Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:991

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 14-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:991, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.190.620_01 en 200.190.636_01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:991:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht- mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder), bijgestaan doormr. C. Stroobach;- Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling);- de pleegouders van [minderjarige 2] - [family support centre] Family Support Centre in [vestigingsplaats] , Polen,- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader), bijgestaan doormr. H. Plantenga;- Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling);- de pleegouders van [minderjarige 2] .- [family support centre] Family Support Centre, gevestigd in [vestigingsplaats] , Polen.
Uitspraak: 14 maart 2019Zaaknummers: 200.190.620/01 en 200.190.636/01Zaaknummer eerste aanleg: C/01/301207 / FA RK 15-6243
in de zaak in hoger beroep (nummer 200.190.620/01) van:

[de vader]

wonende te [woonplaats] , Polen,appellant,hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. H. Plantenga,
tegen

Raad voor de Kinderbescherming

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,verweerder, hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

Als informant wordt aangemerkt:

en in de zaak in hoger beroep (nummer 200.190.636/01) van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] , Polen,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. C. Stroobach,
tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,verweerder,hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

Als informant wordt aangemerkt:

18

- een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de in rechtsoverweging 16.5 geformuleerde onderzoeksvragen, genummerd 1 tot en met 8;- tot deskundigen benoemd drs. E.A. Sanders, kinder- en jeugdpsychiater,en dr. C.A.E.M. Goosen MDR, forensisch mediator;- bepaald dat de nadere mondelinge behandeling in onderhavige zaak zal plaatsvinden op5 februari 2019;- bepaald dat de kosten die met het deskundigenonderzoek zijn gemoeid door de Staat worden voldaan;- iedere verdere beslissing ten aanzien van [minderjarige 2] aangehouden.
Bij die beschikking heeft het hof:

19

19.1.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2019. De zaken met de nummers 200.190.620/01 en 200.190.636/01 zijn gelijktijdig behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord: - namens de vader mr. H. Plantenga;- de moeder, bijgestaan door mr. Stroobach en door de tolk in de Poolse taal B. Hitchcock;- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;- de pleegouders.
19.2.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
19.3.
Het hof heeft na de tussenbeschikking van 18 oktober 2018 kennisgenomen van de inhoud van:- een brief van de GI van 12 november 2018;- de brief van de directeur van [family support centre] Family Support Centre, gevestigd in [vestigingsplaats] , Polen, d.d. 25 november 2018;- een mailbericht met bijlage van de deskundigen d.d. 20 december 2018;- het deskundigenbericht van 24 januari 2019;- de brief van de advocaat van de moeder van 30 januari 2019;- de brief met bijlage van de advocaat van de moeder van 4 februari 2019.- de ter zitting door de advocaat van de vader overgelegde pleitnotities.
19.4.
Op 7 maart 2019 is via de Nederlandse Centrale Autoriteit bij het hof ingekomen een brief van de Poolse Centrale Autoriteit van 7 maart 2019. Het hof heeft dit stuk niet bij de beoordeling betrokken, nu het hof geen toestemming heeft gegeven om na de mondelinge behandeling van 5 februari 2019 nog stukken aan het hof te doen toekomen.
overwegingen

20

In de zaken met nummers 200.190.620/01 en 200.190.636/01:

