanzien van het slachtoffer, zijn in zijn geheel – ook in onderling verband en samenhang – naar het oordeel van het hof te weinig concreet en specifiek om op basis daarvan bewezen te achten dat verdachte en/of [medeverdachte 2] op de bewuste avond, 3 maart 2017, met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven hebben beroofd. Met andere woorden: het dossier bevat naar het oordeel van het hof onvoldoende overtuigend bewijs dat verdachte en/of [medeverdachte 2] zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om [slachtoffer] te doden en dat verdachte en/of [medeverdachte 2] niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof is dan ook met de advocaat-generaal en de verdediging, in navolging van de rechtbank, van oordeel dat het vereiste bewijs voor voorbedachte raad ontbreekt, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op 3 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meermalen in en door het lichaam van die [slachtoffer] te schieten;
2.hij op 3 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, een wapens op grond van art. 2 lid 1 Wet wapens en munitie, van categorie III en munitie op grond van art. 2 lid 2 Wet wapens en munitie, van categorie III, voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs
_98d7f5a5-295b-431e-81bb-fbc6e24469ea

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Verdachte kan niet als medepleger van de doodslag op [slachtoffer] worden aangemerkt. Van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2] is geen sprake geweest. Verdachte had geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, op het om het leven brengen van [slachtoffer] en op het medeplegen van dat feit.Niet kan worden bewezen dat er een wapen in de auto aanwezig was. Als er al een wapen in de auto aanwezig was, dan wist verdachte daar niet van.In het café heeft verdachte niets geroepen naar [medeverdachte 2] en al helemaal niet dat hij moest schieten. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , die hierover hebben verklaard, zijn onbetrouwbaar. In een van de Pro Justitia-rapport heeft de deskundige gerapporteerd dat verdachte mogelijk wel 'schiet, schiet' heeft geroepen, maar de deskundige vergist zich. Bovendien mag die vermelding niet voor bewijs worden gebruikt.Verdachte heeft [medeverdachte 2] dus geen opdracht gegeven om te schieten; dat was een zelfstandig wilsbesluit van [medeverdachte 2] .Verdachte heeft geen enkele rol gehad in de schietpartij. Verdachte had ook geen motief om het slachtoffer om het leven te brengen. Een aantal getuigen heeft daar weliswaar over verklaard, maar die verklaringen zijn gebaseerd op aannames, eigen invullingen en suggesties, aldus de verdediging.
Het hof overweegt hieromtrent – gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank – het volgende.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

Inleiding

Op vrijdag 3 maart 2017 om 23.06 uur kwam bij de politie Zeeland-West-Brabant eenmelding binnen dat er een schietpartij had plaatsgevonden in het café [café]aan de [adres] te Oostburg, gemeente Sluis (hierna: het café). Naaraanleiding van deze melding zijn er meerdere eenheden ter plaatse gegaan. In het café werdachter de bar een mannelijk persoon aangetroffen. Er was reeds gestart met reanimatie, maardoor een omstander werd geen hartslag meer gevoeld. Die persoon lag op de grond met zijn hoofd in de richting van de deur aan de voorzijde van het café. Het ter plaatse gekomenambulancepersoneel gaf na een korte behandeling aan dat de man was overleden.Om de precieze doodsoorzaak te onderzoeken is er door het Nederlands Forensisch Instituut sectie verricht. Bij sectie werden als gevolg van bij leven opgelopen schotverwondingen zeven huidperforaties gevonden overeenkomende met drie inschoten en één doorschotverwonding, waarbij één inschotverwonding in de linkerlies gepaard ging met een doorschot hetgeen drie perforaties heeft opgeleverd. Ook was er een schotkanaal door de romp met daarbij onder andere perforatie van de linkerlong en het hart in de beide hartkamers. Er was daarbij massaal inwendig bloedverlies opgetreden. Volgens de patholoog is het slachtoffer overleden als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen schotverwondingen.
Naar aanleiding van dit incident werd op 4 maart 2017 door een Team Grootschalige Opsporing een onderzoek gestart. De personen die tijdens het onderzoek in beeld zijngekomen en toentertijd als verdachten werden aangemerkt zijn [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .
Voordat het hof de onderscheiden feiten zal bespreken, zal eerst worden ingegaan opde betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] .
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3]

