Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:990

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 14-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:990, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.251.562_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak: 14 maart 2019 Zaaknummer: 200.251.562/01Zaaknummer eerste aanleg: 7125144 (rolnummer: 18-466)
in de zaak in hoger beroep van:

Mr. [kandidaat-notaris]

[belanghebbende] ,kantoorhoudende te [kantoorplaats], hierna te noemen: [appellant] ,appellant,advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te ’s-Hertogenbosch.
Belanghebbende:
[belanghebbende]

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: [belanghebbende] .

ECLI:NL:GHSHE:2019:990:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak: 14 maart 2019 Zaaknummer: 200.251.562/01Zaaknummer eerste aanleg: 7125144 (rolnummer: 18-466)
in de zaak in hoger beroep van:

Mr. [kandidaat-notaris]

[belanghebbende] ,kantoorhoudende te [kantoorplaats], hierna te noemen: [appellant] ,appellant,advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te ’s-Hertogenbosch.
Belanghebbende:
[belanghebbende]

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: [belanghebbende] .
1

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 26 september 2018.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 december 2018, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij de vereffeningskosten op nihil zijn gesteld en de vereffeningskosten in de nalatenschap van [vader] alsnog vast te stellen op € 16.516,50, kosten rechtens.
2.2.
[belanghebbende] (belanghebbende) is in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. Van deze gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat mr. Van Zinnicq Bergmann.Belanghebbende [belanghebbende] is (behoorlijk) opgeroepen maar niet verschenen.
overwegingen

3

3.1.
Het gaat om het volgende.
3.1.1.
[belanghebbende] , geboren op [geboortedatum] 1999, is enig erfgenaam van haar vader, [vader] , overleden op [datum] 2012. De wettelijk vertegenwoordiger van [belanghebbende] heeft de nalatenschap van haar vader onder het voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) aanvaard bij akte van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 mei 2012.
3.1.2.
Ten tijde van het openvallen van de nalatenschap van haar vader was [belanghebbende] nog minderjarig en was haar moeder, [moeder] (hierna te noemen: [moeder] ), haar wettelijk vertegenwoordiger. [moeder] heeft in die hoedanigheid aan [appellant] opdracht en volledige volmacht verleend tot vereffening van voornoemde nalatenschap.
3.1.3.
[appellant] heeft de vereffeningswerkzaamheden uitgevoerd, waaronder het opmaken van een boedelbeschrijving.
3.1.4.
Bij inleidend verzoek van 31 juli 2018 heeft [appellant] , in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van [belanghebbende] , de kantonrechter verzocht:a. a) de verplichting de nalatenschap overeenkomstig afdeling 4.6.3 BW te vereffenen op te heffen gezien de geringe waarde der baten;b) overeenkomstig artikel 4:209 lid 2 BW het bedrag van de reeds gemaakte vereffeningskosten vast te stellen (door [appellant] becijferd op € 16.516,50);c) toestemming te verlenen de bedragen op de uitdelingslijst conform deze lijst uit te keren aan de schuldeisers.
3.1.5.
Bij beschikking van 26 september 2018 heeft de kantonrechter de verplichting om de nalatenschap van de overledene te vereffenen volgens de wet opgeheven en de vereffeningskosten vastgesteld op nihil. Deze laatste beslissing over de vereffeningskosten heeft de kantonrechter als volgt gemotiveerd:
‘3.4. Op grond van de wet dient de kantonrechter bij toewijzing van een verzoek als het onderhavige de reeds gemaakte vereffeningskosten vast te stellen. De gemachtigde van verzoekster heeft de reeds gemaakte vereffeningskosten onvoldoende gespecificeerd. Enkel het opgeven van de gewerkte uren afgezet tegen het uurtarief is onvoldoende. Om die reden zullen de vereffeningskosten worden vastgesteld op nihil.’