20.1.
Uit het deskundigenbericht komt - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende naar voren.Een verhuizing van [minderjarige 2] naar een pleeggezin in Polen is niet in zijn belang.De GGZ-hoofdbehandelaar wijst erop dat er bij [minderjarige 2] niet alleen sprake is van een stoornis in het autistische spectrum maar ook een licht verstandelijke beperking en een reactieve hechtingsstoornis op de kinderleeftijd, hetgeen hem extra kwetsbaar maakt. De problematiek van [minderjarige 2] vereist een pleeggezin dat sensitief op zijn behoeften kan inspelen, met aanpassingsvermogen en kennis van zaken. Er moet een vaste structuur zijn met weinig prikkels, veel overzichtelijkheid en eenduidigheid en actuele kennis van hechtingsproblematiek, autisme en decompensatiegedrag op het niveau van licht verstandelijke beperking. Het pleeggezin moet weten hoe die problematiek te hanteren. Er moet speciaal onderwijs beschikbaar zijn in de buurt met één op één begeleiding en hulpverlening die het gezin en school kan ondersteunen en behandeling kan bieden gericht op hechting. Ten aanzien van de taal moeten pleegouders, maar ook de behandelaars, basale kennis hebben van het Nederlands zodat zij de taalbarrière, die zich zal voordoen, kunnen opvangen voor [minderjarige 2] en hem daarin kunnen begeleiden.Volgens de GGZ-hoofdbehandelaar van [minderjarige 2] staat zijn problematiek een verhuizing naar Polen in de weg: op grond van de kindfactoren is een nieuwe verandering van pleeggezin overweldigend en schadelijk omdat er een nieuwe breuk komt en [minderjarige 2] op een breuk reageert met een terugval. Het is onbekend in hoeverre het contact met [minderjarige 1] voor hem behulpzaam kan zijn bij een verhuizing naar Polen, want zij hebben zeer weinig contact gehad (twee keer in drie jaar) en in dat contact heeft [minderjarige 1] geen afgestemd gedrag (kunnen) laten zien naar [minderjarige 2] toe.De hechtingsrelatie tussen de pleegouders en [minderjarige 2] komt op gang. Het pleeggezin staat daarvoor open en is bereid [minderjarige 2] te blijven begeleiden, zo lang dat nodig is. Zij hebben hem opgenomen in hun sociale kring en zij zijn goed afgestemd op de eisen, die [minderjarige 2] stelt aan zijn omgeving. Zij werken goed samen met de hulpverlening en zijn zich bewust van de (on)mogelijkheden die hen met [minderjarige 2] in de toekomst te wachten staan.Het is te verwachten dat een plaatsing in een volgend pleeggezin schade zal geven in de vorm van een terugval in gedesorganiseerd gedrag, zoals [minderjarige 2] dat eerder heeft laten zien en nog in kleine vorm laat zien als hij een korte scheiding meemaakt in de vorm van logeren. De overgang naar Polen zal op dit moment de grootst mogelijke overgang zijn voor hem, onder meer een breuk met de vertrouwd geworden relaties. Dit doet oude trauma’s reactiveren met terugval in oud, traumatisch gekleurd gedrag, wat voorheen ook tot fysiek zelfbeschadigend gedrag heeft geleid. Dit gedrag is bijzonder moeilijk te hanteren, zeker in een gezinssituatie met andere kinderen, die niet dezelfde taal spreken als [minderjarige 2] . [minderjarige 2] ’s behandelaars kunnen geen enkele mogelijkheid noemen om de in de huidige situatie te verwachten schade te beperken. Hiervoor lijkt nodig dat de hechtingstherapie die [minderjarige 2] volgt op goede wijze is afgerond. Wanneer dit zal zijn is niet te voorspellen.
20.2.
