Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2020:1043

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 23-03-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 23-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2020:1043, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-002113-18


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


1. hij op of omstreeks 22 maart 2014 te Well in de gemeente Bergen (L), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of (gewelddadig) geduwd, in elk geval geweld tegen die [slachtoffer] gebruikt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
2. hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2014 tot en met 5 november 2014 in de gemeente Bergen (L) en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer vals(e) of vervalst(e) (koop)overeenkomst(en) – (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), genoemde overeenkomst(en) heeft/hebben gebruikt als titel om (in rechte) van de erven van [slachtoffer] een geldbedrag van 1.400.000 euro te vorderen en/of om (vervolgens) beslag te laten leggen op vermogen van (de erven van) [slachtoffer] , en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat die overeenkomst(en) (telkens) was/waren voorzien van een valse handtekening, welke handtekening (telkens) moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer] ;
3.hij op of omstreeks 18 maart 2014, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 22 maart 2014, in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [betrokkene] door beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te bewegen om (een) misdrijf/misdrijven, te weten het (mede)plegen van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven van [slachtoffer] (art. 282 van het Wetboek van Strafrecht) en/of het (mede)plegen van het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer] (art. 289 van het Wetboek van Strafrecht) en/of het (mede)plegen van het wegvoeren en/of wegmaken van het lijk van [slachtoffer] , met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen (art. 151 van het Wetboek van Strafrecht) te begaan, die [betrokkene] met dat voornemen heeft verteld en/of gevraagd of hij, die [betrokkene] , met hem, verdachte, die wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of die moord en/of dat wegmaken van dat lijk wou begaan, en die [betrokkene] daartoe heeft verteld waar die [slachtoffer] te vinden zou zijn en/of hoe ze die zouden (kunnen) ontvoeren en/of dat er meerdere mogelijkheden waren om iemand dood te maken en/of waar ze het lijk van die [slachtoffer] zouden gaan dumpen (namelijk in cement van de Moerdijkbrug af in het water) en/of dat ze, althans hij, verdachte, losgeld zou(den) gaan vragen en/of welke financiële mogelijkheden daarna zouden bestaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1. hij op 22 maart 2014 te Well in de gemeente Bergen (L) [slachtoffer] heeft mishandeld door het gebruik van geweld tegen die [slachtoffer] , terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;
2. hij in de periode van 22 maart 2014 tot en met 5 november 2014 in Nederland meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse (koop)overeenkomsten – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, genoemde overeenkomst(en) heeft gebruikt als titel om (in rechte) van de erven van [slachtoffer] een geldbedrag van 1.400.000 euro te vorderen en om vervolgens beslag te laten leggen op vermogen van de erven van [slachtoffer] , en bestaande die valsheid hierin dat die overeenkomsten telkens waren voorzien van een valse handtekening, welke handtekening telkens moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer] .Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Parketnummer : 20-002113-18 Uitspraak : 23 maart 2020
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 20 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-721099-14 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1974,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres] ,thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid-West – De Dordtse Poorten te Dordrecht (open kamp).
Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 primair en feit 3 ten laste gelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als:- ‘mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’ (feit 1 subsidiair) en- ‘opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst’ (feit 2 primair),de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank drie stuks inbeslaggenomen papier verbeurd verklaard en de teruggave gelast van een pandbrief.

Namens de verdachte en door de officier van justitie in het arrondissement Limburg is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van gronden en met uitzondering van de beslissing tot verbeurdverklaring van drie stuks papier, het bestreden vonnis in zoverre zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, die drie stuks papier zal onttrekken aan het verkeer.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 1 primair

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met diens handelen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] . Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van hetgeen onder feit 1 primair aan hem ten laste is gelegd.

Vrijspraak van feit 3

De verdachte staat ingevolge hetgeen onder feit 3 aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van de poging tot uitlokking van [betrokkene] om samen met hem, verdachte, [slachtoffer] van zijn vrijheid te beroven, te vermoorden en/of diens lijk weg te maken om de oorzaak van het overlijden te verhullen en voor [slachtoffer] losgeld te vragen.

Het hof ziet zich bij de beoordeling of de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt mede voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat dit criminele voornemen was gericht op de persoon van die [slachtoffer] . In dat verband overweegt het hof als volgt.

Getuige [betrokkene] heeft bij gelegenheid van zijn verhoren door de politie op 26 augustus 2014 (dossierpagina’s 132 e.v.) en 8 september 2014 (dossierpagina’s 140 e.v.) verklaard dat hij omstreeks begin maart 2014 door de verdachte was benaderd met het plan om iemand te ontvoeren, daarvoor losgeld te vragen en vervolgens die man om het leven te brengen door hem bijvoorbeeld in cement te storten en van de Moerdijkbrug af in het water te dumpen. De verdachte vroeg [betrokkene] dit samen met hem te doen. De man die de verdachte op het oog had, was volgens [betrokkene] de eigenaar van een privéclub c.q. bordeelhuis. Op grond van de gedetailleerde beschrijving van [betrokkene] betrof het volgens de verhorend verbalisant [verbalisant 1] vermoedelijk privéclub [bordeel] te [plaats 1] . Er was ook een mede-eigenaar. De verdachte wilde de ene eigenaar ontvoeren om van de andere eigenaar losgeld te kunnen krijgen.
[betrokkene] verklaarde dat de verdachte hem vertelde dat de eigenaar wel zaken met hem, verdachte, wilde doen, maar dan moest hij wel geld zien. De verdachte wilde dat [betrokkene] een vermogend man zou spelen. Verder vertelde de verdachte aan [betrokkene] dat deze eigenaar wilde afspreken in een hotel in de buurt van zijn woning en wees [betrokkene] een hotel in Arcen aan.

Uit het procesdossier komt verder naar voren dat [betrokkene 2] de eigenaar is van genoemde privéclub. Hij is woonachtig aan [adres 2] te [plaats 2] , een straat die in het verlengde ligt van de [adres 1] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte hem had gezegd dat hij hem had gegoogled en de ligging van zijn huis kende, dat de verdachte telefonisch sprak over een rijke Turk die zijn zaak mogelijk wilde kopen en dat hij daarop op 5 maart 2014 met de verdachte in een hotel in Arcen had afgesproken omdat hij niet in zijn eigen woning met de verdachte had willen afspreken (dossierpagina’s 255 en 264).

[betrokkene] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord en heeft zijn verklaring bij de politie bevestigd. [betrokkene] wist niet wie de mede-eigenaar was. De verdachte wilde het slachtoffer de keuze laten alles vrijwillig over te maken en anders zou geweld worden gebruikt, aldus [betrokkene] .

