Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:964

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:964, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-000081-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:964:DOC
nl

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000081-18 Uitspraak : 11 maart 2019TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 4 januari 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-993324-16 en 01-993410-16, tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.
Hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 4 januari 2018 vrijgesproken van het (medeplegen van) voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs (parketnummer 01-993324-16, feit 1) en van de import, export, productie of verhandeling van synthetische drugs (parketnummer 01-993324-16, feit 2). De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft tot het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet (parketnummer 01-993324-16, feit 3), het voorhanden hebben van een seinpistool, munitie van categorie III, vijf signaalpatronen en één kogelpatroon en een patroonhouder (parketnummer 01-993410-16, feit 1), het voorhanden hebben van een stroomstootwapen en een taser (parketnummer 01-993410-16, feit 2) en het opzettelijk aanwezig hebben van 996 gram hennep (parketnummer 01-993410-16, feit 3). De rechtbank heeft verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Blijkens de ‘akte instellen hoger beroep’ d.d. 8 januari 2018 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld en daardoor ook gericht tegen de vrijspraak door de rechtbank van de onder parketnummer 01-993324-16 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte derhalve in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder parketnummer 01-993324-16 onder 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 01-993410-16 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de strafvervolging van het onder parketnummer 01-993324-16 onder 3 ten laste gelegde. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder parketnummer 01-993410-16 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Subsidiair, indien het hof van oordeel is dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in de strafvervolging van het onder parketnummer 01-993324-16 onder 3 ten laste gelegde, heeft de verdediging vrijspraak ten aanzien van dit feit bepleit nu er geen sprake is van een criminele organisatie. Meer subsidiair, indien het hof van oordeel is dat er wel sprake is van een criminele organisatie, heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 01-993324-16 onder 3 ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie. Meest subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van dit feit een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is – op gronden als verwoord in de pleitnota – betoogd dat is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Kort gezegd heeft de verdediging aangevoerd dat onduidelijk is waarom medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet zijn vervolgd ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie, maar verdachte wel. In dat kader wordt door de verdediging verwezen naar onder meer het vonnis van de rechtbank Midden Nederland van 4 juni 2013 (LJN:CA1934) en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4424).

De officier van justitie heeft in eerste aanleg te kennen gegeven dat er voor het Openbaar Ministerie geen meerwaarde bestond om de overige verdachten te vervolgen voor lidmaatschap van een criminele organisatie, omdat – in de ogen van het Openbaar Ministerie – hun betrokkenheid bij afzonderlijke strafbare feiten zo concreet is en de daarbij behorende straffen van dien aard zijn, dat de meerwaarde van bestraffing voor deelneming aan een criminele organisatie gering is. Voorts heeft de officier van justitie ter gelegenheid van de pro-formabehandeling op 1 juli 2016 de toezegging aan de overige verdachten gedaan dat de dagvaarding niet zou worden uitgebreid. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie, gelet op deze toelichting van de officier van justitie, ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging dient plaats te vinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (zie bijvoorbeeld HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.

In het onderhavige geval dient een afweging plaats te vinden tussen het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het belang bij de onderhavige strafvervolging en de door de verdediging aangevoerde omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat de vervolgingsbeslissing in strijd is met, zoals in casu aangevoerd, het gelijkheidsbeginsel. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is slechts sprake wanneer gelijke gevallen, ongelijk worden behandeld en een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt. Naar het oordeel van het hof kan ten aanzien van verdachte in vergelijk met de met deze strafzaak samenhangende en door de verdediging genoemde medeverdachten niet worden gesproken van gelijke gevallen, reeds omdat zij geen gelijke rol vervulden binnen het ter discussie staande feitencomplex en die medeverdachten evenmin gelijk aan verdachte hebben gehandeld. Derhalve stelt het hof vast dat in zoverre geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel in vergelijking met de situatie van de door de verdediging genoemde medeverdachten. Ook overigens valt volgens het hof uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden – die er kort gezegd op neerkomen dat het onacceptabel en willekeurig is dat verdachte is vervolgd ter zake van de deelneming aan een criminele organisatie terwijl medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet zijn vervolgd ter zake van deelneming aan deze criminele organisatie – niet af te leiden dat sprake is van, gelet op hetgeen is vooropgesteld, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Daarbij merkt het hof op dat het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenals die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, volgens bestendige rechtspraak niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte.

Uit de overige inhoud van het dossier en met name de hierboven genoemde toelichting van de officier van justitie blijkt evenmin dat de beslissing tot vervolging van verdachte voor deelneming aan een criminele organisatie onverenigbaar is met het verbod van willekeur.

Dat brengt het hof tot de conclusie dat er in het onderhavige geval met het instellen van vervolging van de verdachte geen sprake is van een situatie dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn, zodat sprake zou zijn van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging, en aldus de grondslag van het onderzoek, is gewijzigd en het hof bovendien tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

parketnummer 01-993324-16:

parketnummer 01-993410-16:

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-993324-16 onder 3 en in de zaak met parketnummer 01-993410-16 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

parketnummer 01-993324-16:

parketnummer 01-993410-16:

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In het kader van de leesbaarheid zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bijlage weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is – op gronden als verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een criminele organisatie. Indien het hof van oordeel is dat wel sprake is van een criminele organisatie, heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte als deelnemer aan deze organisatie kan worden aangemerkt.

