Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:993

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 14-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:993, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.237.213_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 14 maart 2019Zaaknummer: 200.237.213/01Zaaknummer eerste aanleg: C/02/269973 FA RK 13-5554
in de zaak in hoger beroep van:

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,
tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats] ,verweerder,hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. A.M.E. Derks.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant

gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,hierna te noemen: de raad.

ECLI:NL:GHSHE:2019:993:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 14 maart 2019Zaaknummer: 200.237.213/01Zaaknummer eerste aanleg: C/02/269973 FA RK 13-5554
in de zaak in hoger beroep van:

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,
tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats] ,verweerder,hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. A.M.E. Derks.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant

gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,hierna te noemen: de raad.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 16 januari 2018.

2

2.1.
Bij beroepschrift van 12 april 2018 met producties, ingekomen ter griffie op 13 april 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat [minderjarige] zelf kan bepalen wanneer zij een zorg- en contactregeling heeft met de vader, en te bepalen dat de moeder en de vader alles in het werk zullen stellen dat er op termijn een regelmatige zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de vader zal zijn.
2.2.
Bij verweerschrift van 24 mei 2018 met producties, ingekomen ter griffie op diezelfde datum, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de moeder in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:- het V2-formulier met daarin het onttrekkingsbericht van de advocaat van de moeder van 30 januari 2019, ingekomen ter griffie van het hof op 31 januari 2019.
2.3.1.
De moeder heeft op 6 februari 2019 telefonisch contact gezocht met de griffie en aangegeven haar verzoek in te willen trekken.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-

de vader, bijgestaan door mr. A.M.E. Derks;

de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.1.
De moeder en de GI zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
overwegingen

3

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .
3.2.
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige] .
3.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3.4.
[minderjarige] staat sinds 4 september 2015 onafgebroken onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 4 maart 2019.
3.5.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 december 2013 gewijzigd en bepaald, dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact:
-

éénmaal per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] telkens ophaalt bij de moeder en haar daar weer terugbrengt;

gedurende twee aaneengesloten weken in de zomervakantie, één week in de kerstvakantie en de helft van de algemeen erkende feestdagen.