Uit het dossier komen geen aanwijzingen naar voren dat [slachtoffer] de mede-eigenaar was van deze privéclub van [betrokkene 2] . Wel is gebleken dat [slachtoffer] daar vaker kwam, net als eerder de verdachte omdat diens toenmalige vriendin daar werkte. Ook kenden de verdachte en [slachtoffer] elkaar daarvan en had [betrokkene 2] een recht van hypotheek op de industriegrond van [slachtoffer] aan de [adres 3] in Venlo. Op 5 maart 2014 heeft op initiatief van de verdachte, die [betrokkene 2] tevoren telefonisch had gemeld een rijke Turk te kennen die de zaak ( [bordeel] ) van [betrokkene 2] mogelijk zou willen kopen, tussen de verdachte en [betrokkene 2] een zakelijke ontmoeting plaatsgevonden in een hotel in Arcen, vlakbij de woning van [betrokkene 2] . Dit komt aardig overeen met wat volgens de verklaring van [betrokkene] het plan van de verdachte was. In het hotel is gesproken over de verkoop van de zaak van [betrokkene 2] en over de verkoop van het stuk grond van [slachtoffer] door [slachtoffer] en [betrokkene 2] . De ‘rijke’ Turk was daar niet bij omdat deze volgens de verdachte op dat moment op Mallorca zou verblijven. De vervolgafspraak vond plaats op 15 maart 2014 in een hotel in Venlo, waarbij naast de verdachte en de beweerdelijke zoon van zijn ‘rijke’ Turkse zakenpartner (die aanwezig was omdat de zakenpartner zelf een gebroken heup zou hebben), behalve [betrokkene 2] ook [slachtoffer] aanwezig was (dossierpagina’s 255 en 263-264).
Al deze feiten en omstandigheden maken dat het hof de verklaringen van [betrokkene] betrouwbaar acht, nu deze steun vinden in het procesdossier. Op grond van het voorgaande is voor het hof echter niet boven redelijke twijfel verheven dat het voornemen om iemand van zijn vrijheid te beroven, te vermoorden en/of diens lijk weg te maken zag op [slachtoffer] . Hoewel een enkele passage uit het verhoor van [betrokkene] bij de raadsheer-commissaris daarop zou kunnen wijzen, wijzen andere passages in diens verklaringen en diverse andere feiten en omstandigheden niet op die [slachtoffer] , maar eerder op [betrokkene 2] als zijnde de persoon op wie de verdachte het gemunt had. Gelet op deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof het onder feit 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen. Mitsdien zal het hof, even als de rechtbank, de verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, in het onderzoek 23TG1404, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , brigadier van politie, gesloten d.d. 21 juli 2016, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-1280.

ECLI:NL:GHSHE:2020:1043:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


1. hij op of omstreeks 22 maart 2014 te Well in de gemeente Bergen (L), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of (gewelddadig) geduwd, in elk geval geweld tegen die [slachtoffer] gebruikt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
2. hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2014 tot en met 5 november 2014 in de gemeente Bergen (L) en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer vals(e) of vervalst(e) (koop)overeenkomst(en) – (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), genoemde overeenkomst(en) heeft/hebben gebruikt als titel om (in rechte) van de erven van [slachtoffer] een geldbedrag van 1.400.000 euro te vorderen en/of om (vervolgens) beslag te laten leggen op vermogen van (de erven van) [slachtoffer] , en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat die overeenkomst(en) (telkens) was/waren voorzien van een valse handtekening, welke handtekening (telkens) moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer] ;
3.hij op of omstreeks 18 maart 2014, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 22 maart 2014, in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [betrokkene] door beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te bewegen om (een) misdrijf/misdrijven, te weten het (mede)plegen van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven van [slachtoffer] (art. 282 van het Wetboek van Strafrecht) en/of het (mede)plegen van het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer] (art. 289 van het Wetboek van Strafrecht) en/of het (mede)plegen van het wegvoeren en/of wegmaken van het lijk van [slachtoffer] , met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen (art. 151 van het Wetboek van Strafrecht) te begaan, die [betrokkene] met dat voornemen heeft verteld en/of gevraagd of hij, die [betrokkene] , met hem, verdachte, die wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of die moord en/of dat wegmaken van dat lijk wou begaan, en die [betrokkene] daartoe heeft verteld waar die [slachtoffer] te vinden zou zijn en/of hoe ze die zouden (kunnen) ontvoeren en/of dat er meerdere mogelijkheden waren om iemand dood te maken en/of waar ze het lijk van die [slachtoffer] zouden gaan dumpen (namelijk in cement van de Moerdijkbrug af in het water) en/of dat ze, althans hij, verdachte, losgeld zou(den) gaan vragen en/of welke financiële mogelijkheden daarna zouden bestaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1. hij op 22 maart 2014 te Well in de gemeente Bergen (L) [slachtoffer] heeft mishandeld door het gebruik van geweld tegen die [slachtoffer] , terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;
2. hij in de periode van 22 maart 2014 tot en met 5 november 2014 in Nederland meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse (koop)overeenkomsten – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, genoemde overeenkomst(en) heeft gebruikt als titel om (in rechte) van de erven van [slachtoffer] een geldbedrag van 1.400.000 euro te vorderen en om vervolgens beslag te laten leggen op vermogen van de erven van [slachtoffer] , en bestaande die valsheid hierin dat die overeenkomsten telkens waren voorzien van een valse handtekening, welke handtekening telkens moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer] .Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Parketnummer : 20-002113-18 Uitspraak : 23 maart 2020
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 20 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-721099-14 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1974,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres] ,thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid-West – De Dordtse Poorten te Dordrecht (open kamp).
Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 primair en feit 3 ten laste gelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als:- ‘mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’ (feit 1 subsidiair) en- ‘opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst’ (feit 2 primair),de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank drie stuks inbeslaggenomen papier verbeurd verklaard en de teruggave gelast van een pandbrief.

Namens de verdachte en door de officier van justitie in het arrondissement Limburg is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van gronden en met uitzondering van de beslissing tot verbeurdverklaring van drie stuks papier, het bestreden vonnis in zoverre zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, die drie stuks papier zal onttrekken aan het verkeer.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 1 primair

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met diens handelen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] . Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van hetgeen onder feit 1 primair aan hem ten laste is gelegd.

Vrijspraak van feit 3

De verdachte staat ingevolge hetgeen onder feit 3 aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van de poging tot uitlokking van [betrokkene] om samen met hem, verdachte, [slachtoffer] van zijn vrijheid te beroven, te vermoorden en/of diens lijk weg te maken om de oorzaak van het overlijden te verhullen en voor [slachtoffer] losgeld te vragen.

Het hof ziet zich bij de beoordeling of de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt mede voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat dit criminele voornemen was gericht op de persoon van die [slachtoffer] . In dat verband overweegt het hof als volgt.

Getuige [betrokkene] heeft bij gelegenheid van zijn verhoren door de politie op 26 augustus 2014 (dossierpagina’s 132 e.v.) en 8 september 2014 (dossierpagina’s 140 e.v.) verklaard dat hij omstreeks begin maart 2014 door de verdachte was benaderd met het plan om iemand te ontvoeren, daarvoor losgeld te vragen en vervolgens die man om het leven te brengen door hem bijvoorbeeld in cement te storten en van de Moerdijkbrug af in het water te dumpen. De verdachte vroeg [betrokkene] dit samen met hem te doen. De man die de verdachte op het oog had, was volgens [betrokkene] de eigenaar van een privéclub c.q. bordeelhuis. Op grond van de gedetailleerde beschrijving van [betrokkene] betrof het volgens de verhorend verbalisant [verbalisant 1] vermoedelijk privéclub [bordeel] te [plaats 1] . Er was ook een mede-eigenaar. De verdachte wilde de ene eigenaar ontvoeren om van de andere eigenaar losgeld te kunnen krijgen.
[betrokkene] verklaarde dat de verdachte hem vertelde dat de eigenaar wel zaken met hem, verdachte, wilde doen, maar dan moest hij wel geld zien. De verdachte wilde dat [betrokkene] een vermogend man zou spelen. Verder vertelde de verdachte aan [betrokkene] dat deze eigenaar wilde afspreken in een hotel in de buurt van zijn woning en wees [betrokkene] een hotel in Arcen aan.

Uit het procesdossier komt verder naar voren dat [betrokkene 2] de eigenaar is van genoemde privéclub. Hij is woonachtig aan [adres 2] te [plaats 2] , een straat die in het verlengde ligt van de [adres 1] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte hem had gezegd dat hij hem had gegoogled en de ligging van zijn huis kende, dat de verdachte telefonisch sprak over een rijke Turk die zijn zaak mogelijk wilde kopen en dat hij daarop op 5 maart 2014 met de verdachte in een hotel in Arcen had afgesproken omdat hij niet in zijn eigen woning met de verdachte had willen afspreken (dossierpagina’s 255 en 264).

[betrokkene] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord en heeft zijn verklaring bij de politie bevestigd. [betrokkene] wist niet wie de mede-eigenaar was. De verdachte wilde het slachtoffer de keuze laten alles vrijwillig over te maken en anders zou geweld worden gebruikt, aldus [betrokkene] .