Het hof ziet zich in de onderhavige zaak gesteld voor de beantwoording van drie, onderling samenhangende vragen:

Het hof zal eerst het juridisch kader van de samenhangende vragen weergeven en vervolgens ingaan op het in het dossier aanwezige bewijs van verdachtes betrokkenheid.

Juridisch kader

Voor wat betreft het juridisch kader ter zake van artikel 11b Opiumwet geldt dat deze bepaling moet worden gezien als een specialis van artikel 140 Sr. Voor de invulling van het juridisch kader geldt derhalve dat in belangrijke mate wordt verwezen naar de uitleg van de bestanddelen van artikel 140 Sr.

Ad a) In de eerste plaats moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie. Onder een organisatie als bedoeld in artikel 11b Opiumwet moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon (vgl. ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon met minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel – i.c. het plegen van een of meer Opiumwetdelicten – samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel ‘organisatie’ en niet op ‘deelneming’, zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.

Ad b) Om tot een bewezenverklaring van artikel 11b Opiumwet te kunnen komen is voorts vereist dat de organisatie het oogmerk heeft van het plegen van een misdrijf in de zin van artikel 11b Opiumwet. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of delicten uit de Opiumwet. Het oogmerk of naaste doel betreft het oogmerk van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk impliceert dat het betreffende misdrijf of misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeft te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Niet is vereist dat het plegen van het misdrijf uit de Opiumwet de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is of dat de organisatie de uitsluitende bedoeling heeft een misdrijf uit de Opiumwet te plegen. Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.

Ad c) Tot slot moet voor een bewezenverklaring van artikel 11b Opiumwet worden vastgesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met het misdrijf of misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer specifieke misdrijven uit de Opiumwet. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814). Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.
Voorafgaande algemene opmerkingen aangaande de OVC-gesprekken

De vragen of sprake is geweest van een criminele organisatie en of verdachte ook als deelnemer aan die organisatie kan worden aangemerkt, worden in de onderhavige zaak voornamelijk beantwoord op basis van de inhoud van afgeluisterde en opgenomen OVC-gesprekken (opname vertrouwelijke communicatie) waaraan verdachte heeft deelgenomen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgeluisterde en opgenomen OVC-gesprekken zijn aan te merken als schriftelijke bescheiden in de zin van art. 339 lid 1, sub 5 Sv welke ingevolge art. 344 lid 1, sub 5 Sv alleen kunnen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Daarnaast heeft de verdediging opmerkingen gemaakt die zien op de betrouwbaarheid van de inhoud van de betreffende gesprekken. Ten aanzien van de betreffende OVC-gesprekken merkt het hof in algemene zin het volgende op.

In het dossier van deze zaak bevinden zich diverse afgeluisterde en opgenomen OVC-gesprekken. Deze gesprekken zijn uitgewerkt in op ambtseed of -belofte opgemaakte processen-verbaal door bevoegde opsporingsambtenaren. Deze uitgewerkte gesprekken kunnen op grond van de bewijsregeling zoals opgenomen in het Wetboek van Strafvordering worden aangemerkt als een overbrengende verklaring van hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd. Verdachte heeft zijn deelname aan de gesprekken blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep niet ontkend. Echter, voor wat betreft de inhoud en de strekking van de betreffende gesprekken was, heeft verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bij herhaling na confrontatie met de weergave van de inhoud van diverse gesprekken gesteld niet meer te kunnen recapituleren wat de inhoud en de strekking daarvan was.

Het hof stelt dat het onder deze omstandigheden, gelijk de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie, niet zonder meer kan aannemen dat gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan, als de verdachte dat ontkent of daarover geen helderheid kan verschaffen. Dat kan alleen dan, als die gesprekken maar voor één uitleg vatbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de verdachte daarin zelf met zoveel woorden zegt dat hij die strafbare gedragingen heeft gepleegd. Als dat niet zo is, zijn die gesprekken dus voor meerdere uitleg vatbaar. Dat hoeft die gesprekken niet onbruikbaar te maken voor het bewijs, maar wel is dan behoedzaamheid vereist bij het geven van een interpretatie van die gesprekken. Die voorzichtigheid brengt mee dat goed moet worden gekeken naar de inhoud en het onderling verband van die gesprekken en naar het verband met andere bewijsmiddelen. Daarbij kan ook van belang zijn wat er over de deelnemers aan de gesprekken, of over anderen die in die gesprekken ter sprake komen, nog meer is gebleken.