Namens de vader is ter mondelinge behandeling - samengevat - het volgende naar voren gebracht.Het belang van [minderjarige 2] om in Polen op te groeien dient te worden afgewogen tegen zijn belang om langer in het huidige pleeggezin te verblijven.De GI heeft al direct besloten dat er geen ruimte was voor terugplaatsing van [minderjarige 2] bij de ouders. De ouders waren het niet eens met de uithuisplaatsing en met het feit dat zij [minderjarige 2] nauwelijks meer mochten zien. De GI en de ouders hebben elkaar niet gevonden.De ouders hebben uit wanhoop en onmacht om met de kinderen in contact te komen, hen uit het pleeggezin meegenomen. Dit zegt weinig over het pedagogisch vermogen van de ouders om op juiste wijze met de kinderen om te gaan. De vader meent dat de ontvoering van de kinderen geen rechtvaardiging kan vormen voor het weigeren van ieder contactherstel. De GI heeft echter steeds aangegeven dat contactherstel tussen [minderjarige 2] en de vader niet in het belang van [minderjarige 2] was gezien het risico dat de vader bekend zou worden met zijn verblijfplaats. In een gedwongen setting van begeleid contact op kantoor van de GI is er geen tijd voor de ouders om [minderjarige 2] te leren kennen en om te leren hoe aan te sluiten bij zijn problematiek. De GI heeft daarop nooit hulp ingezet. [minderjarige 2] kan zich nu geen enkel beeld vormen van de plek waar hij vandaan komt, van zijn wortels en van de culturele achtergrond van zijn ouders. Dit is zeer beschadigend voor [minderjarige 2] . Voor de deskundigen lijkt de schade bij [minderjarige 2] door een breuk met zijn huidige hechtingsfiguren doorslaggevend, hetgeen de vader een pleitbaar standpunt vindt.Er zijn echter ook andere zwaarwegende belangen van [minderjarige 2] . [minderjarige 2] heeft een groot belang bij opgroeien in Polen, hetgeen blijkt uit de brief van het [family support centre] Family Support Centre van 25 november 2018. Het is in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat zij weer herenigd worden en elkaar leren kennen als broer en zus. Volgens het [family support centre] Family Support Centre zou een hereniging met zijn zus het veiligheidsgevoel van [minderjarige 2] versterken. Dit laatste punt hebben de deskundigen niet meegewogen. In hun rapport blijft onderbelicht welke negatieve effecten het gemis van zijn biologische familie en van zijn culturele achtergrond op de lange termijn ontwikkeling van [minderjarige 2] kunnen hebben. Daar komt nog bij dat er geen enkele zekerheid is dat [minderjarige 2] de komende jaren in dit pleeggezin kan blijven. De GI heeft al vaker naar voren gebracht dat er bij overplaatsing van [minderjarige 2] een kans bestaat op een heftige terugval. Desalniettemin is [minderjarige 2] in het verleden overgeplaatst. Gebleken is dat hij toen met een terugslag te kampen heeft gehad, maar dat hij dit wel aankon. De vader verzoekt het hof het mogelijk te maken dat [minderjarige 2] verder zal opgroeien in Polen.Gezien de mogelijkheden in Polen kan niet worden geoordeeld dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag. Daarbij heeft te gelden dat een inbreuk door de overheid op het familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM dient te geschieden op een wijze die zo min mogelijk de vrijheid van ouders beperkt om hun kinderen op te voeden naar eigen normen en waarden.
20.3.
Namens de moeder is ter mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aangevoerd.De moeder verzoekt het hof om [minderjarige 2] te plaatsen bij de pleegouders [de Poolse pleegouders] in Polen. Gelet op artikel 8 EVRM en artikel 10 IVRK dient de overheid ervoor te zorgen dat kinderen samen met hun ouders, broertjes en zusjes, een gezin kunnen vormen. Een plaatsing van [minderjarige 2] in Nederland betekent een directe schending van artikel 10 IVRK, zeker nu dit hof eerder heeft bepaald dat [minderjarige 1] in Polen kan opgroeien. Ook het door artikel 8 EVRM beschermde recht op family life is alleen gewaarborgd bij plaatsing van [minderjarige 2] bij de pleegouders in Polen. Scheiding van de twee kinderen zal tevens een enorm loyaliteitsconflict veroorzaken bij de moeder. Ook in het