Uit het dossier komen geen aanwijzingen naar voren dat [slachtoffer] de mede-eigenaar was van deze privéclub van [betrokkene 2] . Wel is gebleken dat [slachtoffer] daar vaker kwam, net als eerder de verdachte omdat diens toenmalige vriendin daar werkte. Ook kenden de verdachte en [slachtoffer] elkaar daarvan en had [betrokkene 2] een recht van hypotheek op de industriegrond van [slachtoffer] aan de [adres 3] in Venlo. Op 5 maart 2014 heeft op initiatief van de verdachte, die [betrokkene 2] tevoren telefonisch had gemeld een rijke Turk te kennen die de zaak ( [bordeel] ) van [betrokkene 2] mogelijk zou willen kopen, tussen de verdachte en [betrokkene 2] een zakelijke ontmoeting plaatsgevonden in een hotel in Arcen, vlakbij de woning van [betrokkene 2] . Dit komt aardig overeen met wat volgens de verklaring van [betrokkene] het plan van de verdachte was. In het hotel is gesproken over de verkoop van de zaak van [betrokkene 2] en over de verkoop van het stuk grond van [slachtoffer] door [slachtoffer] en [betrokkene 2] . De ‘rijke’ Turk was daar niet bij omdat deze volgens de verdachte op dat moment op Mallorca zou verblijven. De vervolgafspraak vond plaats op 15 maart 2014 in een hotel in Venlo, waarbij naast de verdachte en de beweerdelijke zoon van zijn ‘rijke’ Turkse zakenpartner (die aanwezig was omdat de zakenpartner zelf een gebroken heup zou hebben), behalve [betrokkene 2] ook [slachtoffer] aanwezig was (dossierpagina’s 255 en 263-264).
Al deze feiten en omstandigheden maken dat het hof de verklaringen van [betrokkene] betrouwbaar acht, nu deze steun vinden in het procesdossier. Op grond van het voorgaande is voor het hof echter niet boven redelijke twijfel verheven dat het voornemen om iemand van zijn vrijheid te beroven, te vermoorden en/of diens lijk weg te maken zag op [slachtoffer] . Hoewel een enkele passage uit het verhoor van [betrokkene] bij de raadsheer-commissaris daarop zou kunnen wijzen, wijzen andere passages in diens verklaringen en diverse andere feiten en omstandigheden niet op die [slachtoffer] , maar eerder op [betrokkene 2] als zijnde de persoon op wie de verdachte het gemunt had. Gelet op deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof het onder feit 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen. Mitsdien zal het hof, even als de rechtbank, de verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, in het onderzoek 23TG1404, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , brigadier van politie, gesloten d.d. 21 juli 2016, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-1280.

1.

Ik woon sinds 2004 op het adres [woonadres slachtoffer] te Well (Lb), binnen de gemeente Bergen (L), samen met mijn vriend [slachtoffer] . Ik ben vanmorgen naar Venlo gegaan. We spraken af dat ik [slachtoffer] zou bellen hoe laat ik naar huis zou komen zodat hij mij dan van de bushalte zou komen afhalen.
Om 19.15 uur heb ik [slachtoffer] op zijn mobiele telefoon gebeld. Ik kreeg [slachtoffer] aan de lijn en vertelde dat ik omstreeks 20.30 uur in Well zou zijn. [slachtoffer] zei toen dat ik moest bellen op het moment dat ik in Well zou zijn.

Toen ik om 20.30 uur in Well was heb ik [slachtoffer] op zijn mobiele nummer gebeld. Ik hoorde dat de telefoon wel overging maar deze werd niet opgenomen. Hierop ben ik naar huis gelopen. Dit duurt ongeveer 20 minuten naar mijn schatting.

Toen ik bij de voordeur aangekomen was, zag ik dat deze open stond. (…) Toen ik vervolgens de woning betrad zag ik dat in de gehele woning licht brandde. Verder zag ik dat de deur naar de slaapkamer compleet vernield was. Ik ben vervolgens naar [slachtoffer] gaan zoeken en trof hem bloedend aan in de kelder.
2.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] d.d. 23 maart 2014, dossierpagina’s 360-374, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] :
Gisteren, zaterdag 22 maart 2014, zei [slachtoffer] dat hij ’s avonds bezoek zou krijgen, om ongeveer 18.00 uur of 19.00 uur.
Om 19.15 uur had ik [slachtoffer] gebeld. (…) Tijdens het gesprek vroeg ik aan [slachtoffer] hoe hij zich voelde en ik vroeg hem of de vrienden er al waren. [slachtoffer] zei dat die er nog niet waren. (…) Hij zei dat het goed ging.

Vraag verbalisanten: Hoe laat was u met de bus in Well?Antwoord getuige: Om 20.25 uur. (…) Ik ging weer met [slachtoffer] bellen, nadat ik uit de bus was gestapt. Ik hoorde dat zijn telefoon wel over ging, maar er werd niet opgenomen. (…) In mijn telefoon kunt u nog zien dat:- ik om 7.17 uur () heb gebeld met [slachtoffer] , 41 seconden.- ik om 8.29 uur () heb gebeld met [slachtoffer] , 3 seconden. Toen nam hij niet op.

Opmerking verbalisant:Ik zie in de telefoon van de getuige dat zij op 22 maart 2014 op genoemde tijdstippen 2 uitgaande gesprekken heeft met het telefoonnummer van [slachtoffer] .
Ik zag dat de deur van de keuken naar de slaapkamer rechts open stond. Deze is normaal altijd dicht. Deze deur was helemaal kapot.
De deur van de kelder stond half open. Ik ben de trap helemaal afgelopen. Ik zag dat [slachtoffer] verderop in de kelder op de grond lag, tegen de achtermuur. Hij [lag] op zijn buik, met zijn hoofd naar de linker muur, gezien vanuit de trap. (…) Ik zag dat zijn hoofd donkerpaars gekleurd was. Ik zag een heleboel bloed op de grond, bij zijn hoofd.Ik zag aan zijn gezicht dat het ernstig was. Daarna ben ik snel naar de buren gerend, [buurman] en [buurvrouw] . (…) Volgens mij heeft [buurman] de ambulance gebeld.
3.

Op zaterdag 22 maart 2014 te 21.06 uur werd er met de vaste telefoonaansluiting [telefoonnummer] gebeld naar de Meldkamer Ambulance. (…) Uit getuigenverklaringen bleek dat [buurman] de melder was.
[buurman] : Op de [woonadres slachtoffer] in Well ligt een bloedende man voorover in de kelder. Ik weet niet of hij nog leeft. (…) Hij reageert helemaal niet. (…) Volgens mij ademt hij niet meer (…) Ik denk dat hij dood is.

4.

Op zaterdag 22 maart 2014 omstreeks 21.30 uur was ik op het adres [woonadres slachtoffer] te Well in de gemeente Bergen. Ik was daar in opdracht van de meldkamer van de politie Limburg.
Ik werd op genoemd adres aangesproken door de ter plaatste ambulanceverpleegkundige [ambulancemedewerker] . (…) Ik hoorde dat [ambulancemedewerker] mij verklaarde dat hij op aanwijzing van de vriendin van de man (het hof begrijpt: [getuige 1/vriendin slachtoffer] ) naar de kelder gewezen was en dat hij daar een levenloos persoon aangetroffen had. Nadat deze man op de apparatuur aangesloten was bleek deze te zijn overleden.
5.

Letsels

(Hof: de deskundige beschrijft diverse letsels, genummerd 1 tot en met 20.