De OVC-gesprekken

Het hof acht in het bijzonder de OVC-gesprekken van 1 oktober 2015, 20 oktober 2015, 20 november 2015, 8 december 2015 en 11 december 2015 van belang. Het hof is van oordeel dat alle los opgenomen OVC-gesprekken van 1 oktober 2015, in hun totaliteit moeten worden beoordeeld waarbij de inhoud van de gesprekken hoofdzakelijk betrekking heeft op het bereiden, bewerken en verwerken en verkopen en vervoeren van middelen als bedoeld op lijst I van de Opiumwet en het plegen van voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet jo. artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet. Dit geldt ook voor de los opgenomen gesprekken van respectievelijk 20 november 2015 en 11 december 2015.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 30 september 2015 een omzettingslaboratorium (APAAN naar BMK) en een in werking zijnd amfetaminelaboratorium is aangetroffen in een stal van een aspergebedrijf te Dilsen-Stokkem (België). Later is op deze productielocatie DNA-materiaal van [medeverdachte 1] aangetroffen en is [medeverdachte 1] op videobeelden op deze locatie herkend.

Op basis van de context van de uitlatingen van [medeverdachte 1] op 1 oktober 2015, aldus één dag na de ontdekking van het amfetaminelaboratorium te Dilsen-Stokkem, inhoudende dat hij die ochtend langs de betreffende loods was gereden en zag dat daar politieagenten aanwezig waren, dat hij alles kwijt was, dat hij dacht dat hij DNA had achtergelaten en dat zijn grondstoffen veilig waren, alsmede op basis van de omstandigheden dat er op deze locatie ook daadwerkelijk DNA van [medeverdachte 1] is aangetroffen en hij op videobeelden op deze locatie is herkend, concludeert het hof dat [medeverdachte 1] directe betrokkenheid had bij de productie van amfetamine in het pand te Dilsen-Stokkem. Op basis van de uitlating van [medeverdachte 1] dat hij zes loodsen had gepakt, dat het logistiek in orde moet zijn en dat je het moet runnen als een bedrijf, concludeert het hof dat deze [medeverdachte 1] actieve betrokkenheid had bij méér dan één productielocatie.

[medeverdachte 1] zei dat er een persoon onderweg was en dat die persoon ook wel zou balen aangezien hij er ook wat in had ‘gedouwd’. [medeverdachte 1] zei verder: ‘hebben nog wel grondstoffen’. Kort hierop arriveerde verdachte in het pand aan de [adres 1] . Dat persoon NN611 verdachte is, volgt naar het oordeel van het hof uit de omstandigheid dat NN611 door een verbalisant ambtshalve is herkend als verdachte (pagina 30 ZD1) en verdachte heeft blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij gespreksdeelnemer was bij deze gesprekken. Hoewel verdachte geen gespreksdeelnemer was op het moment dat [medeverdachte 1] over de ontdekking sprak (sessienummer 9044.056), leidt het hof uit hetgeen [medeverdachte 1] omtrent verdachtes betrokkenheid zei, alsmede uit de context van het gesprek dat kort hierna volgde tussen onder meer [medeverdachte 1] en verdachte, af dat verdachte in elk geval wist van en betrokkenheid had bij de productielocatie in Dilsen-Stokkem en wist dat deze productielocatie was ontdekt.

Het gesprek tussen [medeverdachte 1] en verdachte zoals opgenomen op 1 oktober 2015 ontspon hierna in een gesprek waarin onder meer werd gesproken over ‘dekens’, het aantal graden van deze dekens (‘240 graden, 250 graden’), ‘smelten’, ‘branders’ en ‘APAAN’. Uit een proces-verbaal van een materiedeskundige op het gebied van synthetische drugs en precursoren is gebleken dat met de term ‘verwarmingsdekens’ in de criminele drugswereld vermoedelijk wordt verwezen naar elektrische dekens of mantels die gebruikt worden bij de conversie van APAAN of bij de tweede kookstap van de productie van amfetamine en dat de term ‘smelten’ vermoedelijk verwijst naar het omzetten van een poedervormige precursor, zoals APAAN, naar de vloeibare stof BMK. Op de vraag van [medeverdachte 1] wat hij nog nodig had voor ‘die jongens’, antwoordde verdachte dat hij nog dekens nodig had. Even later sprak verdachte in meervoud toen hij zei: ‘In Antwerpen hebben er al drie, waarop [medeverdachte 1] eveneens in meervoud antwoordde met: ‘Hebben al drie daarom’. [medeverdachte 1] zei kort hierna dat naar ging en dat het zou regelen. Verder sprak [medeverdachte 1] over geld dat werd verdiend, over het aan het werk zetten van mensen, dat hij twee ‘pompen’ had besteld en zei hij, nog steeds in het gesprek met onder meer verdachte: ‘Gelijk weer doorgaan. Stilstaan is achteruitgang’.

Het hof leidt uit het gesprek van 1 oktober 2015 verder af dat er tussen onder meer [medeverdachte 1] en verdachte overleg werd gevoerd over APAAN, over percentages voor opdrachtgevers en over het aantal liters eindproduct dat overblijft na een productieproces. Het hof leidt uit het gesprek tot slot af dat door [medeverdachte 1] en verdachte werd gesproken over het opbouwen van nieuwe productielocaties. Zo vroeg [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 1] wanneer hij eraan kon beginnen, waarop [medeverdachte 1] als volgt antwoordde: ‘Zodra ik de ruimte heb. Maandag niet denk ik. We gaan eerst opbouwen.’ Verdachte zei hierna tegen [medeverdachte 1] : ‘Ik weet hoe dat gaat, dat wordt een flop. Je moet vertellen, als je maximaal kan beginnen dinsdag of woensdag. Die afzuiger moet fatsoenlijk gemaakt worden. (…) Maar kunnen geen stommiteiten veroorloven. Ik ga ervan uit dat woensdag maximaal aan kunnen pakken... Ik ga het niet eerder aanpakken. Dat moet je niet doen! Snij je, je eigen in de vinger! Als iets tegen zit, als je een kabel niet hebt als je dit niet hebt, ben je zwaar de lul.'