De verdediging heeft aangevoerd dat (onder meer) de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] niet voor het bewijs gebezigd mogen worden. De verklaringenworden in de visie van de verdediging tegengesproken door andere verklaringen en door het forensisch bewijs.
Het hof oordeelt als volgt. Door [getuige 2] en [getuige 1] zijn bij de politie en derechter-commissaris verklaringen afgelegd. Daarnaast heeft [getuige 1] ook nog een verklaring afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Het zijn onafhankelijke getuigen en het hof acht hun verklaringen betrouwbaar. De verklaringen zijn in de kern consistent en zij vinden over en weer steun in elkaar. De betrouwbaarheid wordt bovendien versterktdoordat deze getuigen hun eerste verklaringen, tegelijkertijd en ten overstaan van verschillende verbalisanten, vrijwel direct na het feit hebben afgelegd. Dat op onderdelen in de verklaringen verschillen zijn te ontdekken of dat een enkel onderdeel van de verklaring niet (geheel) overeenkomt met forensisch bewijs, is vanwege de snelheid waarmee het een en ander gebeurde, de verschillende plaatsen waar men zich in het café bevond, de omstandigheid dat er meerdere mensen in het café aanwezig waren, de heftigheid van de gebeurtenissen, de paniek en de hectiek zeer begrijpelijk. Dat maakt het vorenstaande daarom niet anders. [getuige 2] en [getuige 1] zijn immers in hun werkomgeving onverwacht getuige geweest van een zeer ernstig feit waarbij het slachtoffer is komen te overlijden. Het hof acht het dan ook zeer wel aannemelijk dat [getuige 2] en [getuige 1] bij het afleggen van hun eerste verklaringen enigszins in shock waren, waardoor zij zich in latere verklaringen logischerwijs meer specifieke details wisten te herinneren.
Ten aanzien van de verklaring van [getuige 3] stelt het hof vast dat de verdediging dieverklaring onbetrouwbaar acht, voor zover [getuige 3] verklaart over wat volgens hem in hetcafé is gebeurd. Het hof gebruikt de verklaring van [getuige 3] echter niet als bewijsvoor de gebeurtenissen in het café. Het hof gebruikt de verklaring uitsluitend voor desituatie buiten het café, nog voordat de ruzie begon, en met betrekking tot dat deel van deverklaring heeft de verdediging geen inhoudelijk verweer gevoerd.
Feiten en omstandigheden

Het hof gaat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden. Het hof zal die in navolging van de rechtbank in chronologische volgorde bespreken aan de hand van een drietal momenten, te weten de autorit naar het café, de schietpartij in het café en de vlucht na de schietpartij. Vervolgens zal het hof aandacht besteden aan de voorgeschiedenis van de relatie tussen verdachte en het slachtoffer.

De autorit naar het café

Op 3 maart 2017 hebben verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] besloten om met de auto, een [auto] met kenteken [kenteken], vanuit Breskens naar het café in Oostburg te gaan. [medeverdachte 4] zat achter het stuur, verdachte zat naast hem en [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zaten achterin. [medeverdachte 2] is familie van verdachte en [medeverdachte 1] . Ze zijn eerst naar het huis van [medeverdachte 3] gereden. [medeverdachte 3] is daar uitgestapt en is even later weer ingestapt. Hierna zijn ze naar het café gereden. Onderweg heeft [medeverdachte 3] een wapen uit zijn zak gehaald en gevraagd wie dat bij zich ging houden. Er werd gepraat en op een gegeven moment zei [medeverdachte 2] : 'Geef maar aan mij, ik houd het wel bij me'. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] het wapen, waar volgens hem al patronen in zaten, in zijn broeksband gestoken.