LetseldateringHof: voorafgaand (pagina’s 1169-1170) wordt steeds gesproken van “0 uren tot maximaal 1 uur”
Definitieve sectiebevindingen

A. Uitwendig

B. Inwendig

1. Er was onder de letsels aan het hoofd beperkte bloeduitstorting zichtbaar.2. Er was enige bloeduitstorting onder de kapsels van de linkerslaapspier.(…)5. Er waren meerdere ribbreuken, zowel links als rechts, er was evenwel slechts geringe bloeduitstorting in de weke delen nabij de breuken aanwezig. 6. Er was extreme harthypertrofie (gewicht 710 gram, normaal circa 400 gram). Er waren aanwijzingen voor recente infarcering van de achter- en zijwand van de linkerkamer, alsmede het achterste 1/3 deel van het septum. Er was forse atherosclerose van de coronairen (kransslagaderen van het hart).

EPICRISE

Deze letsels waren het gevolg van herhaaldelijke inwerking van uitwendig botsend mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld kan passen bij herhaaldelijk vallen, stoten of slaan. Aanvullende letseldatering bevestigde de gedachte dat er twee of meer perioden van geweldinwerking zijn geweest: een serie enige tijd voor de dood en een serie zeer kort voor de dood. De letsels leken uitwendig substantieel, echter inwendig was geen schade van dien aard dat deze letsels een grote rol van betekenis toegedicht kan worden met betrekking tot het intreden van de dood. Aanvullend neuropathologisch onderzoek bevestigde deze veronderstelling.
CONCLUSIE

6.

Postmortaal werd van het lichaam van [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] , een totale body-CT en een MRI van de hals gemaakt, beide op 23 maart 2014 in het MUMC.

Overweging en conclusie:Er worden tekenen gezien van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals, op de rug hoog beiderzijds en laag links op de rug en in de flank links. Er zijn letsels van beide handen en op de linker knie. Omdat de letsels zowel op de voorzijde als op de achterzijde van het lichaam aanwezig zijn, zijn de letsels niet te verklaren door een enkelvoudig uitwendig inwerkend geweld. De diepe letsels in de hals en nek zijn naar alle waarschijnlijkheid ontstaan door een heftiger inwerkend geweld dan de meer oppervlakkig gelegen letsels in de onderhuidse vetweefsels. De ribfracturen en de lucht in de weke delen van de borstholte zijn te verklaren door een compressie van de borst.

7.

Ik ben het met de patholoog Van de Goot en radioloog Hofman eens dat de letsels bij leven zijn opgelopen door herhaaldelijk inwerken van uitwendig botsend mechanisch geweld op het lichaam. De letsels kunnen passen bij stoten, vallen, ergens tegenaan botsen (…). Herhaaldelijk toegepast geweld door derden op het lichaam van [slachtoffer] is ook mogelijk. De gevonden letsels in de aangetroffen verdeling over het lichaam passen niet bij een simpele val b.v. van de keldertrap.Het onderzoek van het hart is zondermeer adequaat uitgevoerd en ik onderschrijf de bevindingen van de heer Van de Goot. Er was sprake van een ziekelijk veranderd hart en van een groot recent hartinfarct. Het overlijden kan daarmee goed worden verklaard.
Op grond van alleen de sectiebevindingen is geen direct causaal verband vast te stellen tussen het oplopen van de geweldsinwerkingen en het ontstaan van het hartinfarct. Het is echter wel mogelijk maar niet zondermeer te bewijzen dat stressverschijnselen en pijn bij het oplopen van de verwondingen hebben bijgedragen tot het ontstaan van het hartinfarct.

8.

Op zondag 23 maart 2014, vanaf ongeveer 01.45 uur, hebben wij in de kelder van het pand [woonadres slachtoffer] te Well een sporenonderzoek ingesteld aan het stoffelijk overschot van het slachtoffer: [slachtoffer] . Het slachtoffer lag in de hoek van een kelderruimte. In en rondom de mond van het slachtoffer zat bloed. Boven de rechter arm en naast de rechterzijde van het hoofd was een bloedvlek op de vloer. (…) Deze bloedvlek is ontstaan doordat er bloed uit de mond van het slachtoffer op de vloer is gelopen. Gezien de afwezigheid van bloedspatten, die kunnen duiden op geëxpireerd bloed (uitgeademd bloed) in combinatie met de aanwezigheid van bloed in de mond van het slachtoffer, kan gesteld worden dat het slachtoffer in de door de ambulance aangetroffen positie, waarschijnlijk niet meer heeft uitgeademd.
9.

Op de trui AAEX3424NL is bloed aangetroffen. De trui AAEX3424NL is op meerdere plaatsen bemonsterd met als doel celmateriaal te verzamelen van diegene(n) die met deze kleding in contact is (zijn) geweest.

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAEX3424NL#01 tot en met #08 bemonsteringen van een tui

(Hof: de diverse deelbemonsteringen betreffen, gelet op de fotobijlage op dossierpagina 973: AAEX3424NL#02 de achterzijde van de kraag, AAEX3424NL#04 de linker bovenarm, AAEX3424NL#07 de rechter bovenzijde van de rug, rond de schouderAAEX3424NL#08 de linker bovenzijde van de rug, rond de schouder).
Resultaten, interpretatie en conclusie

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

Toelichting:3. Onder de aanname dat de onbekende man A donor is van celmateriaal in de bemonstering AAEX3424NL#07 en onder de aanname dat het celmateriaal in deze bemonstering afkomstig is van twee personen, is het DNA-profiel van de andere donor van het celmateriaal in deze bemonstering afgeleid. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RABE7476NL matcht met dit afgeleide DNA-profiel. Dit betekent dat [verdachte] donor kan zijn van celmateriaal in deze bemonstering. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

4

colA

colB

colC

colD

SIN

Beschrijving DNA-profiel/celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

Toelichting

Trui AAEX3424NL

AAEX3424NL#02, #04 en #08

DNA-mengprofiel van (minimaal) twee personen: onbekende man A en verdachte [verdachte]

niet berekend vanwege resultaten bemonstering AAEX3424NL#07

AAEX3424NL#07

DNA-mengprofiel van (minimaal) twee personen: onbekende man A en verdachte [verdachte]

kleiner dan één op één miljard (afgeleid DNA-profiel)

3

10.

Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] is vergeleken met de eerder verkregen DNA-profielen in deze zaak. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met de eerder verkregen DNA-profielen gekoppeld aan onbekende man A (zie het deskundigenrapport van aanvraag 002 (het hof begrijpt: bewijsmiddel 9). Vanwege deze matches en omdat de onderzochte bemonsteringen afkomstig waren van (kleding van) het slachtoffer wordt aangenomen dat het slachtoffer [slachtoffer] onbekende man A is.
11.Proces-verbaal van onderzoek telecommunicatie d.d. 16 mei 2014, dossierpagina’s 644-650, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 9] :
Tijdens het ingestelde onderzoek zijn getuigen gehoord die verklaren over recente activiteiten van het slachtoffer. Hieruit is gebleken dat het slachtoffer contacten heeft gehad met een persoon van wie zijn personalia niet bekend waren. Deze persoon is bekend onder de roepnaam ‘ [bijnaam verdachte] ’. Deze [bijnaam verdachte] heeft met een andere op dit moment onbekende persoon zakelijke contacten hebben gehad met het slachtoffer. Deze [bijnaam verdachte] en de onbekende persoon hadden kennelijk interesse in een kunstbeeld wat in de woning van het slachtoffer aanwezig was. Na onderzoek in de diverse systemen is gebleken dat genoemde [bijnaam verdachte] wellicht kan zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum in het jaar] 1974, wonende aan de [voormalig woonadres verdachte] . Van [bijnaam verdachte] werden de historische belgegevens opgevraagd van enkele telefoonnummers die aan hem te relateren zijn, waaronder het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Uit de woning van het slachtoffer werd de mobiele telefoon van het slachtoffer ontvreemd, voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Uit de historische verkeersgegevens van de genoemde telefoonnummers blijkt onder andere het navolgende.
Uit de lijst met historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [bijnaam verdachte] blijkt dat deze op 22 maart 2014 te 17.26.29 uur telefonisch contact heeft gehad met [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft naar hem gebeld en het gesprek had een duur van 32 seconden. [bijnaam verdachte] was op dat moment onder bereik van een ‘cell id’ die behoort tot een mast die staat in Nieuwer ter Aa. Bij het eerstvolgende contact, op 22 maart 2014 te 19.22.59 uur, was [bijnaam verdachte] onder bereik van cell id 30859. Deze cel lid bereikt een geografische gebied ten noorden van Well richting Bergen.