kader van de bezoekregeling is dit bijna ondoenlijk. Onderzoek in Polen heeft uitgewezen dat het pleeggezin [de Poolse pleegouders] geschikt is om zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] op te nemen in hun gezin. De familie [de Poolse pleegouders] is, gelet op de opleiding van beide pleegouders, in staat om op een deskundige wijze om te gaan met kinderen met een ‘rugzakje’. Dit blijkt ook uit informatie van de school van hun huidige pleegkinderen en uit de brief van het [family support centre] Family Support Centre. De moeder kan zich niet vinden in de overwegingen van de raad en de deskundigen dat [minderjarige 2] op grond van zijn kind eigen problematiek een verhuizing naar Polen niet aankan. Eerdere plaatsingen van [minderjarige 2] hebben immers het tegendeel uitgewezen. Uit de brief van de GI van 24 oktober 2017 blijkt dat [minderjarige 2] zich goed heeft aangepast na zijn recente overplaatsing en dat hij geen last lijkt te hebben van de eerdere overplaatsing. Hij heeft ook nog de leeftijd dat hij zich gemakkelijk aanpast, ook wat betreft de Poolse taal. Bovendien is het nog maar de vraag of [minderjarige 2] in het huidige pleeggezin kan blijven. Het feit dat [minderjarige 2] een zeer kwetsbaar kind is dat een specifieke opvoedingswijze nodig heeft om zich naar zijn mogelijkheden te kunnen ontwikkelen is juist een grond om [minderjarige 2] in Polen bij de familie [de Poolse pleegouders] te plaatsen. Uit de stukken blijkt immers dat deze familie zeer geschikt is als pleeggezin voor kinderen met een beperking.
De moeder heeft ter zitting - in het kort - het volgende verklaard.Zij spreekt dagelijks met [minderjarige 1] . [minderjarige 1] wil graag dat haar broer bij de familie [de Poolse pleegouders] komt wonen. Indien [minderjarige 2] in Polen komt wonen, is de moeder voornemens om te gaan verhuizen en dichter bij haar kinderen te gaan wonen. De moeder is bereid om snel de Nederlandse taal te leren, zodat zij beter met [minderjarige 2] kan communiceren.Met een eventuele terugval van [minderjarige 2] in zijn ontwikkeling kan de familie [de Poolse pleegouders] goed omgaan. Bovendien kunnen de moeder en [minderjarige 1] [minderjarige 2] ondersteunen.De moeder is de huidige pleegouders dankbaar voor de goede verzorging die zij [minderjarige 2] bieden.
20.4.
De raad heeft ter mondelinge behandeling verklaard het deskundigenrapport te onderschrijven. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat hij in het huidige pleeggezin blijft en dat de GI tot voogdes over hem benoemd blijft.
20.5.
De GI heeft ter mondelinge behandeling - samengevat - het volgende naar voren gebracht.De GI is het eens met de bevindingen van de deskundigen.Er is wel degelijk gepoogd om het contact tussen de ouders en [minderjarige 2] te herstellen.De GI heeft contact met [minderjarige 1] . Zij wil na haar achttiende verjaardag bij de moeder gaan wonen.
20.6.
De pleegouders hebben ter mondelinge behandeling - in het kort - het volgende verklaard.Gelet op de complexe problematiek van [minderjarige 2] is goede ondersteuning van de pleegouders noodzakelijk geweest. Het was bij plaatsing zeer onzeker of [minderjarige 2] zich nog zou kunnen hechten gezien de vele wisselingen van verblijfsplek die hij heeft meegemaakt. Na driekwart jaar liet [minderjarige 2] de eerste tekenen van hechting zien. Hij komt steeds meer tot rust en voelt zich thuis in het pleeggezin. Er is een positieve ontwikkeling te zien in zijn houding naar de buitenwereld: [minderjarige 2] wil inmiddels spelen met een schoolvriendje en hij heeft meer interesse in de wereld om hem heen gekregen. De pleegouders willen zich graag voor [minderjarige 2] blijven inzetten en zij zijn in staat en bereid om langdurig voor hem te zorgen.
Overwegingen van het hof

