Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:975

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:975, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.222.989_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.222.989/01

arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellant] , h.o.d.n. De Verhuurder

wonende te [woonplaats]appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. H.T.J. Janssen te Nijmegen,
tegen

ECLI:NL:GHSHE:2019:975:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.222.989/01

arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellant] , h.o.d.n. De Verhuurder

wonende te [woonplaats]appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. H.T.J. Janssen te Nijmegen,
tegen

1

2. wonende te [woonplaats] ,geïntimeerden,hierna aan te duiden als [geïntimeerden c.s.] ,advocaat: mr. M.H.F. van der Lek-Langenhof te Zaltbommel,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 juli 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer 5845772 gewezen vonnis van 8 juni 2017.

5

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

-

het tussenarrest van 31 juli 2018 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;

het proces-verbaal van comparitie van 12 februari 2019.

overwegingen

6

6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.a. a) [appellant] drijft een eenmanszaak onder de naam De Verhuurder, waarin hij als specialist op het gebied van huurbemiddeling onder meer adviseert en bemiddelt bij het verhuren van woningen. b) [geïntimeerden c.s.] zijn tot 1 september 2017 eigenaren van de woning aan de [adres] te [plaats] geweest.
c) Begin 2014 hebben [geïntimeerden c.s.] een ander huis gekocht en de hiervoor genoemde woning te koop gezet. Toen verkoop op zich liet wachten hebben [geïntimeerden c.s.] besloten de woning (in afwachting van verkoop) tijdelijk te verhuren en zijn zij in contact gekomen met [appellant] .d) [appellant] heeft in 2014 bemiddeld bij de eerste tijdelijke verhuur van de woning.e) In 2015 hebben [geïntimeerden c.s.] zelf een opvolgend huurster gevonden in mevrouw [opvolgend huurster] (hierna: [opvolgend huurster] ). [appellant] heeft op verzoek van [geïntimeerden c.s.] de woning met [opvolgend huurster] bezichtigd en een concept huurovereenkomst voor tijdelijke verhuur voor 12 maanden op basis de Leegstandswet opgesteld ingaande 1 maart 2016. In de considerans van genoemde concept huurovereenkomst staat onder meer:
“(dat) de gemeente Vught aan verhuurder een vergunning afgegeven heeft voor tijdelijke verhuur op basis van de Leegstandswet (van 15 september 2014 tot 15 september 2019)”