3.2.
[appellant] heeft uitsluitend hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter tot nihilstelling van de vereffeningskosten. [appellant] heeft de door hem gemaakte (vereffenings)kosten in het inleidend verzoek als volgt gespecificeerd: . [appellant] voert verder in hoger beroep het volgende aan.Bij brief van 9 augustus 2018 (productie 4 bij het beroepschrift) heeft de griffier van de kantonrechter [appellant] om nadere bewijstukken van de in de boedelbeschrijving opgenomen posten verzocht, die ook door [appellant] zijn verstrekt (bij brief met producties d.d. 3 september 2018; productie 5 beroepschrift). Op het punt van de vereffeningskosten heeft de kantonrechter echter geen enkele vraag aan [appellant] gesteld, noch heeft de kantonrechter [appellant] in de gelegenheid gesteld de vereffeningskosten nader toe te lichten. De vereffeningswerkzaamheden zijn van aanzienlijke omvang geweest en dus ook de kosten. [appellant] heeft in hoger beroep als productie 10 een verantwoording van zijn vereffeningswerkzaamheden overgelegd, die hij overigens ná de beschikking van 26 september 2018 alsnog aan de kantonrechter heeft toegezonden bij brief van 26 oktober 2018 (productie 6 beroepschrift). De griffier van de kantonrechter heeft hierop echter schriftelijk geantwoord (d.d. 2 november 2018; productie 8 beroepschrift) dat [appellant] , indien hij het niet eens is met de beslissing over de vereffeningskosten, hoger beroep dient aan te wenden. In overeenstemming met de richtlijn vereffening nalatenschappen is volgens [appellant] in de verantwoording van zijn werkzaamheden de tijdregistratie zodanig gespecificeerd dat daaruit valt af te leiden: de datum waarop de werkzaamheden zijn verricht, de soort werkzaamheden die zijn verricht en (de kwalificatie van) de persoon die de werkzaamheid heeft verricht. [appellant] heeft het hof verzocht de vereffeningskosten alsnog vast te stellen, nu het hoger beroep er mede toe dient om fouten in eerste aanleg recht te zetten.
3.3.
Het hof oordeelt als volgt.
3.3.1.
[belanghebbende] heeft de nalatenschap van haar vader bij akte van 30 mei 2012 beneficiair aanvaard en is daarmee op grond van artikel 4:195 BW van rechtswege vereffenaar van de nalatenschap geworden. Op dat moment was [belanghebbende] nog minderjarig en heeft haar moeder, [moeder] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [belanghebbende] aan [appellant] opdracht en volledige volmacht verleend tot vereffening van de nalatenschap. [appellant] heeft de vereffeningswerkzaamheden vervolgens uitgevoerd als gemachtigde van de vereffenaar - en dus niet als benoemd vereffenaar ex artt. 4:203-205 BW - en de kantonrechter verzocht zijn loon voor deze werkzaamheden als vereffeningskosten vast te stellen. Blijkens in ieder geval de (gewijzigde) Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter van 12 december 2017, die eind december 2017 is gepubliceerd op , wordt onder de door de kantonrechter vast te stellen vereffeningskosten verstaan [toevoeging Hof: artikel 4:206 lid 3 BW]. In het verleden, vóór de inwerkingtreding van de vernieuwde Handleiding erfrechtprocedures kantonrechters d.d. 12 december 2017, hebben diverse kantonrechters het loon voor niet benoemde, door de erfgenaam-vereffenaar ingeschakelde gemachtigden wél als vereffeningskosten aangemerkt voor zover die kosten in redelijkheid waren gemaakt (dit blijkt onder meer uit de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 mei 2018; ECLI:NL:RBNNE:2018:1885). In de onderhavige zaak heeft [appellant] (als gemachtigde) de vereffeningswerkzaamheden aangevangen in mei 2012. In de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter uit 2008 (hierna te noemen: de Handleiding 2008) stond de hiervoor geciteerde uitsluiting van vereffeningskosten nog niet. Ter zitting van dit hof heeft [appellant] desgevraagd verklaard dat hij sinds de wijziging van de Handleiding in december 2017 bij soortgelijke vereffeningszaken voortaan wél een verzoek bij de kantonrechter indient om hem tot vereffenaar te benoemen, maar dat kantonrechters vóór 2017 bij vereffeningen in opdracht van de erfgenamen wel gewoon zijn werkzaamheden als vereffeningskosten vaststelden. [appellant] voert aan dat bij de vereffening van de onderhavige nalatenschap in mei 2012 een rechterlijke benoeming niet nodig was, omdat hij er op basis van de toen geldende Handleiding (2008) vanuit kon gaan dat de kantonrechter zijn loon zou aanmerken als vereffeningskosten, wat ook gebruikelijk was in die tijd. Het hof is van oordeel dat [appellant] bij de aanvang van zijn werkzaamheden erop mocht vertrouwen dat zijn kosten als vereffeningskosten door de kantonrechter zouden worden vastgesteld. Dit strookt ook met de toezegging van [appellant] aan [belanghebbende] dat haar geen kosten in rekening zullen worden gebracht. Het hof constateert voorts dat [appellant] het grootste deel van de werkzaamheden heeft verricht vóór de inwerkingtreding van de vernieuwde Handleiding 2017.Het hof is onder deze bijzondere omstandigheden derhalve van oordeel dat de door [appellant] aangevoerde kosten als vereffeningskosten dienen te worden aangemerkt.
3.3.2.
Voorts is het hof van oordeel dat [appellant] de door hem gemaakte (vereffenings)kosten ad € 16.516,50 (inclusief btw) thans in hoger beroep voldoende heeft onderbouwd.
3.4.
Het hof zal de beschikking waarvan beroep gedeeltelijk vernietigen (enkel voor zover daarbij de vereffeningskosten op nihil zijn gesteld) en de vereffeningskosten in de nalatenschap van [vader] alsnog vaststellen op € 16.516,50 (inclusief btw).Nu [appellant] eerst in hoger beroep een specificatie van de vereffeningskosten heeft verstrekt, zullen de kosten van het hoger beroep voor zijn rekening blijven.
beslissing

4

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het hof voorgelegd (derhalve betreffende de nihilstelling van de vereffeningskosten);

stelt de vereffeningskosten in de nalatenschap van [vader] alsnog vast op € 16.516,50 (inclusief btw).

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.P. Zweers - van Vollenhoven en S.C.H. Molin en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2019.