Verder leidt het hof, anders dan de verdediging, uit de gesprekken die na voornoemd gesprek in de loods aan de [adres 1] zijn gevoerd – te weten de gesprekken van 20 november 2015, 8 december 2015 en 11 december 2015 – af dat het gesprek van 1 oktober 2015 gevolg heeft gekregen. Zo wordt op 20 oktober 2015 in een gesprek tussen onder meer [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] erover gesproken dat op 28 oktober 2015 politie-invallen werden gedaan in België en Noord-Brabant en dat [medeverdachte 5] en verdachte daarom pas na die dag aan de gang konden gaan. Verder volgt uit het OVC-gesprek van 20 november 2015 dat er die dag wederom een samenkomst tussen (onder meer) [medeverdachte 1] en verdachte is geweest, waarbij over de productie van amfetamine is gesproken. In dit gesprek gaf verdachte aan dat hij een persoon verwachtte. Enkele minuten later arriveerde [medeverdachte 1] bij de loods aan de [adres 1] . Voorts gaf verdachte in dit gesprek aan dat er genoeg te verdienen is als er ‘Ap’ (het hof begrijpt: APAAN) is. Even later werd in zijn aanwezigheid door onder meer [medeverdachte 1] gesproken over begrippen als ‘zwavel’ en ‘APAAN’ . Wederom verlieten [medeverdachte 1] en verdachte samen de loods.Uit het OVC-gesprek tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] van 8 december 2015 – in welk gesprek over grondstoffen en APAAN werd gesproken – volgt dat [medeverdachte 1] 15.000 kilo APAAN tot zijn beschikking had en dat bij [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] het idee heerste dat [medeverdachte 1] daarbij samenwerkte met verdachte.
Conclusie ten zake van de OVC-gesprekken

Het hof heeft hiervoor uitgelegd dat voorzichtigheid is geboden bij de interpretatie van afgeluisterde gesprekken en het trekken van conclusies daaruit. Het hof concludeert dat de inhoud van de onderhavige OVC-gesprekken weliswaar veelal niet direct duidelijkheid verschaffen over de al dan niet strafbaarheid van hetgeen wordt besproken, maar uit onderlinge samenhang en het onderlinge verband van de inhoud afgeluisterde en opgenomen gesprekken en hetgeen op grond van andere bewijsmiddelen in het dossier aanwezig is, leidt het hof af deze gesprekken in hoofdzaak gaan over (voorbereidings)handelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. Daarbij wijst het hof op de omstandigheid dat de inhoud van de voornoemde OVC-gesprekken voor een buitenstaander veelal niet inzichtelijk zijn – zo wordt er gesproken over ‘APAAN’, ‘zwavel’, ‘Miauw ’, ‘B’, ‘gele A’ en ‘caustic soda’ – terwijl de gesprekspartners telkens precies lijken te weten waar de gesprekken over gaan.

Het hof leidt uit het voorgaande in de eerste plaats af dat er een duidelijke samenwerking tussen [medeverdachte 1] en verdachte was met betrekking tot de benodigdheden voor de productie van synthetische drugs, zoals APAAN en dekens, en met betrekking tot het opbouwen van productielocaties. Zij hadden daarbij tevens een gezamenlijk doel, hetgeen blijkt uit het feit dat zij meermalen in de ‘we-vorm’ met elkaar spraken. De samenwerking bestond uit het voeren van overleg en uit een onderlinge taakverdeling. Verdachte gaf hierbij specifieke instructies door onder meer aan te geven hoeveel dekens hij nodig had, dat er een afzuiger moest worden gemaakt en door aan te geven welke dag er volgens hem het best kon worden begonnen met de nieuwe productielocatie. De voornoemde samenwerking wordt bovendien ondersteund door de omstandigheid dat [medeverdachte 1] en verdachte kort hierna samen de loods hebben verlaten. De omstandigheid dat ook anderen bij het gesprek op 1 oktober 2015 aanwezig waren, doet niet af aan het oordeel van het hof dat, gezien de inhoud en context van het gesprek, in samenhang bezien, op 1 oktober 2015 sprake is geweest van concrete en specifieke afspraken en afstemmingen tussen [medeverdachte 1] en verdachte met betrekking tot de productie van amfetamine.