f) [geïntimeerden c.s.] hebben op 20 januari 2016 voor de tijdelijke verhuur onder de Leegstandwet een vergunning aangevraagd bij de Gemeente Vught. g) Op verzoek van [opvolgend huurster] is de ingangsdatum van de huur vervroegd naar 1 februari 2016. De definitieve versie van de huurovereenkomst is door [appellant] opgemaakt en op kantoor bij [appellant] ondertekend. In de considerans van de definitieve versie van de huurovereenkomst staat ook de hiervoor geciteerde zinsnede.h) Bij brief van 3 februari 2016 is aan [geïntimeerden c.s.] de aangevraagde vergunning onder de Leegstandwet verleend voor de periode van 5 jaar, ingaande op 3 februari 2016 en eindigend op 2 februari 2021. Een huurprijs is daarin niet vermeld.i. i) Medio juni 2016 is er een huurbetalingsachterstand ontstaan, waarover na advies van [appellant] door [geïntimeerden c.s.] een brief aan [opvolgend huurster] is gestuurd. [opvolgend huurster] heeft een advocaat ingeschakeld en ook [geïntimeerden c.s.] hebben dat gedaan. j) Gezien de problemen met de huurachterstand hebben [geïntimeerden c.s.] op 20 september 2016 de huurovereenkomst met [opvolgend huurster] opgezegd tegen 1 februari 2017. k) [opvolgend huurster] heeft tegen die opzegging bezwaar gemaakt en aanspraak gemaakt op huurbescherming ingevolge art. 7:271 BW e.v. omdat de huurovereenkomst volgens haar niet voldoet aan de eisen van de Leegstandwet.l) Bij brief van 10 november 2016 heeft de advocaat van [geïntimeerden c.s.] [appellant] aangeschreven en, als gevolg van beweerd tekortschieten door [appellant] in zijn advisering en zorgplicht, aansprakelijk gesteld voor de kosten gepaard gaand met een door haar voor [geïntimeerden c.s.] te voeren ontruimingsprocedure. [appellant] heeft ontkend te zijn tekortgeschoten en aansprakelijkheid voor de schade afgewezen.m) De huurachterstand is door [opvolgend huurster] voldaan kort voor de mondelinge behandeling van het door [geïntimeerden c.s.] tegen [opvolgend huurster] aanhangig gemaakte ontruimings-kort geding.Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben [geïntimeerden c.s.] een minnelijke regeling met [opvolgend huurster] getroffen. Met instemming van partijen is [opvolgend huurster] bij vonnis van 19 december 2016 van de kantonrechter te ‘s-Hertogenbosch veroordeeld om het gehuurde per 1 augustus 2017 te ontruimen en te verlaten. De proceskosten zijn gecompenseerd en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
6.2.
[geïntimeerden c.s.] hebben [appellant] in onderhavige procedure betrokken en gevorderd (samengevat) [appellant] te veroordelen tot vergoeding van schade begroot op € 10.667,19 + € 360,= + PM, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, als ook tot betaling van buitengerechtelijke kosten te begroten conform staffel BIK, met proceskosten en nakosten. [appellant] is verschenen, maar heeft door omstandigheden verzuimd verweer te voeren. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter (als onweersproken) voor recht verklaard dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de met [geïntimeerden c.s.] gesloten overeenkomst van opdracht door onjuist te adviseren over de toepasselijkheid van de Leegstandswet en door het opstellen van een juridisch onjuiste huurovereenkomst. [appellant] is - kort gezegd- veroordeeld tot betaling van € 12.098,37 met rente, proces- en nakosten.
6.3.
[appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd en in de toelichting op de grief alsnog (het in eerste aanleg niet gevoerde) verweer gevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot afwijzing van het door [geïntimeerden c.s.] gevorderde, in ieder geval van het bedrag van € 1.529,20 van factuur [factuurnummer] , althans tot het matigen van de in eerste aanleg toegewezen schadevergoeding tot een bedrag in goede justitie te bepalen, onder veroordeling van [geïntimeerden c.s.] in de proceskosten van beide instanties.
6.4.
Met de grief wordt de zaak in volle omvang aan het hof voorgelegd. Het hof zal daarom opnieuw beoordelen of de vorderingen van [geïntimeerden c.s.] kunnen worden toegewezen.
6.5.
[geïntimeerden c.s.] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd een ernstig tekort schieten van [appellant] in zijn zorgplicht als opdrachtnemer, althans een onrechtmatige daad. Concreet verwijten [geïntimeerden c.s.] [appellant] (kort samengevat):( i) hen verkeerd te hebben geadviseerd over huur onder de Leegstandwet, onder meer door hen er bij het aangaan van de door [appellant] opgestelde huurovereenkomst niet op te wijzen dat die – om te voldoen aan de eisen van de Leegstandwet – niet eerder mocht ingaan dan de datum waarvoor vergunning was verleend, maar zelfs mee te delen dat het aanvragen van een vergunning niet nodig zou zijn omdat een en ander toch nooit gecontroleerd zou worden;
(ii) er niet voor gezorgd te hebben dat de door hem opgestelde huurovereenkomst aan de formele vereisten van de Leegstandwet voldeed door daarin melding te maken van het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend en de in de vergunning vermelde huurprijs;(iii) niet toe te zien op het tijdig verkrijgen van de benodigde vergunning door [geïntimeerden c.s.] , althans door niet te wijzen op de risico’s van het niet tijdig verlenen van de vergunning.
[geïntimeerden c.s.] voeren aan dat [opvolgend huurster] zich, als gevolg van de door [appellant] gemaakte fouten, op het juridisch juiste standpunt kon stellen dat de huurovereenkomst niet voldeed aan de eisen uit de Leegstandwet en aanspraak kon maken op huurbescherming. Als [appellant] zijn werk goed had gedaan, zou procederen tegen [opvolgend huurster] niet nodig zijn geweest, aldus [geïntimeerden c.s.] , redenen waarom zij [appellant] aansprakelijk houden voor de volgende schade:

-

juridische kosten ontruimingsprocedure ad € 9.137,99

juridische kosten bijstand procedure “De verhuurder.com” ad PM

Buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.529,20

de door [geïntimeerden c.s.] aan [appellant] betaalde € 360,= voor het opstellen van de (gewraakte) huurovereenkomst.