De schietpartij in het café

Nadat de vijf jongens bij het café waren aangekomen, zijn ze naar binnen gegaan. Verdachte is op een gegeven moment alleen naar buiten gegaan. Daar stonden ook [getuige 3] en het latere slachtoffer, [slachtoffer] . [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] een tas bij zich had. Verdachte kwam bij hen staan en was heel nieuwsgierig naar wat er in die tas zat. Verdachte en [slachtoffer] kregen daar woorden over. [getuige 2] , de eigenaresse van het café, heeft verklaard dat zij merkte dat [verdachte]– verdachte – en [slachtoffer] ruzie kregen doordat zij elkaar uitdaagden. Zij zag dat zij elkaar een kopstoot gaven. Dit gebeurde allemaal bij de voordeur. Verdachte riep op een zeker moment in de richting van [medeverdachte 2] , die achterin het café bij de gokkasten stond: ' [roepnaam medeverdachte 2] , [roepnaam medeverdachte 2] , je moet hem schieten'. Hij zei dit een paar keer. [getuige 1] , medewerker van het café, heeft verklaard dat hij zag dat er buiten gevochten werd, nadat ze [het hof begrijpt: verdachte en [slachtoffer] ] een woordenwisseling hadden. Hij zag dat [verdachte] – verdachte – de deur open deed en naar binnen riep: ' [roepnaam medeverdachte 2] , schiet schiet '. Nadat verdachte dit geroepen had, bleef hij vechten met [slachtoffer] . Dit speelde zich af rond de toegangsdeur van het café. [getuige 1] zag dat ' [roepnaam medeverdachte 2] ' [het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ] naar de toegangsdeur rende. Toen ' [roepnaam medeverdachte 2] ' bij de toegangsdeur aangekomen was, trok hij een wapen. Dat was een zwart pistool. ' [roepnaam medeverdachte 2] ' hield dat wapen in zijn rechterhand. Op een gegeven moment hoorde [getuige 1] een knal. Volgens [getuige 1] was dat een schot uit het wapen. Volgens [getuige 1] was er niemand geraakt, omdat ze [het hof begrijpt: verdachte en [slachtoffer] ] bleven vechten. [medeverdachte 2] bleef tijdens het gevecht rond de vechtende personen staan. Al vechtend zijn [slachtoffer] en verdachte binnengekomen en zijn tot achter de bar geraakt. [getuige 1] heeft getracht [slachtoffer] en verdachte uit elkaar te halen. [medeverdachte 4] stond er ook bij. Toen hoorde [getuige 1] vier à vijf schoten. Hij zag dat ' [roepnaam medeverdachte 2] ' schoot met het pistool dat [getuige 1] al eerder bij hem had gezien. [getuige 1] zag dat [medeverdachte 2] gericht schoot in de richting van [slachtoffer] . [getuige 1] heeft verder verklaard dat het schieten gericht was op de buik van het slachtoffer van erg dichtbij. Er zat volgens hem misschien twintig centimeter tussen het wapen en het lichaam van het slachtoffer. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij met zijn linkerhand het bovenste gedeelte van het wapen naar achter haalde om het wapen door te laden. Hij heeft daarna geschoten. Hij stond toen naar eigen zeggen op anderhalf of twee meter afstand van [slachtoffer] .
De vlucht na de schietpartij

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat 'die neef' [het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ] in de buurt van de vechtpartij was, die zich verplaatste naar achter de bar. [medeverdachte 4] hoorde een knal en daarna nog een paar knallen. Er ontstond paniek. Mensen sprintten weg. [medeverdachte 4] heeft toen zijn spullen gepakt en is naar buiten gerend. Toen hij bij de deur kwam, rook hij het kruit. Een aantal omstanders heeft vijf personen naar buiten zien vluchten. [medeverdachte 4] was als eerste weer terug bij de auto. De andere jongens, verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en zijn neef [het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ] sprongen ook in de auto en zeiden dat hij weg moest rijden. In de auto was er paniek. De jongens in de auto waren niet op hun gemak en waren aan het schreeuwen. Een van hen riep: 'Ik heb bloed op me'. Ook riep iemand: 'Weg, weg'. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het wapen in de auto weer terug heeft gegeven aan [medeverdachte 3] .
Voorgeschiedenis relatie slachtoffer en verdachte

Een broer van het slachtoffer, [broer slachtoffer] , heeft tegenover de politie verklaard dat hij wist datzijn broer, het slachtoffer, een conflict had met [verdachte] , zijnde verdachte. Verdachte had namelijk ruzie met iemand die [betrokkene 2] heet en het slachtoffer heeft het opgenomen voor [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij wiet kocht bij ' [medeverdachte 1] ' [het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ]. Hij verklaarde verder dat hij niets meer met [medeverdachte 1] en [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte] te maken wilde hebben, nadat hij van [slachtoffer] [het hof begrijpt: [slachtoffer] ] had gehoord dat verdachte mensen zou hebben neergestoken en bestolen. Hij is toen gestopt met wiet kopen bij [medeverdachte 1] en verdachte en hij denkt dat ze daarom boos waren op [slachtoffer] .Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij, elke keer als [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte] hoorde dat [slachtoffer] [het hof begrijpt: [slachtoffer] ] in de buurt was, verdachte hoorde zeggen dat hij [slachtoffer] wilde pakken, dat verdachte hem af zou maken en dat [slachtoffer] niet in de buurt van verdachte moest komen. [betrokkene 1] had gehoord dat dat te maken had met [betrokkene 2] , die eerst zijn wiet haalde bij verdachte, maar later niet meer bij hem kocht. Nadat verdachte [betrokkene 2] samen met [slachtoffer] had gezien, ging verdachte volgens [betrokkene 1] ervan uit dat [slachtoffer] een klant van verdachte had afgepakt.Verder heeft [betrokkene 1] verklaard dat verdachte [medeverdachte 3] op [slachtoffer] af wilde sturen om hem pijn te doen of af te maken. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte hem € 500,- heeft geboden om het slachtoffer neer te schieten.
Medeplegen

Het hof stelt voorop, dat voor medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht moet zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht (vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443). De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, 2016:1315).