Het hof is tevens van oordeel dat de inhoud en context van het gesprek van 11 december 2015 belastend voor verdachte is te noemen. In dit gesprek gaf verdachte aan dat [medeverdachte 1] een lijst over grondstoffen nodig had en [medeverdachte 5] zei dat hij ‘caustic soda’ voor [medeverdachte 1] had liggen. Verder zei verdachte dat [medeverdachte 1] ‘een zekere is en het goed doet’ en dat hij ‘alles precies uitrekent, en zei [medeverdachte 5] dat [medeverdachte 1] goed spul maakt. Voorts gaf verdachte in dit gesprek te kennen dat hij de beschikking had over een ‘hok net over de grens’ en dat ‘alles er al in staat met alle bakken erin’. Tot slot zei verdachte in dit gesprek dat hij de beschikking had over APAAN en vroeg hij aan [medeverdachte 5] of [medeverdachte 1] APAAN had ingeslagen

De verdediging heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat uit de OVC-gesprekken niet duidelijk blijkt dat verdachte telkens NN611 was, nu de politie heeft geconstateerd dat de stemmen van [medeverdachte 1] en NN611 op elkaar leken en mogelijk door elkaar zijn gehaald. Het hof verwerpt dit verweer. Het hof merkt op dat in het gesprek met sessienummer 9044.066, zijnde het gedeelte waarin NN611 arriveerde nadat [medeverdachte 1] al geruime tijd deelnemer aan het gesprek was, door de politie niet is opgemerkt dat de stemmen van [medeverdachte 1] en NN611 op elkaar leken. Ten aanzien van de tot het bewijs gebezigde delen van het gesprek met sessienummers 9044.067, 9044.068 en 9044.069 constateert het hof dat verbalisant [verbalisant 5] inderdaad telkens opmerkte dat de stemmen van [medeverdachte 1] en NN611 op elkaar leken en mogelijk verward waren. Deze gesprekken zijn enkele maanden later echter nogmaals beluisterd door verbalisant [verbalisant 6] . [verbalisant 6] heeft de in de bewijsmiddelen opgenomen zinnen zonder voorbehoud aan NN611 toegeschreven. Het hof merkt nog op dat, zelfs als er onduidelijkheid zou bestaan over wie wat precies heeft gezegd, dit onverlet laat dat ook de delen van het gesprek die aan [medeverdachte 1] zijn toegeschreven, belastend zijn en duiden op een samenwerking tussen [medeverdachte 1] en verdachte.

Het hof is ter zake van de OVC-gesprekken tot slot van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte op geen enkel moment enige uitleg heeft gegeven over de OVC-gesprekken, gelet op de inhoud en context van de gesprekken, in dit geval in zijn nadeel werkt. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat hij niet wist waar alle OVC-gesprekken die hem werden voorgehouden over gingen en dat hij bij zijn politieverklaring bleef. Bij de politie heeft verdachte echter inhoudelijk niets willen verklaren over de OVC-gesprekken toen hij hiermee werd geconfronteerd. Hij beriep zich op zijn zwijgrecht en zei dat hij de gesprekken eerst met zijn advocaat wilde bespreken. Bij confrontatie met de inhoud van de OVC-gesprekken heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op gelijke wijze gereageerd. Het hof neemt deze houding van verdachte in aanmerking bij zijn bewijsoordeel. Immers, bestendige jurisprudentie is dat de rechter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking mag nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584; HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1767 en HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97).

Het hof overweegt verder dat naast de ontmoetingen tussen [medeverdachte 1] en verdachte waarbij de tot het bewijs gebezigde OVC-gesprekken zijn opgenomen, gedurende het onderzoek nog meerdere ontmoetingen tussen hen zijn vastgesteld. Eén van die ontmoetingen betrof een ontmoeting op 15 december 2015 in een bedrijf op de locatie [adres 4] . Op deze locatie is enkele maanden later een drugslaboratorium aangetroffen ten behoeve van de productie van synthetische drugs en in nagenoeg alle ruimten van het bedrijf werden materialen/middelen of chemicaliën aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan de vervaardiging en/of bewerking van synthetische drugs en het omzetten van de precursor APAAN voor de vervaardiging van BMK.

Ten slotte volgt uit het dossier dat medeverdachte [medeverdachte 1] daadwerkelijk betrokken is geweest bij meerdere productielocaties, waaronder de locatie te Dilsen-Stokkem.

Conclusie van het hof

Het hof acht op grond van de inhoud van alle OVC-gesprekken en uit de inhoud van de overige bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van in elk geval [medeverdachte 1] en verdachte, welke organisatie als oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet. Het samenwerkingsverband had een zekere duurzaamheid en structuur. Het hof concludeert dit op basis van de omstandigheden dat er direct na de ontdekking van een drugslaboratorium te Dilsen-Stokkem overleg is gevoerd tussen [medeverdachte 1] en verdachte over nieuwe productielocaties en benodigde materialen voor de productie van synthetische drugs, dat er hierna nog meer samenkomsten zijn vastgesteld waarbij wederom werd gesproken over de productie van synthetische drugs door [medeverdachte 1] en verdachte, alsmede gelet op de omstandigheid dat verdachte in een later stadium zelf kenbaar heeft gemaakt dat hij de beschikking had over APAAN en een productielocatie net over de grens.