6.6.
[appellant] betwist dat er ooit een formele overeenkomst van opdracht tussen partijen tot stand is gekomen als ook dat hij een zorgplicht had waarin hij is tekort geschoten. Hij voert (kort samengevat) aan:- dat hij weliswaar op verzoek van [geïntimeerden c.s.] met [opvolgend huurster] de woning heeft bezichtigd, maar [geïntimeerden c.s.] vervolgens heeft ontraden om in zee te gaan met [opvolgend huurster] omdat zij lastig was en niet van plan om [appellant] voor zijn bemiddeling te betalen;- dat hij [geïntimeerden c.s.] erop heeft gewezen dat de huurovereenkomst niet eerder kon ingaan dan vanaf het moment dat de Gemeente ook daadwerkelijk een vergunning had verleend. En verder dat hij er niet van op de hoogte was dat de vergunning er nog niet was toen hij de datum van de huurovereenkomst naar 1 februari wijzigde. [geïntimeerden c.s.] hebben hem voorafgaand aan het daadwerkelijk ondertekenen van de huurovereenkomst desgevraagd meegedeeld dat de vergunning er was;- dat de verkeerde vermelding van de looptijd van de vergunning (zie onder 6.1.e hiervoor) abusievelijk in de huurovereenkomst is blijven staan en dat [geïntimeerden c.s.] dit had kunnen en moeten opmerken voordat zij zich akkoord verklaarden met de inhoud van de huurovereenkomst. Zij hadden immers zelf de vergunning aangevraagd;- dat [geïntimeerden c.s.] zelf een vergunning hebben aangevraagd en [appellant] helemaal niet de plicht had om er op toe te zien dat [geïntimeerden c.s.] tijdig een vergunning kregen. - dat de schade niet (alleen maar) het gevolg is van het beweerde gebrek in de huurovereenkomst. Er was sprake van een huurachterstand en dat probleem was niet door [appellant] veroorzaakt. - dat [appellant] bovendien in het geheel niet in de gelegenheid is gesteld om [geïntimeerden c.s.] te helpen bij het oplossen van dit probleem met [opvolgend huurster] ;- dat de gevorderde advocaatkosten in geen verhouding staan tot wat verwacht kan worden aan werkzaamheden voor uitsluitend een kort geding zoals dat plaats heeft gehad, dat de facturen niet gespecificeerd en derhalve niet te controleren zijn en dat in elk geval factuur met nummer [factuurnummer] ten bedrage van € 1.529,20 niet ziet op het geschil tussen [geïntimeerden c.s.] en [opvolgend huurster] ; - dat de schade in elk geval deels ook als eigen schuld als bedoeld in art. 6:101 BW aan [geïntimeerden c.s.] moet worden toegerekend nu zij de beslissing van de kantonrechter niet afgewacht hebben waarin een proceskostenveroordeling tot vermindering van de schade had kunnen leiden;- dat het maar de vraag is of de ontruimingsvordering van [geïntimeerden c.s.] (als zij het zouden hebben laten aankomen op een uitspraak) niet zou zijn toegewezen met de daarbij behorende kostenveroordeling als gevolg waarvan in elk geval een deel van de schade (griffierecht, deurwaarderskosten en een salaris gemachtigde) zou zijn verhaald op [opvolgend huurster] . - dat de vordering gelet op het bepaalde in art. 6:109 BW in aanmerking komt voor matiging tot een in goede justitie te bepalen bedrag.
6.7.
Het hof oordeelt als volgt.
6.8.
Het verweer dat van een formele overeenkomst van opdracht geen sprake is geweest en dat er op [appellant] geen zorgplicht rustte, verwerpt het hof. Vast staat dat [appellant] zich, handelend onder de naam De Verhuurder, aanbiedt als een specialist op het gebied huurbemiddeling, die adviseert en bemiddelt bij het verhuren van woningen en het opmaken van huurcontracten. Vast staat ook - zo heeft [appellant] ter gelegenheid van de comparitie desgevraagd erkend - dat [geïntimeerden c.s.] [appellant] hebben verzocht om hen te helpen de woning tijdelijk te verhuren (zodat bij een verkoop de huurders er weer uit zouden gaan); om kandidaat huurders te zoeken en te screenen; en om de huurovereenkomst op te maken. Dat verzoek tot het verlenen van diensten heeft [appellant] aanvaard en uitgevoerd. Aldus is tussen [appellant] en [geïntimeerden c.s.] een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW tot stand gekomen.Op grond van het bepaalde in artikel 7:401 BW moet een opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen, dat wil zeggen handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Over de vraag of [appellant] die zorg in acht heeft genomen, oordeelt het hof als volgt.