Het hof neemt hierbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

- verdachte had reeds vóór het schietincident een conflict met het slachtoffer. Verschillende getuigen hebben verklaard dat verdachte een prijs op het hoofd van het slachtoffer had gezet;- verdachte en [medeverdachte 2] zijn samen naar het café gegaan. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat verdachte op de heenweg in de auto moet hebben gehoord dat [medeverdachte 3] een wapen bij zich had, dat daarover is gepraat en dat [medeverdachte 2] op een gegeven moment zei dat hij het wapen maar aan hem moest geven en dat hij het bij zich zou houden. Verdachte wist dus vóórdat hij met [medeverdachte 2] het café binnenging dat [medeverdachte 2] over een wapen beschikte;- verdachte raakte buiten het café in conflict met het slachtoffer, waarna tussen hen een vechtpartij ontstond;- tijdens die vechtpartij riep verdachte bij de deur van het café naar binnen naar [medeverdachte 2] : ' [roepnaam medeverdachte 2] , schiet, schiet', of woorden van gelijke strekking, waaruit blijkt dat verdachte wist dat [medeverdachte 2] over een wapen beschikte;- nadat [medeverdachte 2] deze opdracht had gegeven, is verdachte met het slachtoffer blijven vechten, zelfs nadat door [medeverdachte 2] al een schot was gelost;- vervolgens heeft [medeverdachte 2] nogmaals, meerdere keren op het slachtoffer geschoten;- hierna zijn verdachte en [medeverdachte 2] het café uitgevlucht, waarna zij samen met de anderen met wie zij waren gekomen in de auto zijn gestapt en zijn weggereden.
Gelet op deze gedragingen van verdachte en [medeverdachte 2] vóór, tijdens en na het plaatsvinden van het meermalen schieten in en door het lichaam van het slachtoffer, de daarbij gevolgde werkwijze, een en ander in onderling verband bezien, hebben verdachte en [medeverdachte 2] met betrekking tot het feit zodanig hecht en intensief samengewerkt dat zij beiden als medepleger van het feit kunnen worden aangemerkt. Het hof heeft hierbij mede gelet op de omstandigheid dat noch verdachte, noch [medeverdachte 2] zich op enigerlei wijze hebben gedistantieerd van voornoemde gedragingen. [medeverdachte 2] was als schutter de feitelijke pleger van het delict. Verdachte was degene die voorafgaand opdracht gaf aan medeverdachte [medeverdachte 2] en hij heeft daardoor een essentiële, wezenlijke, intellectuele bijdrage aan het delict geleverd. Zijn bijdrage aan het door verdachte gepleegde delict is daarmee naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht geweest, dat hij als medepleger van het delict is aan te merken.

Opzet

Nadat verdachte had geroepen dat [medeverdachte 2] moest schieten, is [medeverdachte 2] naar de vechtenden toegekomen en heeft hij op het slachtoffer geschoten. Dat hij daarbij gericht op het slachtoffer heeft geschoten, wordt bevestigd in de verklaring van [getuige 1] dat hij zag dat [medeverdachte 2] van dichtbij, gericht schoot in de richting van het slachtoffer en in de omstandigheid dat het slachtoffer door meerdere kogels is geraakt, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Het wordt voorts bevestigd door het sectierapport, waaruit, zoals hiervoor is gebleken, blijkt dat het slachtoffer onder meer een schotkanaal had door de romp, met daarbij onder andere perforatie van de linkerlong en het hart in de beide hartkamers.

Uit het feit dat verdachte [medeverdachte 2] opdracht gaf om te schieten en deze van dichtbij, gericht meermalen heeft geschoten in de richting van het slachtoffer, blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het met een vuurwapen schieten op een persoon kan leiden tot diens dood.