Uit het vorenstaande blijkt dat [bijnaam verdachte] op 22 maart 2014 omstreeks 19.22 uur geografisch gezien op korte afstand van de plaats delict was. Hemelsbreed zal dat maximaal 5 kilometer geweest zijn, uitgaande van het uiterste bereik van cel lid 30859. Opvallend is dat () dit het allerlaatste telefonisch contact is op de lijst met historische verkeersgegevens, welke zijn opgevraagd tot en met 24 maart 2014.
12.

Zaterdag 22 maart 2014 rond 17.39 uur ging de bel van onze woning aan de [adres 4] te Well. (…) Ik zag dat voor de voordeur de voor mij bekende [slachtoffer] , wonend te Well, stond.
[slachtoffer] vroeg aan mij of ik een apparaat had waarmee hij kon nakijken of het vals geld is of niet. (…) [slachtoffer] vertelde tegen mij dat hij een beeld had verkocht en dat ze deze vanavond zouden komen ophalen en dat hij wilde weten of het geld echt was, want hij vertrouwde tegenwoordig niemand meer. (…) Verder in het gesprek vertelde [slachtoffer] aan mij dat hij een beeld welke op de schouw stond verkocht had voor 50.000 euro.

[slachtoffer] vertelde mij ook dat hij drie gegadigden had die zijn zaak wilden kopen in Venlo.

13.

Vraag verbalisanten: [getuige 3] , wij gaan je een telefoongesprek voorlezen tussen [verdachte] en jou van 18 juni 2014 20:13:52 uur. Jij werd toen gebeld door [verdachte] . (…)

Vraag verbalisanten: [verdachte] vertelt dat er beslag is gelegd op dat huis en de spullen. Jij vraagt dan hoe het dan verder gaat. (…) Je blijft vragen stellen aan [verdachte] . Je weet gewoon waar het over gaat.Antwoord getuige: Ja, [verdachte] (…) heeft een advocaat genomen om een rechtszaak aan te spannen.
[verdachte] vertelde mij dat hij iets met antiek wilde kopen of verkopen. Ook dat hij een stuk grond kon kopen of verkopen. Daarmee kon hij veel geld verdienen. (…) [verdachte] heeft mij wel eens verteld dat hij beschikte over papieren waarmee hij naar zijn advocaat kon gaan, zodat hij beslag kon leggen. (…) Ik weet dat [verdachte] schulden heeft.Ja, ik weet dat [verdachte] bezig was met een plan. [verdachte] wilde ergens veel geld mee verdienen. Over dat beslag en zo. (…)
Er waren dingen die niet over de telefoon mochten. [verdachte] heeft mij verteld dat ‘daar’ iemand was overleden. (…) [verdachte] heeft mij verteld dat die man een hartaanval heeft gekregen toen hij daar was. (…) [verdachte] heeft mij verteld dat hij gewoon weggegaan is. (…)

Oké ik zal het vertellen. [verdachte] heeft mij verteld dat hij naar die man toe moest om zijn zaken af te handelen. (…) [verdachte] vertelde mij dat hij gezellig nog wat gedronken had daar. [verdachte] vertelde dat de gesprekken niet goed liepen en dat de zaken niet rond kwamen. [verdachte] vertelde dat de spanningen op liepen (…). [verdachte] vertelde dat die man plotseling naar zijn hartstreek greep en niet goed werd. [verdachte] vertelde dat die man toen op de grond viel. (…) hij zag dat die man helemaal blauw keek, alsof hij geen lucht meer kreeg. (…) [verdachte] vertelde dat hij toen die woning is uitgegaan en dat hij geen politie of ziekenauto heeft gebeld. (…)

[verdachte] heeft mij niets verteld over andere mensen. Alleen dat hij daar samen was met die man en dat hij gevlucht is toen die man helemaal blauw in zijn gezicht keek. (…) [verdachte] vertelde dat ze in het huis van die man in gesprek waren en dat er iets gebeurde met die man, [dat hij] iets kreeg met zijn ademhaling of met zijn hart en dat die man toen op de grond viel.

14.

Vraag verbalisant: [verdachte] , jij wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij een diefstal op een man te Well Lb, waarbij deze man is komen te overlijden. (…)

Ik ben in dat huis (het hof begrijpt: het huis aan de [woonadres slachtoffer] te Well) geweest, ik heb in de keuken gestaan, ik ben in de kelder geweest. (…)

Ik ben met de heer [slachtoffer] in contact gekomen. Hij had een stuk grond en dat wilde ik kopen als investering. (…) Een bedrag van 1.000.000 euro was voor de [adres 3] (het hof begrijpt: de [adres 3] te Venlo waaraan het perceel grond ligt) en 400.000 euro voor het Engelenbeeld. Ik heb hiervoor een contract opgesteld (…).

Ik had afgesproken dat ik zaterdag de 22ste (het hof begrijpt: 22 maart 2014) het beeld kwam ophalen. (…) Ik ben toen ook gestopt bij het tankstation (…).

Ik had een afspraak tussen 18.00 en 19.00 uur. (…) Ik was later omdat mijn band van mijn auto los zat. Ik ben toen bij een tankstation gestopt (…). Ik ben daar ongeveer een ½ uur tot ¾ uur geweest. Ik denk dat dit was tussen kwart voor acht en half negen. Ik heb koffie gedronken (…)

Zij noemden mij [bijnaam verdachte] .

.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 10 juli 2014, dossierpagina’s 1215-1224 in combinatie met het nagenoeg verbatim uitgewerkte verhoor als vervat in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2014, dossierpagina’s 1225-1251, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :

16.

Vraag verbalisanten: Wat kun je verklaren over deze afbeelding ()?Antwoord verdachte: Dat ben ik bij het tankstation, (…), kijk maar de tijd klopt ook nog.
bold italic

Ik treed als belanghebbende op voor de erven van [slachtoffer] en ben als zodanig gerechtigd aangifte te doen. De erven zijn mijn broer [tweede zoon slachtoffer] en ik. De vriendin van mijn vader [getuige 1/vriendin slachtoffer] (…) heeft een legaat gekregen.

Op een gegeven moment, halverwege mei 2014, ontving [getuige 1/vriendin slachtoffer] per post en per aangetekende post brieven van advocatenkantoor [advocaat] te Haarlem. In deze brieven stond dat mijn vader op 19 maart 2014 € 1.400.000 contant had ontvangen voor de verkoop van een stuk grond in Venlo en het houten Engelenbeeld. Dit geld werd nu teruggevorderd omdat mijn vader het contract niet zou zijn nagekomen.