6.9.
Evenals [appellant] kan het hof het verwijt sub (iii) niet plaatsen. Nog daargelaten de vraag of van [appellant] kon worden verwacht er op toe te zien dat er tijdig een vergunning zou worden verleend, staat vast dat [geïntimeerden c.s.] zelf tijdig een vergunning hebben aangevraagd en dat die ook tijdig is verleend uitgaande van een voorgenomen ingangsdatum van de huurovereenkomst van 1 maart 2016. Van enige tekortkoming van [appellant] of schade op dit punt is het hof niet gebleken.
6.10.
Verwijt (ii) wordt [appellant] naar het oordeel van het hof terecht als een tekortkoming in de zorgplicht verweten. Van [appellant] mocht als redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur die deskundig is op het gebied van de tijdelijke verhuur van woningen worden verwacht dat de huurovereenkomst die hij voor [geïntimeerden c.s.] opstelde voldeed aan de vereisten van de Leegstandwet. Feit is dat de overeenkomst niet aan die vereisten voldeed. Vast staat dat de overeenkomst niet het (juiste) tijdvak van de voor tijdelijke verhuur van de woning verleende vergunning vermeldt, wat op grond van het bepaalde in artikel 16 lid 12 Leegstandwet wel is vereist op straffe van het zich als verhuurder niet meer kunnen beroepen op het in artikel 15, eerste lid, eerste zin Leegstandwet bepaalde (kort gezegd dat de huurbeschermingsartikelen niet van toepassing zijn). Dat is een fout die [appellant] als een tekortkoming is toe te rekenen, nu hij als specialist op dit gebied op zich genomen had om een correcte huurovereenkomst onder de Leegstandswet op te maken. Dat geldt temeer nu – anders dan [appellant] onder zijn grief heeft aangevoerd – [appellant] zelf niet alleen het concept, maar ook de definitieve versie van de huurovereenkomst heeft opgemaakt en door [opvolgend huurster] en [geïntimeerden c.s.] op zijn kantoor heeft laten ondertekenen, zoals hij ter gelegenheid van de comparitie heeft verklaard. Dat [geïntimeerden c.s.] (als leken) dit niet hebben opgemerkt toen zij het concept toegezonden kregen, noch bij het ondertekenen van de overeenkomst, doet niet af aan de fout van [appellant] . Daarbij heeft [appellant] op verzoek van [opvolgend huurster] ook de ingangsdatum van de overeenkomst gewijzigd in 1 februari 2016, terwijl de vergunning nog niet afgegeven was. [geïntimeerden c.s.] weerspreken niet dat [appellant] bij het wijzigen van de ingangsdatum aan hen heeft gevraagd of de vergunning al verleend was, maar betwisten wel dat zij daarop bevestigend zouden hebben geantwoord, zoals [appellant] aanvoert. Zij hebben dat niet gedaan en niet kunnen doen omdat zij de vergunning niet voor 3 februari 2016 hebben ontvangen, zo hebben zij aangevoerd onder meer onder verwijzing naar de op de vergunning vermelde verzenddatum 3 februari 2016. Gezien die datum acht het hof het betoog van [geïntimeerden c.s.] aannemelijk, maar wat daar ook van zij, op [appellant] als goed opdrachtnemer rustte de plicht om naar de (afgiftedatum en de) looptijd van de vergunning te vragen en ervoor te zorgen dat die in de overeenkomst werd vermeld. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] laatste dat heeft gedaan.Gezien dit oordeel en het door [geïntimeerden c.s.] gevorderde, kan behandeling van verwijt (i) bij gebrek aan belang achterwege blijven.Gezien het voorgaande ziet het hof geen gronden voor het opdragen van bewijslevering, zoals door [appellant] is aangeboden.
6.11.