De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.
3.6.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.1.
De moeder voert het volgende aan. De rechtbank heeft een zorg- en contactregeling opgelegd die niet in het belang van [minderjarige] is, aangezien [minderjarige] onder die contactregeling lijdt. Zo ondervindt [minderjarige] hierdoor fysieke problemen en lijkt ook het gedrag van [minderjarige] te veranderen. De moeder vreest in een vertrouwensconflict met [minderjarige] te komen door haar telkens te moeten dwingen tot het hebben van contact met de vader. De moeder staat daarom achter het advies van de kindercoach om [minderjarige] zelf de regie te geven ten aanzien van het uitvoeren van een contactregeling met de vader. De GI staat hier ook achter. Ondanks de zorgen die de moeder heeft over de gevolgen van de contactregeling op [minderjarige] probeert zij [minderjarige] te enthousiasmeren en doet de moeder haar uiterste best om uitvoering te geven aan de regeling. Het is voor de moeder gezien het voorgaande onbegrijpelijk dat de rechtbank constateert dat de moeder weerstand zou hebben tegen de omgang. De moeder betreurt het dat in dit kader de gezinsvoogdijwerker hen geen ondersteuning biedt.
3.7.
De vader voert het volgende aan. De vader vraagt om bekrachtiging van de bestreden beschikking. De vader wil graag een zorg- en contactregeling met zijn dochter en zou graag zien dat [minderjarige] in staat wordt gesteld een band op te bouwen met de vader, de stiefmoeder en de twee stiefbroertjes die zij inmiddels heeft. Het is daarvoor noodzakelijk dat de moeder [minderjarige] emotionele toestemming verleent het contact met de vader aan te gaan. De moeder betwist weerstand te hebben tegen het hebben van contact tussen [minderjarige] en de vader, maar door alle lopende procedures is er de afgelopen vijf jaar geen of nauwelijks contact tussen [minderjarige] en de vader geweest. De vader heeft hierdoor meerdere keren in rechte de medewerking van de moeder aan de uitvoering van de contactregeling af moeten dwingen. De afgelopen periode is er af en toe contact geweest, waarbij [minderjarige] recentelijk twee nachtjes bij de vader heeft geslapen. De moeder leeft de uitspraak van de rechtbank aldus niet na. De vader betwist overigens dat de kindercoach geadviseerd heeft dat de regie bij [minderjarige] zelf zou moeten liggen, hetgeen ook door de GI op de zitting bij de rechtbank is bevestigd. De moeder overlegt ook geen bewijs ter onderbouwing van haar standpunt. Het is in de visie van de vader niet in het belang van [minderjarige] de regie bij haar te leggen. Dit zal dan juist een situatie creëren waarin de moeder de regie krijgt, hetgeen onwenselijk is. [minderjarige] heeft een ‘’duwtje in de rug’’ nodig om haar te stimuleren en motiveren in het hebben van contact met de vader. De moeder handelt in strijd met artikel 1:247 BW nu zij tekortschiet in haar verplichting het contact met de vader te bevorderen. Door de houding van de moeder is er sprake van een ernstige vorm van ouderverstoting/oudervervreemding.
3.8.
De raad voert het volgende aan. De bestreden beschikking moet bekrachtigd worden. De vader wacht geduldig af, ondanks dat hij [minderjarige] door toedoen van moeder niet mag zien volgens de regeling die de rechtbank heeft vastgesteld. De vader geeft door zijn houding blijk van zijn beschikbaarheid voor [minderjarige] als ze naar hem toekomt. De moeder laat een patroon zien waarin zij het contact tussen [minderjarige] en de vader tegenhoudt en vertraagt. Ook geeft zij geen emotionele toestemming aan [minderjarige] om bij haar vader te zijn. Het zou goed zijn als de moeder en [minderjarige] voor een periode van twee maanden afstand van elkaar nemen, zodat het contact met de vader en [minderjarige] plaats kan vinden. Ook zou het goed zijn als de moeder zelf zich tot een psychologe zou wenden.
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
Ingevolge artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van lid 2 van dit artikel kan deze regeling omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechter dient een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
3.9.2.
De moeder heeft op 6 februari 2019 rond 17.00 uur telefonisch aan de griffie van het hof doorgegeven dat zij haar verzoek in hoger beroep intrekt. Aan de moeder is hierop door de griffie te kennen gegeven dat zij haar beroep niet telefonisch in kan trekken en dat de mondelinge behandeling op 7 februari 2019 door zou gaan. De vader heeft vervolgens ter zitting desgevraagd aangegeven dat de moeder hem de avond voorafgaand aan de zitting een mail heeft gestuurd met de mededeling dat zij ziek is en daardoor niet ter zitting zou kunnen verschijnen. De moeder gaf in de mail ook aan dat zij ermee bekend was dat de mondelinge behandeling door zou gaan. Zij heeft in de mail aan de vader niet gesproken over een eventuele intrekking van haar verzoek.
3.9.3.
Nog afgezien van het feit dat de identiteit van de moeder telefonisch niet vastgesteld kan worden is het, zeer bijzondere omstandigheden daargelaten, niet mogelijk het verzoek telefonisch in te trekken. Het hof heeft daarom besloten de zaak inhoudelijk te behandelen, ondanks de afwezigheid van de moeder tijdens de mondelinge behandeling. De moeder was er van op de hoogte dat de mondelinge behandeling zou plaatsvinden.Het hof heeft geconstateerd dat de moeder opnieuw niet de volledige medewerking verleent aan een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. De vader geeft aan dat [minderjarige] bijvoorbeeld enkel met kerst twee nachten bij de vader heeft verbleven, en daarnaast recentelijk ook twee nachten. Na de kerst is er vijf weken helemaal geen fysiek contact geweest, waarbij de moeder ook niet reageert op de berichten van de vader. Daarbij geeft de moeder [minderjarige] ook geen emotionele toestemming bij haar vader te mogen zijn door [minderjarige] bijvoorbeeld belastende berichten te sturen tijdens een bezoek aan de vader. Gelet op het verhandelde ter zitting en de ingekomen stukken ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen dan de rechtbank. Het hof bekrachtigt de beschikking derhalve op dezelfde gronden als de rechtbank die het hof na eigen waardering en afweging overneemt en tot de zijne maakt.Het hof benadrukt nogmaals dat het niet in het belang van [minderjarige] is om, zoals de moeder wenst, haarzelf de autonomie te geven over het al dan niet hebben van contact met haar vader.
Het hof betreurt het overigens dat de GI niet aanwezig was op de mondelinge behandeling.Het hof stelt vast dat de raad ter zitting van het hof heeft aangegeven dat er vanuit de GI wel wat meer druk op de ketel gelegd mag worden en dat de raad dan ook contact zal opnemen met de GI.
3.9.4.
Gelet op de houding van de moeder in de hoger beroepsprocedure heeft het hof alle aanleiding om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure zoals door de man verzocht. Het hof vreest echter dat de moeder een dergelijke veroordeling negatief zal uitleggen aan [minderjarige] en dat dit vervolgens tegen de vader zal worden gebruikt, hoewel dat uiteraard niet hoort te gebeuren. Om ieder risico te vermijden zal het hof om die reden en in dit specifieke geval nu niet overgaan tot een proceskostenveroordeling maar zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, gelet op de aard van de zaak.
3.10.
Het voorgaande leidt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.
beslissing

4




Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 januari 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en M.L.F.J. Schyns en is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2019, door mr. C.A.R.M. van Leuven in tegenwoordigheid van de griffier.