Volgens het hof blijkt uit het voorgaande dat verdachte tezamen met [medeverdachte 1] een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur vormde. Blijkens de OVC-gesprekken die op diverse data zijn afgeluisterd en opgenomen had deze samenwerking een meer dan een incidenteel karakter waarin gedurende een vaste periode overleg werd gevoerd over de aanpak van de (voorbereidings)handelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. Dat verdachte niet elke betrokkene kende, doet hieraan niet af. Verdachte vormde met [medeverdachte 1] blijkens de diverse gesprekken, waarin meermalen in de ‘we-vorm’ met elkaar werd gesproken, een vaste kern. Het samenwerkingsverband tussen verdachte en [medeverdachte 1] had daarbij blijkens de inhoud van de OVC-gesprekken het oogmerk van het plegen van misdrijven in de zin van artikel 11b Opiumwet gehad.

Ten slotte acht het hof het handelen van de verdachte aan te merken als deelneming aan de organisatie. Uit de OVC-gesprekken leidt het hof niet alleen af dat verdachte behoort tot het samenwerkingsverband met [medeverdachte 1] en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Ook blijkt uit de gesprekken dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat het oogmerk van het samenwerkingsverband met [medeverdachte 1] is het plegen van een of meer specifieke misdrijven uit de Opiumwet. Verdachte is blijkens zijn uitlatingen in de OVC-gesprekken nadrukkelijk betrokken bij de (voorbereidings)handelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. In deze gesprekken werd overleg gevoerd en gaf verdachte specifieke instructies door, waarbij uit de inhoud van de gesprekken tevens duidelijk is geworden dat verdachte wist dat het samenwerkingsverband met [medeverdachte 1] als oogmerk had het plegen van een of meer specifieke misdrijven uit de Opiumwet.

Op grond van het voorgaande acht het hof het onder parketnummer 01-993324-16 onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en acht bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die het oogmerk het plegen van Opiumwetdelicten.

Partiële vrijspraak

Door de advocaat-generaal is gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring van het onder parketnummer 01-993324-16 onder 3 ten laste gelegde feit.

Het hof is van oordeel dat uit de tot het bewijs gebezigde gesprekken onvoldoende blijkt dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] tot de bedoelde criminele organisatie behoren. Met name kan het hof niet vaststellen dat het samenwerkingsverband tussen verdachte en deze personen een zekere duurzaamheid en structuur had.

Het hof is van oordeel dat uit de tot het bewijs gebezigde gesprekken onvoldoende blijkt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld op lijst I en/of II van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, alsmede. Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Met de raadsman overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende vast is komen te staan dat de verdachte binnen de criminele organisatie en beslissende en leidinggevende rol heeft vervuld. Niet bewezen kan worden dat de verdachte binnen de organisatie een dusdanige zeggenschap had dat hij [medeverdachte 1] dwingend heeft aangestuurd of gecontroleerd. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-993324-16 onder 3 bewezen verklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

Het in de zaak met parketnummer 01-993410-16 onder 1 bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-993410-16 onder 2 bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-993410-16 onder 3 bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die zich schuldig maakte aan(voorbereidings)handelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. De verdachte vormde samen met een ander een samenwerkingsverband dat als oogmerk had het verrichten van (voorbereidings)handelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. Verdachte heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de totstandkoming van laboratoria waar voornoemde synthetische drugs en grondstoffen voor synthetische drugs werdenvervaardigd.
De chemische processen bij de productie van synthetische drugs en de ongecontroleerdeopslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie brengen grote veiligheidsrisico’smet zich. Het is ook algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs grotegezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs, dat voornoemdedrugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te kunnenvoorzien.
Het is tot slot ook een feit van algemene bekendheid dat de productie van en handel insynthetische drugs in handen is van grote, georganiseerde criminele verbanden, die daarmeegrote winsten maken en hun belangen beschermen met geweld en bedreiging met geweld.Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en heeftkennelijk enkel gehandeld uit eigen belang, zonder zich te bekommeren om de schadelijkegevolgen van zijn handelen voor de maatschappij.
Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verbodenwapens en verboden munitie. Het voorhanden hebben van wapens en munitie is gevaarlijken kan een risico voor de veiligheid van personen met zich brengen. De samenleving moetworden beschermd tegen het ongecontroleerd en illegaal bezit van wapens onder burgers.Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het verboden bezit van een grotehoeveelheid hennep. Dit alles rekent het hof verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 december 2018, waaruit blijkt dat hij reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie. Hij heeft hiervoor een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren opgelegd gekregen. Deze forse veroordeling heeft hem er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een dergelijk strafbaar feit.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, alsmede gelet op de recidive van verdachte, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Nu het hof minder bewezen verklaart (een kortere pleegperiode en een criminele organisatie van een geringere omvang) dan de rechtbank en dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, zal het hof een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Beslag

Het hof zal geen beslissing nemen omtrent het beslag, nu verdachte ter terechtzitting van 25 februari 2019 te kennen heeft gegeven dat hij afstand doet van de ter zake van het ten laste gelegde in beslag genomen goederen en de advocaat-generaal op die terechtzitting heeft medegedeeld dat hij ervoor zorg zal dragen dat hetgeen overigens onder verdachte in beslag is genomen, aan hem zal worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-993324-16 onder 1 en 2 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-993324-16 onder 3 en in de zaak met parketnummer 01-993410-16 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het in de zaak met parketnummer 01-993324-16 onder 3 en in de zaak met parketnummer 01-993410-16 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van ;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,mr. A.M.G. Smit en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,en op 11 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
BIJLAGE