De bijgevoegde stukken zouden destijds 19 maart 2014 ondertekend zijn door mijn vader. (…) Ik heb eerder handtekeningen aan het onderzoeksteam verstrekt van mijn vader, dit ter vergelijking met de handtekeningen van mijn vader.
(…) Bij deze handtekeningen is de naam van mijn vader geschreven. Echter, het zijn zeker niet zijn handtekeningen. (…) Ook de handgeschreven versie is niet door mijn vader geschreven. (…) Normaal gesproken zou mijn vader, bijvoorbeeld bij de verkoop van een beeld, zelf een koopcontract schrijven. Zijn handschrift is onmiskenbaar anders dan het contract waarvan de heer [verdachte] ons wil doen laten geloven dat mijn vader het opgesteld heeft. Het contract zou normaal gesproken ook door hemzelf opgesteld worden en niet door de koper. (…) Mijn vader is een doorgewinterde zakenman. Wanneer mijn vader een stuk grond zou verkopen dan zou uiteraard een straat, een perceelnummer en een kadastraal nummer genoemd worden, Er zouden ook handelingen plaats moeten vinden bij de notaris. Mijn vader zou dit altijd via de officiële weg doen (…)

Ik doe bij dezen namens alle erven van [slachtoffer] aangifte (…) van valsheid in geschrifte.
18.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] d.d. 27 mei 2014, dossierpagina’s 388-391, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] :
Onlangs ontving ik enkele brieven in mijn brievenbus. (…) Ik denk op 16 of 17 mei 2014, ik weet de precieze datum niet meer zeker, ontving ik de eerste brief gedateerd op 15 mei 2014. (…) Het betrof een originele brief met een overeenkomst, een koopovereenkomst, en een factuur, deze bijlagen betroffen allen kopieën.
Een of twee dagen daarna ontving ik een brief die een dag later gedateerd was, namelijk op 16 mei 2014. (…) De tweede brief betrof enkel de brief die ik reeds eerder ontvangen had, zonder de bijlagen, met dien verstande dat deze brief gedateerd was 16 mei 2014 en dat bij de adressering niet stond Well LB, maar Bergen LB.

Daarna ontving ik een klein briefje waarin vermeld stond dat ik aangetekende post op kon komen halen in de kleine winkel in Well, een soort postwinkel. Het betrof een kopie van de brief die gedateerd was van 15 mei met de bijlagen die ik reeds eerder per post ontvangen had.

Daarna ontving ik opnieuw een briefje waarin mij gevraagd werd post op te komen halen en ontving ik opnieuw een aangetekende brief. Het betrof de eerdere brief die ik ook per post ontving gedateerd 16 mei 2014 zonder de bijlagen.

Er staat in vermeld dat [slachtoffer] geld ontvangen zou hebben voor de verkoop van de Engel en een stuk grond en dat men een bedrag van 1,4 miljoen euro terugvordert. De brief is afkomstig van een advocatenkantoor genaamd [advocaat] .

Ik kan u zeggen dat er op woensdag 19 maart 2014 geen geld aan [slachtoffer] betaald werd. Ik was die avond ook thuis en ik heb de twee mannen die hier waren gezien. Ik ben er voortdurend bij geweest. Er is geen geld uitbetaald. De twee mannen hadden die avond wel een grote tas bij zich en [slachtoffer] zei tegen mij dat in die tas geld zou zitten. Ik vroeg aan [slachtoffer] of hij dat geld dan gezien had. [slachtoffer] zei dat hij dat geld niet gezien had.

De twee mannen spraken met [slachtoffer] over de koop van de Engel, maar er vond die avond geen koop plaats. (…) Ik heb [slachtoffer] die avond geen overeenkomst zien tekenen. Ik ben voortdurend bij hen gebleven. Dus als er iets door [slachtoffer] getekend was, dan had ik dat moeten zien. (…) [slachtoffer] vertelde mij dat die twee mannen cash wilden betalen. Toen de mannen die woensdagavond 19 maart 2014 vertrokken waren, vroeg ik aan [slachtoffer] waarom ze dan het beeld niet gekocht hadden. [slachtoffer] zei tegen mij dat ze er nog over na moesten denken. Een van de mannen zei tegen [slachtoffer] bij het instappen in de auto ‘zaterdag’. Daaruit leidde ik af dat ze kennelijk op zaterdag weer af wilden spreken. Ik waarschuwde [slachtoffer] voor die mannen. Ik had er geen goed gevoel over. Ik zei tegen hem dat ik liever niet wilde dat hij zaterdag met hen afsprak. (…)

De handtekening op de overeenkomsten is niet de handtekening van [slachtoffer] . Op die wijze maakt [slachtoffer] zijn handtekening niet.

19.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 11 september 2014, dossierpagina’s 220-226, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 4] :

Vraag verbalisanten: Hoe is dat nu eigenlijk gegaan die woensdagavond de 19e maart 2014?Antwoord getuige: Ja we kwamen dus met de auto aan daar in Well. (…) We waren met zijn tweeën. (…) Er waren daar een man en een vrouw (het hof begrijpt: [slachtoffer] en [getuige 1/vriendin slachtoffer] ). (…) [verdachte] , die man en ik zijn aan de tafel gaan zitten.

Antwoord getuige: Volgens mij ging het direct over het beeld (…) Ik moest een koffer vasthouden. (…) [verdachte] had mij verteld dat daar het geld in zat voor het beeld.

Vraag verbalisanten: Wat gebeurd er met die koffer na het moment dat jij uit de auto stapt?Antwoord getuige: Ik heb die koffer mee naar binnen genomen. Die koffer heeft de gehele tijd bij mij gestaan. In dat hele uur is die koffer niet open geweest. Ik heb die koffer ook weer mee naar de auto genomen. Ik heb de koffer weer op de achterbank gezet.

Vraag verbalisanten: [getuige 4] , hoe zat dat met die tas?Antwoord getuige: Ja, zoals ik al eerder verklaarde heb ik die tas gedragen. Ik weet wel dat er geen geld uit die tas is gekomen. Ik heb geen geld gezien. Ik heb ook geen handelingen gezien die er op leken dat er geld betaald werd. Ik heb die tas onder controle gehad en daar is geen geld uit gekomen.

Vraag verbalisanten: Wat weet jij van het ondertekenen van papieren?Antwoord getuige: Ik heb niets gezien van het tekenen van een koopovereenkomst. Op die dag heb ik in elk geval niets gezien.
17.Proces-verbaal van aangifte door [zoon slachtoffer] d.d. 16 juni 2014, dossierpagina’s 294-296, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] :


20.

Op maandag 19 mei 2014 ontving ik van de teamleiding, onderzoeksteam 23TG1404, de opdracht om bij [betrokkene 2] , [adres 2] te [plaats 2] , documenten op te halen die daarnaartoe waren gebracht door [getuige 1/vriendin slachtoffer] , de vriendin van wijlen [slachtoffer] .

Op 19 mei 2014 omstreeks 15.30 uur ontving ik van [betrokkene 2] voornoemd diverse documenten. Dit betrof:-1) een kopie van een handgeschreven overeenkomst.-2) een kopie van een koopovereenkomst.-3) een kopie van een factuur.-4) een kopie van twee brieven van advocatenkantoor [advocaat] .-5) een kopie van een bladzijde van een contract tussen [betrokkene 2] en [slachtoffer] , met daarop de handtekening van [slachtoffer] .

De betreffende documenten werden door mij verbalisant in beslag genomen.

Op 20 mei 2014 werd door mij nader onderzoek verricht aan de documenten. Hieruit bleken de navolgende bijzonderheden.