20.7.
Het hof heeft in zijn beschikking van 18 oktober 2018 reeds overwogen dat de voogdijmaatregel ten aanzien van [minderjarige 2] in stand moet blijven. Thans ligt ter beoordeling de vraag voor of het in het belang van [minderjarige 2] is dat de GI of de Poolse familie [de Poolse pleegouders] tot voogdes over hem wordt benoemd.
20.7.1.
[minderjarige 2] staat sinds 8 augustus 2013 onder toezicht van de GI. Hij is vanaf 30 januari 2014 onafgebroken uit huis geplaatst geweest, waarbij hij een aantal malen van verblijfsplek is gewisseld.In september 2014 werden bij het Medisch Kinderdagverblijf in [plaats] de eerste kenmerken van autisme bij [minderjarige 2] gezien. In oktober 2014 constateerde de Combinatie Jeugdzorg dat [minderjarige 2] op alle ontwikkelingsgebieden een achterstand had. De ouders en de deskundigen verschilden in interpretatie van het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige 2] . Nader onderzoek werd geadviseerd.De raad zag in november 2015 enkele gezichtskenmerken bij [minderjarige 2] die bij het Foetaal Alcohol Syndroom hoorden. Verder zaten er schommelingen in de uitkomsten van de bij hem afgenomen IQ-testen en werd er een achterstand op sociaal-emotioneel gebied geconstateerd. [minderjarige 2] was gefixeerd op cijfers, letters en muziek. Nader onderzoek bij [instelling 1] was nodig. De ouders gaven hiervoor geen toestemming.In november 2015 is [minderjarige 2] door de ouders ontvoerd. Nadat [minderjarige 2] weer is opgespoord heeft de GI hem, om de kans op een nieuwe ontvoering uit te sluiten, in juni 2016 in een pleeggezin met een geheim adres geplaatst. Onderzoek door [instelling 2] in mei/juni 2016 wees uit dat er bij [minderjarige 2] sprake was van een autistische stoornis, een posttraumatische stress-stoornis, zwakbegaafdheid, een foetaal alcohol syndroom en problemen binnen de primaire steungroep en de sociale omgeving.Uit onderzoek in april 2017 kwam naar voren dat [minderjarige 2] laagbegaafd was en moeilijk lerend.Zijn gedrag was zelfbepalend en hij vertoonde weinig initiatief. [minderjarige 2] was nog steeds gefixeerd op cijfers, letters en muziek en had op alle ontwikkelingsgebieden een achterstand. [minderjarige 2] had behoefte aan duidelijkheid, stimulans, structuur en eenduidigheid en hij kon zeer moeilijk omgaan met wisselingen. Hij viel dan snel terug in “oud gedrag”, zoals brabbelen en strak langs een muur lopen. Ook kon er sprake zijn van lichamelijke reacties, zoals eczeem.
20.7.2.
Het hof stelt vast dat de bevindingen en de conclusies uit het deskundigenbericht van 24 januari 2019 aansluiten bij de hiervoor vermelde constateringen en waarnemingen met betrekking tot [minderjarige 2] . Uit dit bericht blijkt dat er bij [minderjarige 2] sprake is van een stoornis in het autistische spectrum, een licht verstandelijke beperking en een reactieve hechtingsstoornis op de kinderleeftijd, hetgeen hem extra kwetsbaar maakt. Gelet op zijn kind eigen problematiek heeft [minderjarige 2] een pleeggezin nodig met specifieke vaardigheden om deze problematiek te hanteren. Vast staat naar het oordeel van het hof dat het huidige pleeggezin hieraan voldoet. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de pleegouders goed zijn afgestemd op de eisen, die [minderjarige 2] aan zijn omgeving stelt en dat zij goed samenwerken met de hulpverlening. De pleegouders hebben ter zitting verklaard dat [minderjarige 2] in hun gezin tot rust komt en een positieve ontwikkeling doormaakt.Het voorgaande wordt door de ouders ook niet betwist, maar zij stellen dat het belang van [minderjarige 2] om in Polen op te groeien zwaarder dient te wegen. Het gemis van zijn biologische familie en van zijn culturele achtergrond zal op de lange termijn negatieve effecten op de ontwikkeling van [minderjarige 2] hebben, zo menen zij.Het hof onderkent dat het voor [minderjarige 2] moeilijk is en zal zijn om aan zijn band met (familie in) Polen vanuit Nederland invulling te geven, nu [minderjarige 2] ’s vader en zus in Polen verblijven. De moeder heeft ook de wens dat [minderjarige 2] in Polen zal wonen, zodat het voor haar ook mogelijk zal zijn volledig in Polen haar domicilie te hebben. Juist om deze reden heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast met als centrale vraag of er voor de opvoeding en de verzorging van [minderjarige 2] indicaties zijn die een verhuizing naar Polen in de weg staan. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de problematiek van [minderjarige 2] belet dat hij naar Polen verhuist: op grond van diens kind eigen problematiek is een nieuwe verandering van pleeggezin overweldigend en schadelijk, omdat dit een nieuwe breuk betekent en [minderjarige 2] op een breuk reageert met een terugval in gedesorganiseerd gedrag. Het hof volgt het onderbouwde advies van de deskundigen en is met de raad en de GI van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige 2] is om te verhuizen naar het pleeggezin [de Poolse pleegouders] in Polen. Het hof acht het risico te groot dat een verhuizing van [minderjarige 2] naar Polen zal leiden tot een nieuw trauma en de groei die [minderjarige 2] thans doormaakt teniet zal doen. Daarmee volgt het hof de ouders niet in hun standpunt dat een verhuizing van [minderjarige 2] naar Polen verantwoord is omdat eerdere overplaatsingen van [minderjarige 2] naar een nieuw pleeggezin hebben uitgewezen dat [minderjarige 2] dit aan zou kunnen. Uit het deskundigenbericht en het besprokene ter zitting blijkt dat [minderjarige 2] zich in het huidige pleeggezin begint te hechten. De pleegouders hebben verklaard dat zij in staat en bereid zijn langdurig voor [minderjarige 2] te zorgen. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat [minderjarige 2] al eerder is overgeplaatst naar een nieuw pleeggezin hem juist extra kwetsbaar maakt en dat een nieuwe verlieservaring, in de vorm van een breuk met de pleegouders, [minderjarige 2] ernstig in zijn ontwikkeling zal schaden. Het hof passeert tevens de verklaring van de moeder ter zitting dat zij en [minderjarige 1] [minderjarige 2] in een afdoende mate kunnen ondersteunen bij een terugval in zijn gedrag na een verhuizing naar Polen. Het hof twijfelt er niet aan dat in dat geval de moeder en [minderjarige 1] [minderjarige 2] voldoende liefde en aandacht zullen geven, maar vast staat dat de kind eigen problematiek van [minderjarige 2] meer vraagt.Nu de inmenging door de overheid in het familie- en gezinsleven, waarvan sprake is, noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 2] , wordt aan het betoog van de ouders met betrekking tot artikel 8 EVRM voorbijgegaan. Het hof passeert tevens de stelling van de moeder met betrekking tot artikel 10 IVRK, nu de bescherming van de belangen van [minderjarige 2] rechtvaardigt dat deze inbreuk wordt gemaakt op het familie- en gezinsleven.
20.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover daarbij het gezag van de moeder en van de vader over [minderjarige 2] is beëindigd en de GI tot voogdes is benoemd, zal worden bekrachtigd.
20.9.
Ingevolge het bepaalde in artikel 810a lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal het hof bepalen dat de door de deskundigen gemaakte kosten, die zijn vastgesteld op € 15.069,24 (inclusief BTW) uit ’s Rijks kas zullen worden voldaan.
beslissing

21




Het hof:

in de zaken met de nummer 200.190.620/01 en 200.190.636/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 1 februari 2016, voor zover daarbij het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , is beëindigd en de GI tot voogdes over [minderjarige 2] is benoemd;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;bepaalt dat de door de deskundigen gemaakte kosten, die zijn vastgesteld op€ 15.069,24 (inclusief BTW) uit ’s Rijks kas zullen worden voldaan.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.N.M. Antens enJ.C.E. Ackermans-Wijn en is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.