Parketnummer: 20-000081-18

Datum uitspraak: 11 maart 2019

Aanvulling bewijsmiddelen

Arrest inzake:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.
Aangevuld door het gerechtshof op 11 maart 2019

en ondertekend op die datum door mr. J.T.F.M. van Krieken.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt— tenzij anders vermeld —bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche, onderzoek [onderzoek 2] , gesloten op 21 juni 2016. Het proces-verbaal bestaat uit een algemeen dossier, persoonsdossiers, zaaksdossiers 1 t/m 9, beslagdossiers, bobdossiers en aanvullende dossiers. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemde dossiers.
Ten aanzien van parketnummer 01-993324-16:

1.

Relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]
_0a370ee1-5df1-4968-9aa3-76f7f70ea27a

(p. 11)

Uit een proces-verbaal van een materiedeskundige op het gebied van synthetische drugs en precursoren bleek dat met de term ‘verwarmingsdekens’ in de criminele drugswereld vermoedelijk wordt verwezen naar elektrische dekens of mantels die gebruikt worden bij de conversie van APAAN of bij de tweede kookstap van de productie van amfetamine. Uit ditzelfde proces-verbaal bleek dat met de term ‘smelten’ vermoedelijk werd verwezen naar het omzetten van een poedervormige precursor, zoals APAAN, naar de vloeibare stof BMK.
(p. 49)

Productielocatie Dilsen-Stokkem.Op 10 februari 2016 werd door de Belgische autoriteiten een rechtshulpverzoek verzonden aan de Nederlandse autoriteiten. Uit dit rechtshulpverzoek bleek dat de Belgische federale Gerechtelijke Politie Limburg op 30 september 2015 een omzettingslaboratorium (APAAN naar BMK) en een in werking zijnde amfetaminelaboratorium had aangetroffen in een stal van een aspergebedrijf gelegen aan de [adres 3] te Dilsen-Stokkem (België). In deze stal werd op heterdaad aangehouden: [medeverdachte 8] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 3] . Uit het voornoemd rechtshulpverzoek bleek verder dat de Nederlandse autoriteiten op 25 september 2015 te 10.43 uur informatie hadden verstrekt aan de Belgische autoriteiten met betrekking tot de locatie van een gestolen personenauto van het merk BMW type X5 met als originele kenteken [kenteken 2] doch voorzien van het valse kenteken [kenteken 3] . Deze personenauto zou zich op dat moment bevinden op het perceel gelegen aan de [adres 3] te Dilsen-Stokkem. Uit onderzoek van de lokale politie Maasland bleek dat het voornoemde voertuig op 26 september 2015 niet meer aanwezig was op het betreffende adres. Later werd de Belgische federale Gerechtelijke Politie Limburg door de Nederlandse Politie in kennis gesteld van het feit dat de voornoemde BMW op 05 oktober 2015 in beslag was genomen. Het voertuig werd op dat moment bestuurd door: [medeverdachte 7] geboren [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] . De BMW werd ter hoogte van de woning van [medeverdachte 7] , gelegen aan de [adres 2] , in beslag genomen. Tijdens deze inbeslagname kwam [medeverdachte 1] ter plaatse en deze deelde de betreffende verbalisanten mede dat hij het voertuig in bruikleen had van [medeverdachte 8] voornoemd. Verder bleek uit het rechtshulpverzoek dat er gedurende de doorzoeking van het amfetaminelaboratorium opnameapparatuur werd aangetroffen met daarop videobeelden van de periode van 16 september 2015 tot en met 30 september 2015. Op deze beelden waren verschillende voertuigen en personen te zien, waaronder [medeverdachte 8] voornoemd. Eén van de andere personen vertoonde een grote gelijkenis met [medeverdachte 1] .
Op donderdag 19 mei 2016 ontving het onderzoekteam [onderzoek 2] informatie van de Belgische federale Gerechtelijke Politie Limburg, dat in de productielocatie aan de [adres 3] te Dilsen-Stokkem (België) DNA-materiaal van [medeverdachte 1] was aangetroffen. Tevens ontving het onderzoeksteam [onderzoek 2] , op politiebasis, een proces-verbaal met betrekking tot de voornoemde videobeelden. Op deze beelden herkenden leden van het onderzoeksteam [onderzoek 2] onder andere [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de Volkswagen Transporter welke op 03 februari 2016 werd aangetroffen in Moergestel met daarin 1000 liter afvalstoffen afkomstig van de productie van Amfetamine.