1) Handgeschreven overeenkomst opgesteld door [verdachte] waarin gesteld wordt dat [verdachte] een bedrag van 1.400.000 euro contant heeft betaald aan [slachtoffer] op woensdag 19 maart 2014, 20.37 uur, voor de aankoop van een houten Engelenbeeld en aanbetaling van een perceel grond te Venlo. De brief is ondertekend () voor ontvangst door [slachtoffer] en voor afgifte door [verdachte] . De handtekening () van [slachtoffer] werd vergeleken met de handtekening op het contract tussen [betrokkene 2] en [slachtoffer] (zie bovengenoemd document 5). De beide handtekeningen kwamen in het geheel niet met elkaar overeen. Op dinsdag 20 mei 2014 werd als getuige gehoord [zoon slachtoffer] , zoon van [slachtoffer] . Hem werd de handtekening getoond welke geplaatst was op de overeenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] . [zoon slachtoffer] verklaarde dat dit niet de handtekening was van zijn vader. [zoon slachtoffer] toonde ons een kopie van een handtekening van zijn vader. De handtekening op deze kopie kwam overeen met de handtekening op het contract tussen [betrokkene 2] en [slachtoffer] .
2) Een koopovereenkomst machinaal uitgewerkt gedateerd 19 maart 2014.In deze koopovereenkomst staan als partijen genoemd verkoper: [slachtoffer] , [woonadres slachtoffer] Well en koper de heer [verdachte] , wonende te [voormalig woonadres verdachte] .Beschreven in deze koopovereenkomst is de koop/verkoop van een Engelenbeeld Braun en een perceel grond te Venlo.Nadere beschrijvingen van de 2 objecten staan er niet in.Artikel 1 spreekt over het ontvangen door [slachtoffer] van 400.000 euro.Artikel 2 spreekt over het ontvangen van een aanbetaling van 1.000.000 euro voor het perceel grond. Hieruit zou dan kunnen worden afgeleid dat er 400.000 euro voor het beeld zou zijn betaald.Artikel 3 spreekt over het feit dat het beeld op 22 maart 2014 klaar moest staan voor vervoer inclusief de bijbehorende papieren.Artikel 4 spreekt over een geldigheid verklaring koopovereenkomst.Artikel 5 behelst een clausule bij niet nakomen van de gemaakte afspraken. Het bedrag zou dan moeten worden teruggestort aan de koper.Artikel 6 behelst een clausule bij niet tijdig afleveren, nakomen of overlijden of andere bijkomende zaken. Het totale bedrag zal dan moeten worden teruggestort aan de koper. De koopovereenkomst werd wederom ondertekend door ([slachtoffer] en [verdachte] . De handtekening () van [slachtoffer] kwam grotendeels overeen met de handtekening op het geschreven contract (bijlage 1) en kwam dus ook geheel niet overeen met de handtekening () van [slachtoffer] in andere rechtsgeldige contracten zoals vermeld in de bijlagen 5 en 6.

3) Een factuur opgesteld 19 maart 2014 door koper [verdachte] voornoemd en [slachtoffer] voornoemd. Gesteld bedrag totaal 1.400.000 euro. Vermeld staat dat de factuur betaald is op 19 maart 2014 en dat aflevering zal geschieden op 22 maart 2014. Tevens staat vermeld dat de factuur het bewijs van betaling is.

4) Een brief met rechts bovenin het logo van advocatenkantoor [advocaat] c.s. (…). Als briefhoofd [is vermeld] AANTEKENEN EN PER GEWONE POST aan gezamenlijke erven heer [slachtoffer] , [woonadres slachtoffer] , [postcode] Bergen. De brief is voorzien van de afzendplaats Haarlem d.d. 15 mei 2014. Gesteld wordt dat 1.400.000 euro binnen 10 dagen moet worden overgemaakt op ING Bank [bankrekeningnummer] t.n.v. Stichting derdengelden [advocaat] c.s. advocaten. Dit gelet op artikel 5 en 6 van de koopovereenkomst. De brief is getekend door advocaat [advocaat] .

5) Een brief met rechts bovenin het logo van advocatenkantoor [advocaat] c.s. (…). Als briefhoofd [is vermeld] AANTEKENEN EN PER GEWONE POST aan gezamenlijke erven heer [slachtoffer] , [woonadres slachtoffer] , [postcode] Bergen. De brief is voorzien van de afzendplaats Haarlem d.d. 16 mei 2014. Gesteld wordt dat 1.400.000 euro binnen 10 dagen moet worden overgemaakt op ING Bank [bankrekeningnummer] t.n.v. Stichting derdengelden [advocaat] c.s. advocaten. Dit gelet op artikel 5 en 6 van de koopovereenkomst. De brief is getekend bij de naam [advocaat] met vermelding van de letters ‘nd’.Deze brief is vrijwel identiek aan de brief vermeld in bijlage 4. Afwijkingen betreffen de adressering in de plaatsnaam Bergen en Well LB en de verzenddatum 15 en 16 mei.

21.

[adres advocatenkantoor] te Haarlem ( [postcode 2] )

bezocht, in het kader van het onderzoek tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1974

Mr. [advocaat] overhandigde de stukken als vermeld op aangehechte lijst aan de rechter-commissaris.
Hetgeen vermeld is op de aangehechte lijst, heeft de rechter-commissaris, onder afgifte van een gedag- en ondertekend afschrift daarvan, in beslag genomen.

BIJLAGE

Lijst van goederen en bescheiden, die tijdens de zoeking op het adres als vermeld in het proces-verbaal waarvan deze bijlage deel uitmaakt, in beslag zijn genomen.

- Originele getypte koopovereenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] ();- Een factuur ();- Originele handgeschreven koopovereenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] ().

22.

De 4 documenten zijn bemonsterd voor een DNA-onderzoek (zie hieronder).
DNA-onderzoek

AAHP5799NL#01 bemonstering van vouwranden van een akte (document 1: koopovereenkomst 19 maart 2014)AAHP5799NL#02 bemonstering van vouwranden van een akte (document 2: vervolg koopovereenkomst 19 maart 2014)AAHP5799NL#03 bemonstering van een akte, ter hoogte van de handtekening van [verdachte] (document 2: vervolg koopovereenkomst 19 maart 2014)AAHP5799NL#04 bemonstering van vouwranden van een akte (document 4: handgeschreven overeenkomst)

Resultaten, interpretatie en conclusie

In tabel 1 staat vermeld of van het onderzochte sporenmateriaal een (voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikt) DNA-profiel is verkregen en, zo ja, van wie het celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn. Dit betekent dat als een persoon niet vermeld wordt, er op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek geen aanwijzing is voor de aanwezigheid van zijn of haar celmateriaal in die bemonstering.

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

Toelichting:1. In het DNA-profiel van het celmateriaal in deze bemonstering zijn enkele zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar die duiden op de aanwezigheid van een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Deze zwak aanwezige DNA-kenmerken zijn te gering in aantal en intensiteit om te betrekken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Evaluatie bevindingen vergelijkend DNA-onderzoek Bemonstering AAHP5799NL#04
Er wordt aangenomen dat de bemonstering AAHP5799NL#04 celmateriaal bevat van drie personen en dat de onbekende man B (…) één van deze personen is. Onder deze aannamen zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder de volgende hypothesen:

Hypothese I

Hypothese II

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als hypothese I juist is, dan als hypothese II juist is.

4

colA

colB

colC

colD

SIN

Beschrijving DNA-profiel/celmateriaal kan afkomstig zijn van
Matchkans DNA-profiel

Toelichting

AAHP5799NL#01

DNA-profiel van (minimaal) een man

niet berekend

1

AAHP5799NL#02

DNA-profiel van (minimaal) een man

niet berekend

1

AAHP5799NL#03

geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikt DNA-profiel verkregen

-

-

AAHP5799NL#04

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen
DNA-hoofdprofiel

zwak aanwezig DNA-kenmerken van minimaal twee personen

kleiner dan één op één miljard
zie ‘Evaluatie bevindingen vergelijkend DNA-onderzoek’
-
-
-
23.

()Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte [verdachte] werd een kopie van een handgeschreven overeenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] aangetroffen en in beslag genomen (afbeelding 17).
()Op 7 november 2014 werden door de getuige [zoon slachtoffer] diverse documenten met daarop de handtekening van het slachtoffer [slachtoffer] aan het onderzoekstam overhandigd. Deze werden als referentiemateriaal overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut.Door het NFI werd een vergelijkend handschriftonderzoek gedaan. Hiervoor werden onder andere de onderstaande documenten gebruikt:

24.