De bewijsverweren worden derhalve verworpen.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

Na het schietincident werd door het Team Forensische Opsporing uitvoerig technischonderzoek verricht. In het café werden diverse verschoten hulzen aangetroffen. Uitonderzoek van het NFI is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de hulzen zijnverschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan met andere vuurwapens van hetzelfdekaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De onderzochte hulzen zijn vermoedelijkverschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 7.65mmBrowning. De verschoten hulzen moeten worden gekwalificeerd als munitiedelen die zijngeschikt om te worden herladen, derhalve is sprake van munitie die geschikt is voorvuurwapens van de categorie III en dus van munitie in de zin van categorie III van de Wetwapens en munitie.
Gelet op de bewezenverklaring van feit l in samenhang met de hiervoor weergegevenbewijsmiddelen is het hof met de rechtbank van oordeel dat ook feit 2 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Nu het medeplegen van doodslag uit de onder feit l gebezigde bewijsmiddelen volgt, brengt dat mee dat uit die bewijsmiddelen tevens volgt dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte 2] , een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad (vgl. HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1760, ro. 4.4.). Verdachte wist immers dat [medeverdachte 2] een wapen bij zich droeg op grond van het gesprek over het wapen in de auto, maar meer bepaald door verdachte de opdracht te geven te schieten, moet verdachte tevens wetenschap hebben gehad van de aanwezigheid van munitie in dat wapen. Bovendien blijkt uit die opdracht dat hij een zekere beschikkingsmacht over het wapen en de munitie had. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof op grond van het voorgaande tezamen en in vereniging met verdachte een wapen en munitie voorhanden gehad. Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van feit 2.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III


1.hij op of omstreeks 3 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk, en met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen één of meermalen in en/of door het lichaam van die [slachtoffer] te schieten;




en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.




Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is in deze zaak driemaal onderzoek gedaan naar de geestvermogens van verdachte. De deskundigen hebben daarvan telkens een rapport opgemaakt. Het hof heeft van al deze rapporten kennis genomen. Het gaat om:

Tijdens het eerste onderzoek heeft verdachte volledig geweigerd medewerking te verlenen. Bij het tweede onderzoek heeft verdachte grotendeels geweigerd om mee te werken. In de onder a. en b. genoemde rapporten hebben de deskundigen dan ook gerapporteerd dat niet kan worden aangetoond of uitgesloten dat bij verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde sprake was van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Deze deskundigen hebben zich onthouden van een gedragskundig adviesover (onder meer) de toerekenbaarheid van de feiten, indien bewezen, aan verdachte.Aan het laatste onderzoek heeft verdachte wel meegewerkt. In het onder c. genoemde rapport hebben de deskundigen geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en narcistische trekken en een ernstige stoornis in cannabisgebruik. Tevens is er sprake van een ten hoogste laag-normale begaafdheid. Volgens de deskundigen bestonden deze stoornissen ook ten tijde van het ten laste gelegde en deze hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. Zij komen tot het advies om het ten laste gelegde moord c.q. doodslag in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Omtrent het wapenbezit kunnen de onderzoekers geen uitspraak doen, omdat betrokkene het wapenbezit ontkent.
Het hof neemt deze conclusie over. Dat betekent dat de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sancties

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Indien het hof komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van doodslag, dient het hof bij de strafmaat rekening te houden met de beperkte rol van verdachte in het geheel. Hij heeft niet geschoten en was niet de intellectuele dader die opdracht heeft gegeven om te schieten. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.Verdachte is gemotiveerd om behandeld te worden. Indien het hof de TBS-maatregel oplegt, wordt verzocht dat met voorwaarden te doen en niet met dwangverpleging. Indien het hof daar anders over denkt, zo begrijpt het hof, wordt subsidiair voorwaardelijk verzocht om het hiervóór onder c. genoemde rapport van het 'tripel'-onderzoek te laten aanvullen, in die zin dat de deskundigen alsnog aangeven in hoeverre zij de behandelbereidheid van verdachte hebben getoetst, in het licht van de drie jaar die hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten en in hoeverre hij daardoor wel gemotiveerd is om aan een behandeling mee te werken, zonder opportunistische motieven, aldus de verdediging.
Het hof overweegt – gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank – het volgende.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader [medeverdachte 2] schuldig gemaakt aan doodslag op de 24-jarige [slachtoffer] . Verdachte heeft in café [café] te Oostburg tijdens een ruzie zijn mededader in het café opdracht gegeven om op het slachtoffer te schieten door te roepen: ' [roepnaam medeverdachte 2] , schiet schiet' of woorden van gelijke strekking, waarna zijn mededader daadwerkelijk op het slachtoffer heeft geschoten. Het slachtoffer is hierdoor komen te overlijden. Er zijn meerdere schoten gelost, waarbij ook omstanders geraakt hadden kunnen worden. Immers, een aantal cafébezoekers bevond zich dichtbij de plaats waar later door de politie in een ruit een inschotbeschadiging werd aangetroffen.