De hiervoor behandelde en naar zijn aard niet te herstellen tekortkoming van [appellant] , maakt hem in beginsel schadeplichtig jegens [geïntimeerden c.s.] De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of [geïntimeerden c.s.] (de gevorderde) schade hebben geleden als gevolg van het niet voldoen van de huurovereenkomst aan de vereisten van de Leegstandswet. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de in artikel 6:98 BW geformuleerde maatstaf. Dat betekent dat voor vergoeding in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met deze tekortkoming, dat zij [appellant] , mede gelet op de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg daarvan kan worden toegerekend. Daarbij gaat het in beginsel om het nadelige verschil tussen de financiële situatie waarin [geïntimeerden c.s.] zouden hebben verkeerd indien de fout niet zou zijn gemaakt en de situatie waarin zij zijn komen te verkeren als gevolg van de fout. De stelplicht en bewijslast ter zake van de schade en het causaal verband tussen de tekortkoming en de schade rust op [geïntimeerden c.s.]
6.12.
[geïntimeerden c.s.] stellen zich op het standpunt dat het voeren van een procedure tegen [opvolgend huurster] als gevolg van de fout van [appellant] onvermijdelijk was en vorderen de kosten die hun advocaat hen daarvoor in rekening heeft gebracht. Ter gelegenheid van de comparitie in dit hoger beroep heeft de advocaat van [geïntimeerden c.s.] de (niet in het geding gebrachte) kort geding dagvaarding opgezocht en verklaard dat daarin alleen de (rechtsgeldige) opzegging van de overeenkomst aan de vordering ten grondslag is gelegd.
6.13.
[appellant] wijst er op dat de huurachterstand eerder (of in elk geval mede) ten grondslag zal hebben gelegen aan het inschakelen door [geïntimeerden c.s.] van hun advocaat en aan de vordering tot ontruiming in het kort geding. De processtukken zijn echter met een beroep op de privacy van [opvolgend huurster] niet overgelegd. Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden c.s.] niet weersproken dat de procedure tegen [opvolgend huurster] ook zag op achterstallige huurpenningen. Daarbij hebben zij aangevoerd dat dit niet van belang is omdat [opvolgend huurster] de huurpenningen vlak voor de mondelinge behandeling van het ontruimingskort geding op 16 december 2016 heeft voldaan. [geïntimeerden c.s.] vorderen echter meer dan alleen maar de kosten van de mondelinge behandeling, aldus [appellant] . [appellant] heeft ten slotte betwist dat alleen de kwestie van de huuropzegging ten grondslag is gelegd aan de vordering in kort geding.
6.14.
Aan [geïntimeerden c.s.] kan worden toegegeven dat [opvolgend huurster] zich zonder het maken van de fout niet op het juridisch juiste standpunt had kunnen stellen dat de huurovereenkomst niet voldeed aan de eisen uit de Leegstandwet. Echter, terecht wijst [appellant] er op dat de huurachterstand er eerder was dan het beroep van [opvolgend huurster] op huurbescherming en dat die huurachterstand in eerste instantie aanleiding was voor het door [geïntimeerden c.s.] inschakelen van hun advocaat. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden c.s.] mede in het licht van het door [appellant] daartegen gevoerde verweer onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat de fout van [appellant] de enige oorzaak is geweest voor (het maken van) de advocaatkosten die door [geïntimeerden c.s.] in deze procedure als schade worden gevorderd. Uit het feitenrelaas van [geïntimeerden c.s.] blijkt dat [geïntimeerden c.s.] hun advocaat al medio juni 2016 hebben ingeschakeld vanwege de huurbetalingsachterstand, terwijl die achterstand pas kort voor de mondelinge behandeling van het kort geding is betaald. Het hof acht het alleen al op grond van deze feiten niet geloofwaardig dat er in de periode september tot en met december, waarop de door [geïntimeerden c.s.] overgelegde facturen (prod. 4 inl. dagv., eerste vier facturen) van de advocaat van [geïntimeerden c.s.] zien, geen werkzaamheden zouden zijn verricht die zagen op de huurachterstand, nog daargelaten of die wel of niet ook mede aan de vordering in kort geding ten grondslag is gelegd. Ook is gesteld noch gebleken dat [appellant] iets te verwijten is ten aanzien van het ontstaan van de huurachterstand.
6.15.