Rapport vergelijkend handschriftonderzoek inzake een koopovereenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] , opgemaakt door drs. W.P.F. Fagel, deskundige handschriftonderzoek bij het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 19 mei 2015, dossierpagina’s 1053-1065, voor zover inhoudende de bevindingen van voornoemde deskundige:

De handtekeningen voor [slachtoffer] op de bladen #002 en #004 van de in origineel overgelegde koopovereenkomst [AAHP5799NL] en de handtekening voor [slachtoffer] op de in kopie overgelegde koopovereenkomst [AAHP5801NL] zijn bij dit onderzoek als betwist beschouwd. Als referentiemateriaal met betrekking tot de vraag of deze betwiste handtekeningen door [slachtoffer] zelf zijn geplaatst dienden diens handtekeningen op de diverse documenten [AAHP5793NL] (hof: diverse niet aan de onderhavige verdenking gerelateerde documenten met de handtekening van [slachtoffer] , vide dossierpagina 1055).
Resultaten vergelijking handschrift koopovereenkomsten

Resultaten vergelijking betwiste handtekeningen met die van [slachtoffer]

Conclusies Zijn de koopovereenkomsten door dezelfde persoon geschreven?
Hypothese T1: De tekst op blad #004 van de in origineel overgelegde overeenkomst [AAHP5799NL] is door dezelfde persoon geschreven als de tekst van de gelijkluidende, maar in kopie overgelegde overeenkomst [AAHP5801NL].Hypothese T2: De teksten van deze twee overeenkomsten zijn door verschillende personen geschreven.

De resultaten van het vergelijkend onderzoek tussen deze overeenkomsten zijn wanneer hypothese T1 juist is (de overeenkomsten zijn door dezelfde persoon geschreven) dan wanneer hypothese T2 juist is.

Zijn de betwiste handtekeningen door [slachtoffer] zelf gezet?

Hypothese T1: De betwiste handtekening is een authentieke handtekening van [slachtoffer] .Hypothese T2: De betwiste handtekening is een vervalsing van de handtekening van .

De resultaten van het vergelijkend onderzoek tussen elk van de betwiste handtekeningen en de referentiehandtekeningen van [slachtoffer] zijn wanneer hypothese H2 juist is (de handtekeningen zijn vervalsingen) dan wanneer hypothese H1 juist is.

-

geprinte uitgewerkte koopovereenkomst (SIN-nr. AAHP5799NL#002);

handgeschreven koopovereenkomst (SIN-nr. AAHP5799#004);

kopie handgeschreven koopovereenkomst (afbeelding 17/SIN-nr. AAHP5801);

het genoemde referentiemateriaal overhandigd door [zoon slachtoffer] .

25.

1. Verzoeker () heeft op 19 maart 2014 een overeenkomst gesloten met de heer [slachtoffer] . Deze overeenkomst (productie 2) heeft betrekking op de koop van een houten engelenbeeld van Braun, alsmede op de aanbetaling op een perceel grond in Venlo.(…)3. In de koopovereenkomst - artikel 6 - is bepaald dat bij onder meer overlijden van de verkopende partij het totaal bedrag retour zal worden geboekt.4. Kort na het ondertekenen van de koopovereenkomst, doch vóór het leveren van het houten beeld aan verzoeker, is de heer [slachtoffer] komen te overlijden.(…)11. Verzoeker heeft ter verzekering van zijn aanspraken op verweerders belang bij een conservatoir beslag op de volgende onroerende zaken van de overledene:* het pand staande en gelegen te Well (LB) aan de [woonadres slachtoffer] ,* het industrieterrein gelegen te Venlo aan de [adres 3] (…).
12. Daarnaast wordt uw rechtbank verzocht om verzoeker verlof te verlenen zijn vordering te verzekeren middels conservatoir beslag op de volgende roerende zaken welke zich bevinden in het pand te Well (LB) aan de [woonadres slachtoffer] :(…)Gouden Engelenbeeld ()(…)
Redenen waarom:1. Verzoeker U Edelachtbare verzoekt om zijn vordering op gerekwestreerde inclusief renten en kosten voorshands vast te stellen op € 1.820.000,00 (…) en hem verlof te verlenen de aldus vastgestelde vordering te verzekeren middels conservatoir beslag- op het onroerend goed te Well (LB) aan de [woonadres slachtoffer] , kadastraal bekend Bergen (L) [kadastrale aanduiding 1]- op het onroerend goed te Venlo aan de [adres 3] , kadastraal bekend Venlo [kadastrale aanduiding 2]- op de roerende zaken als vermeld in het verzoekschrift omschreven sub 12, welke zich bevinden in het pand te Well (LB) aan de [woonadres slachtoffer] .
26.

Gezien aangehecht verzoekschrift.
1. het verzoekschrift, waarmee requirant zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewend heeft met de daarop door deze op 12 juni 2014 gegeven beschikking, houdende verlof aan requirant tot het doen leggen van conservatoir beslag op de in na te noemen proces-verbaal omschreven onroerende zaken;
2. een proces-verbaal d.d. 13 juni 2014 van gerechtsdeurwaarder R.J.H. van de Ven, ter vestigingsplaats Venlo, waarbij uit kracht van de onder 1. genoemde beschikking, op verzoek van requirant conservatoir beslag is gelegd op de in dat proces-verbaal omschreven onroerende zaken.
Verleent verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de in het verzoekschrift genoemde onroerende zaken en (onder meer) het houten engelenbeeld van Braun, onder vaststelling van het bedrag waarvoor het verlof wordt verleend, met inbegrip van de kosten waarin de schuldenaar zal kunnen worden veroordeeld, op € 1.820.000,-.

27.

bold italic

Beslagexploit d.d. 17 juni 2014, betekend aan de gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] , dossierpagina’s 318-319, voor zover inhoudende:
mevr. [getuige 1/vriendin slachtoffer] , partner en huisgenote van wijlen [slachtoffer] ;

(…)

betekend:

28.

bold

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2014, dossierpagina 554, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] :
Op dinsdag 17 juni was ik samen met een deurwaarder op het adres [woonadres slachtoffer] te Well. Ik was aldaar om de deurwaarder te assisteren met een beslaglegging op een houten beeld (…) genaamd de Houten engel van Braun. Het beslag was in opdracht van [advocaat] Advocaten uit Haarlem. Op opdrachtgever was ene [verdachte] . Het houten beeld is in de woning gebleven. Het ging om een conservatoir beslag.

29.

2. Deze koopovereenkomst (productie 1) heeft betrekking op de koop van een houten engelenbeeld van de kunstenaar Braun, alsmede op de aanbetaling op een perceel grond in ( [postcode 3] ) Venlo. Dit stuk grond is gelegen aan de [adres 3] .
11. Zoals aangegeven heeft [verdachte] uit hoofde van de koopovereenkomst (artt. 5 jo. 6) een opeisbare vordering op de erven groot € 1.400.000,00 te vermeerderen met rente en kosten.
Heden, de negentiende juni tweeduizendveertien, ten verzoeke van [verdachte] (…) heb ik, mr. J.A.M. Geraedts, toegevoegd gerechtsdeurwaarder te Venlo, gedagvaard:

de gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , overleden op 22 maart 2014 en laatstelijk wonende te [postcode] Well, gemeente Bergen LB aan het adres [woonadres slachtoffer] , alwaar woonachtig is zijn overlevende partner [getuige 1/vriendin slachtoffer] , mitsdien aldaar aan dat woonhuis mijn exploot doende en afschrift dezes, alsmede van na te melden stukken, latende aan: (…) om:

op woensdag de tweede juli tweeduizendveertien, ’s morgens om 10.00 uur, niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat te verschijnen ter terechtzitting van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, zitting houdende in het gerechtsgebouw aan de Willem II Singel 67 te 6041 HR Roermond:

(…)

TENEINDE: alsdan namens mijn rekwirant als eiser te horen eis doen op de volgende gronden:Feiten1. Eiser in deze procedure, de heer [verdachte] (verder ‘ [verdachte] ’), heeft op 19 maart 2014 een koopovereenkomst gesloten met de heer [slachtoffer] (verder ‘ [slachtoffer] ’).
(…)

VORDERING

(…)

MITSDIEN:Het de rechtbank behage om gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, te veroordelen om aan eiser tegen behoorlijke kwijting te voldoen het boven aangegeven bedrag groot € 1.400.000,00 (ZEGGE: ÉÉNMILJOENVIERHONDERDDUIZEND EURO) te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 15 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen verschotten, die van beslaglegging, griffierecht en van het salaris advocaat.
30.