Verdachte en zijn mededader hebben met deze schietpartij getoond geen respect te hebben voor het menselijk leven. Door het handelen van verdachte en zijn mededader hebben zij hetslachtoffer zijn meest fundamentele bezit ontnomen, namelijk het recht om te leven. Degewelddadige dood van zo'n jongeman is schokkend voor zijn familieleden, waarbij op deeerste plaats gedacht moet worden aan de vader, moeder en de broers van het slachtoffer.Ook voor de overige familieleden die bij het gezin betrokken waren moet de schok enormzijn geweest. Voorts kunnen de ogen niet worden gesloten voor de schok en de onrust diestrafbare feiten van dit kaliber in de samenleving teweegbrengen.
Verdachte heeft geen berouw getoond over zijn eigen handelen of oprechte spijt betuigd tegenover de nabestaanden. Het hof weegt daarbij mee dat verdachte een ontkennende proceshouding heeft ingenomen en een gebrek aan inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen ten toon heeft gespreid. Zijn houding op zitting geeft evenmin blijk van enig inzicht in zijn handelen.

Verdachte heeft zich daarnaast met zijn mededader schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt het hof rekening met het uittrekselvan de Justitiële Informatiedienst d.d. 25 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte reeds diverse malen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder in 2015 nog voor een poging tot doodslag, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en een poging tot zware mishandeling. In die zaak is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren. Ook is hem toen de TBS-maatregel met voorwaarden opgelegd. Dit betekent dat verdachte zich ten tijde van de onderhavige feiten in een TBS met voorwaarden bevond.Het hof neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij, ondanks die eerdere forse straf en de (ambulante) behandeling in het kader van de TBS-maatregel, opnieuw strafbare feiten heeft begaan, waaronder ditmaal een voltooid levensdelict, een van de ernstigste feiten die het Wetboek van Strafrecht kent.
Bij de bepaling van de strafmaat houdt het hof er rekening mee dat uit het hiervoor onder c. genoemde rapport blijkt dat de feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De deskundigen hebben in dat rapport voorts onder meer het volgende gerapporteerd:
'Betrokkene is als gevolg van zijn persoonlijkheidsstoornis niet alleen geneigd tot conflicten en daaruit voortvloeiende agressie, hij is vervolgens ook niet goed in staat een conflict adequaat te beëindigen. Hij overziet onvoldoende de risico’s die dat met zich meebrengt en hecht daaraan op dat moment ook geen waarde. Dit komt met name door zijn beperkte coping, zijn neiging tot fysiek agressief gedrag bij krenking, zijn beperkte empathische vermogens en zijn onvoldoende ontwikkelde gewetensfuncties, (alle kenmerken van de stoornis). Het blowen en alcoholgebruik (waarvan hij de effecten kent) verminderen de impulscontrole, alsook het vermogen tot empathie.

(…)

Er is sprake van langdurig bestaande psychopathologie, bij een voorgeschiedenis met meerdere geweldsdelicten. Dit betekent dat het recidive risico van een geweldsdelict groot is. Zelfs de klinische en ambulante behandelinterventies, uitgevoerd in het kader van de actuele Tbs met voorwaarden hebben niet of nauwelijks tot resultaat geleid. Betrokkene heeft zich ook slechts zeer beperkt ingezet, vanuit een opportunistische inslag, die bepaalt dat hij slechts dan meewerkt, wanneer hij er direct voordeel van krijgt, dan wel dat de nadelen van niet meewerken te groot zijn. Er is derhalve geen of nauwelijks intrinsieke motivatie tot veranderen.

Deze zorgelijke prognose wordt ondersteund door het risicotaxatie-instrument HKT-R. Betrokkene scoort op alle domeinen hoog (Historisch, Klinisch en Toekomstig) met een totaalscore van 70. Vanaf 55 bevindt men zich in de categorie 'hoog', terwijl de twee overige categorieën een 'laag' (0 – 42) of 'matig' (43 – 54) risico weergeven.

(…)

Enige bescherming zou uit kunnen gaan van het feit dat betrokkene vanuit welbegrepen eigenbelang zich redelijk in een duidelijke structuur kan voegen en dan beter in staat is af te zien van (instrumentele) agressie.

(…)

Zijn familie blijft positief betrokken en zal hem niet snel laten vallen. Dit netwerk is echter zeer klein. Andere steunende of beschermende factoren zijn helaas niet aanwezig, behoudens toezicht en controle. Uit de SAPROF9, een checklist voor beschermende factoren, blijkt dit ook: Van de zeventien mogelijke factoren zijn er slechts drie aan te wijzen: Een hechte band in de kindertijd; In enige mate een ondersteunend netwerk; Toezicht en controle.

(…)

De psychopathologie van betrokkene en het hoge risico op recidive worden hoogstens enigszins gematigd door het kleine aantal beschermende factoren.