Nu uit de overgelegde facturen (zonder urenspecificaties) niet is te herleiden welke uren zijn besteed aan de kwestie van de huurbetalingsachterstand of aan de kwestie van de opzegging van de huurovereenkomst met [opvolgend huurster] , zal het hof de schade op de voet van art. 6:97 BW schatten op 50%. Voor wat betreft de gevorderde schade bestaande in advocaatkosten komt dan een bedrag van (€ (1.067,60 + 275,28 + 4.171,48 + 3.623,63):2 =) € 4.567 voor toewijzing in aanmerking. Dat de factuur met nummer [factuurnummer] ten bedrage van € 1.529,20 die een betreft in het dossier niet kan worden aangemerkt als schade, is door [geïntimeerden c.s.] niet bestreden, zodat het hof die factuur buiten beschouwing laat. Terecht heeft [appellant] bovendien tegen de vordering juridische kosten bijstand in dat dossier aangevoerd dat die schade geacht wordt te zijn begrepen in de proceskostenveroordeling(en) in onderhavige procedure. Het hof constateert dat [appellant] de gevorderde schadepost van € 360,= niet heeft bestreden, evenmin als de buitengerechtelijke incassokosten (BIK). De BIK berekent het hof met in achtneming van het toe te wijzen bedrag op € 625,=.
6.16.
Het verweer van [appellant] dat de schade bovendien deels ook aan [geïntimeerden c.s.] moet worden toegerekend vanwege eigen schuld als bedoeld in art. 6:101 BW, verwerpt het hof als onvoldoende onderbouwd. Het feit dat [geïntimeerden c.s.] heeft besloten het niet te laten aankomen op een uitspraak in het kort geding, maar met hulp van de kantonrechter een minnelijke regeling heeft getroffen, is niet een omstandigheid als bedoeld in art. 6:101 BW. Ook het verweer dat [appellant] niet in de gelegenheid is gesteld om te helpen het probleem met [opvolgend huurster] op te lossen, kan [appellant] niet baten. Als onweersproken staat vast dat [geïntimeerden c.s.] [appellant] per whatsapp heeft benaderd en dat ook de advocaat van [geïntimeerden c.s.] telefonisch contact heeft gehad met [appellant] . Gesteld noch gebleken is dat [appellant] in reactie daarop de bereidheid heeft uitgesproken of iets heeft ondernomen om [geïntimeerden c.s.] te helpen.Voor matiging als bedoeld in art. 6:109 BW ziet het hof geen aanleiding nu gesteld noch gebleken is dat toekenning van schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zal leiden.
6.17.
De slotsom van al het voorgaande is dat de grief slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof [appellant] veroordelen tot vergoeding van schade aan [geïntimeerden c.s.] tot een bedrag van € 4.927,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der voldoening, als ook tot betaling van een bedrag van € 625,= aan buitengerechtelijke kosten. In het feit dat beide partijen op punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep te compenseren in die zin dat ieder eigen kosten draagt, met dien verstande dat de griffierechten van het hoger beroep voor rekening van [appellant] dient te komen, nu hij in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd, waardoor hij genoodzaakt was hoger beroep in te stellen. Die kosten heeft [appellant] door zijn verzuim nodeloos veroorzaakt. Op verzoek van [geïntimeerden c.s.] zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
7


Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,en opnieuw rechtdoende,
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerden c.s.] te betalen het bedrag van € 4.927,= ten titel van schadevergoeding;

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerden c.s.] te betalen het bedrag van € 625,= aan buitengerechtelijke kosten;

beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der voldoening;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

compenseert de proceskosten in hoger beroep deels gedeeltelijk, aldus dat [appellant] wordt veroordeeld de kosten aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] tot een bedrag van € 313,= aan verschotten en dat elke partij voor het overige de eigen kosten draagt;verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, J.I.M.W. Bartelds en T.H.M. van Wechem en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 maart 2019.

griffier rolraadsheer