(…)

Extern risicomanagement in een klinische setting met een hoge mate van beveiliging en structuur is aangewezen. Dit gezien de stoornissen van betrokkene, het grote risico op recidive in een geweldsdelict en het feit dat de huidige tbs met voorwaarden kennelijk niet voldoende preventief heeft gewerkt.

(…)

Ter voorkoming van recidive van gevaar voor personen is naar de mening van ondergetekenden een tbs met dwangverpleging aangewezen.

(…)'.

Het hof neemt dit advies over. Gelet op de gebrekkige ontwikkeling en de ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte en het hoge recidiverisico, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen verpleging van overheidswege eist. Het hof acht een dergelijke verpleging aangewezen, nu het gevaar voor herhaling groot is en het, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, niet verantwoord is de verdachte, zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd – waartoe klinische behandeling een bijdrage zou kunnen leveren – in de maatschappij te laten terugkeren. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de eerdere ondergane (ambulante) behandeling van verdachte in het kader van een TBS met voorwaarden evident onvoldoende vruchten heeft afgeworpen.

De maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.

Het hof heeft hierbij mede in acht genomen de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht en die deel uitmaken van het strafdossier, alsmede de ernst van het begane feit en de veelvuldigheid van voorafgegane onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijf in aanmerking.

Het door de verdediging subsidiair voorwaardelijk gedane verzoek om het hiervóór onder c. genoemde rapport van het 'tripel'-onderzoek te laten aanvullen, in die zin dat de deskundigen alsnog aangeven in hoeverre zij de behandelbereidheid van verdachte hebben getoetst, in het licht van de drie jaar die hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten en in hoeverre hij daardoor wel gemotiveerd is om aan een behandeling mee te werken, zonder opportunistische motieven, wijst het hof af, nu de noodzaak daarvan, gezien hetgeen in het verzoek is aangevoerd en de aard van het onderwerp waarover de informatie nadere gegevens kan aanleveren, alsmede de aard en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om deze informatie te verstrekken, het hof niet is gebleken en het hof zich met het oog op de volledigheid van het onderzoek ter zake voldoende voorgelicht acht.

Daarnaast kan naar het oordeel van het hof, gelet op het vorenstaande en op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, naast de genoemde maatregel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In het onderhavige geval acht het hof het passend en geboden, mede gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, dat aan verdachte tevens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, welke van aanmerkelijk langere duur is dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof heeft ter zake van de te bepalen duur van de gevangenisstraf nadrukkelijk de ernst van en de omstandigheden waaronder het onder 1 genoemde feit heeft plaatsgevonden gewogen en rekent deze de verdachte zwaar aan. Het hof acht de omstandigheid dat een simpele caféruzie door verdachte wordt beslecht door een medeverdachte op afroep opdracht te geven om degene waarmee verdachte ruzie maakt, neer te schieten, met een dodelijk slachtoffer als gevolg, een bepalende grondslag en reden vormt om een forse gevangenisstraf op te leggen. Ter bescherming van de maatschappij en gelet op de ernst van het bewezen verklaarde zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van tien jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst4 van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 5 maart 2017, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 20 februari 2018 vonnis gewezen. Verdachte heeft op 2 maart 2018 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op23 maart 2020. In hoger beroep is dus sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ongeveer 3 weken. Deze overschrijding is, mede gelet op de omvang van de zaak en de omstandigheid dat in hoger beroep op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord, dermate gering, dat het hof hieraan geen andere consequentie zal verbinden dan deze constatering.
Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.Van het overige, na te noemen, in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp zal het hof de teruggave aan verdachte gelasten.
Vordering van de benadeelde partij [broer slachtoffer]

De benadeelde partij [broer slachtoffer] (broer van het slachtoffer) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.930,27, waarvan € 14.930,27 ter zake van materiële schade en € 15.000,- ter zake van immateriële schade (shockschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.De rechtbank heeft de materiële schade gedeeltelijk toegewezen. Voor het overige heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, te vermeerderen met de kosten van het hoger beroep.

Voor wat betreft de gevorderde materiële schade (€ 14.930,27) overweegt het hof als volgt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 13.623,91 aan te merken is als redelijke kosten van lijkbezorging, dat deze kosten een rechtstreeks gevolgzijn van het bewezen verklaarde feit en dat verdachte aansprakelijk is voor die schade. Voornoemd bedrag bestaat uit de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de begrafenis(€ 7.810,17), de kosten met betrekking tot het plaatsen van een gedenkmonument (€ 950,-),de kosten met betrekking tot het houden van een herdenkingsdienst in Nederland (€ 240,-)en de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het maken en plaatsen van een grafsteen(€ 4.623,74).
De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering omdat zij heeft gepleit tot vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht om te beslissen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Het hof overweegt als volgt.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [broer slachtoffer] als gevolg van verdachtes onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 13.623,91. Verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Wat betreft de proceskosten acht het hof voor toewijzing vatbaar het gevorderde bedrag van € 192,70 voor wat betreft de reiskosten ten behoeve van de voorbereiding en de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en het gevorderde bedrag van € 193,96 voor wat betreft de reiskosten ten behoeve van de voorbereiding en de behandeling van de strafzaak in hoger beroep. In totaal komt daarmee ter zake van proceskosten voor vergoeding in aanmerking € 386,66.

Voor het overige acht het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering voor wat betreft de materiële schade. Deze kosten vallen naar het oordeel van het hof niet zonder meer onder de redelijke kosten van lijkbezorging. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voor wat betreft de gevorderde vergoeding wegens immateriële schade overweegt het hof het volgende.De benadeelde partij [broer slachtoffer] (broer van het slachtoffer) stelt als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen shockschade te hebben geleden.
Het hof stelt voorop, dat van shockschade slechts onder strikte voorwaarden sprake is. Shockschade is geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat ontstaat door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Hoe invoelbaar het leed van de nabestaande ook is, uit hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld blijkt niet dat aan deze strenge voorwaarde is voldaan. Ook een onderbouwing, met bijvoorbeeld een rapport van een psychiater of psycholoog, ontbreekt.

Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat voor het geven van gelegenheid om de vordering alsnog te onderbouwen geen ruimte is in het strafproces. Het onderzoek zou dan namelijk moeten worden heropend en dat zou vertraging van het strafproces en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom niet in dit deel van de vordering worden ontvangen en kan dat slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [broer slachtoffer]

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [broer slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 13.623,91. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf3 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vorderingen van de benadeelde partijen [moeder slachtoffer] en [vader slachtoffer]

De benadeelde partijen [moeder slachtoffer] en [vader slachtoffer] (ouders van het slachtoffer) hebben zich in eerste aanleg gezamenlijk in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.250,04, waarvan € 6.250,04 ter zake van materiële schade en € 15.000,- ter zake van immateriële schade (shockschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.De rechtbank heeft de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, te vermeerderen met de kosten van het hoger beroep.

Voor wat betreft de gevorderde materiele schade (€ 6.250,04) overweegt het hof met de rechtbank dat deze kosten naar het oordeel van het hof niet vallen onder de redelijke kosten van lijkbezorging. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering ter zake van de materiële schade. Zij kunnen de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voor wat betreft de gevorderde vergoeding wegens immateriële schade overweegt het hof het volgende.

De benadeelde partijen [moeder slachtoffer] en [vader slachtoffer] (ouders) stellen als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen shockschade te hebben geleden.

Ook hier stelt het hof voorop, dat van shockschade slechts onder strikte voorwaarden sprake is. Shockschade is geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat ontstaat door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Hoe invoelbaar het leed van de nabestaanden ook is, uit hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld blijkt niet dat aan deze strenge voorwaarde is voldaan. Ook een onderbouwing, met bijvoorbeeld een rapport van een psychiater of psycholoog, ontbreekt.

Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat voor het geven van gelegenheid om de vordering alsnog te onderbouwen geen ruimte is in het strafproces. Het onderzoek zou dan namelijk moeten worden heropend en dat zou vertraging van het strafproces en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen daarom niet in dit deel van de vordering worden ontvangen en kunnen dat slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 47, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

loweralpha

het rapport van het 'triple'-onderzoek Pro Justitia van [psychiater 1] , psychiater, en [GZ-psycholoog 1] , GZ-psycholoog, d.d. 21 april 2017;

het rapport Pro Justitia van [psychiater 2] , psychiater, en [GZ-psycholoog 2] , GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, d.d. 15 december 2017;

het rapport van het 'tripel'-onderzoek Pro Justitia van [psychiater 3] , psychiater, [klinisch psycholoog 1] , klinisch psycholoog en [forensisch milieuonderzoeker] , forensisch milieuonderzoeker, d.d. 18 oktober 2019.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.Gelast dat de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Beveelt de van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:* 7.00 stuks munitie; G 1686204.
Gelast de aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:*1.00 stuks mobiele telefoon, GTSTAR; G 1756032.
Vordering van de benadeelde partij [broer slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [broer slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van .

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 386,66 (driehonderdzesentachtig euro en zesenzestig eurocent)

Legt aan