(p. 50)

Productielocatie MoergestelOp 4 april 2016 werd tijdens een doorzoeking, in het autobedrijf [bedrijf 2] gelegen aan de [adres 4] , een productielocatie van synthetische drugs aangetroffen. In autobedrijf [bedrijf 2] werd in een afsluitbare inpandige ruimte chemicaliën aangetroffen (mierenzuur, mengsel methanol/methylamine) ten behoeve van de productie van synthetische drugs zoals amfetamine en MDMA (XTC). Tevens werden er twee custom made RVS-ketels aangetroffen waarvan bij één ketel sporen van MDMA-productie zichtbaar waren en een sterke MDMA-geur te ruiken was. Tevens bleek de labruimte en de voorruimte volledig besmet met blauw poeder welke zeer waarschijnlijk gebruikt was voor de vervaardiging van XTC-tabletten met tabletteermachines in die ruimte. De locatie [adres 4] is zeer waarschijnlijk gebruikt als tabletteerplaats van MDMAJXTC-tabletten alsmede als middelgrote productieplaats/drugslab voor MDMA. Mogelijk dat de aangetroffen amfetamine ter plekke versneden is en van elders afkomstig is. In nagenoeg alle ruimten van het garagebedrijf werden materialen/middelen of chemicaliën aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan de vervaardiging en/of bewerking van synthetische drugs zowel MDMA en amfetamine en het omzetten van de precursor APAAN voor de vervaardiging van BMK.
2.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
_43eeaf5d-dede-4a5a-b994-cab6accdb6be

Het onderzoek werd gestrat naar aanleiding van een proces-verbaal afkomstig van het Team Criminele Inlichtingen. De tekst van dit proces-verbaal luidde:
“De loods van een bedrijf aan de [adres 1] te Best wordt gebruikt bij grootschalige importhandel van grondstoffen voor de productie van XTC.”

Blijkens gegevens afkomstig van de Kamer van Koophandel staat vanaf 15 juni 2004 op de [adres 1] te Best het [bedrijf 1] [ingeschreven].

Tijdens het onderzoek werd gebruik gemaakt van een video-opstelling welke was gericht op het pand aan de [adres 1] te Best. Gebleken is dat een aantal van de geïdentificeerde personen zich in het verleden hadden schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet.

Er is een bevel afgegeven tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met eentechnisch hulpmiddel in een bedrijfspand aan de [adres 1] te Best. Het opnemenvond plaats in drie periodes, [waaronder] periode 1 september 2015 tot en met 18 januari 2016.
Uit de videobeelden en de OVC-gesprekken bleek dat het pand [adres 1] te Bestdagelijks werd bezocht door een groot aantal personen waarvan een groot deel zichbezighoudt met de handel in verdovende middelen. Tevens bleek uit de OVC-gesprekken dat er op grote schaal verdovende middelen en/of grondstoffen voor de productie van synthetische drugs werden verkocht en/of doorverkocht.
Op 12 februari 2015 werd een proces-verbaal van identificatie van [verdachte] opgemaakt. Hierin staat vermeld dat NN515 een bezoeker is van de [adres 1] te Best. Op 20 oktober 2015 werd een proces-verbaal van identificatie van [verdachte] , als bezoeker van de [adres 1] te Best, opgemaakt. Hierin wordt [verdachte] aangeduid als NN611. Deze NN611 wordt geïdentificeerd als [verdachte] , geboren op 19 juni 1979 te Tilburg. Ambtshalve is mij, verbalisant, bekend dat de roepnaam van [verdachte] “ [roepnaam] ” is. Omdat een groot aantal OVC-gesprekken zijn uitgewerkt door meerdere verbalisanten zijn er meerdere schrijfwijzen gebruikt voor de naam “ [roepnaam] ”.
3.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
_5e6a144c-ffdf-4969-ac00-c3ab373ea909

Gedurende het onderzoek [onderzoek 1] bleek dat het pand aan de [adres 1] te Best onder meer werd bezocht door een persoon die werd aangeduid met de volgnummers NN515 en NN611. In de processen-verbaal van identificatie is gerelateerd dat NN515 en NN611 geïdentificeerd is als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] .
Gedurende het onderzoek [onderzoek 1] is gebruik gemaakt van een camerapositie gericht op de voorzijde van een loods gelegen aan de [adres 1] te Best. Van elke bezoeker van de genoemde locatie is een ‘still’ opname gemaakt van de opgenomen videobeelden. Elk bezoek aan de [adres 1] is geregistreerd in het geautomatiseerde politiesysteem Summ-IT. Deze registratie werd gemaakt bij aankomst en vertrek. Naast de genoemde videobeelden is er tevens gebruik gemaakt van audio-opnameapparatuur welke is geplaatst in de genoemde loods. Aan de hand van de combinatie van de geregistreerde aankomst van personen met de geluidsopname kon worden vastgesteld welke stem bij welke persoon hoorde. Blijkens de gegevens van het genoemde Summ-IT is [verdachte] gekoppeld aan de volgende bezoeken aan de [adres 1] te Best:Naam Voertuig Datum Aankomst VertrekNN514 en NN515 [kenteken 4] 15-01-2015 14:34 uur 15:41 uurNN611 [kenteken 5] 13-07-2015 13:55 uur 15:22 uurNN611 en NN639 [kenteken 1] 21-08-2015 12:53 uur 13:31 uurNN611 [kenteken 1] 01-10-2015 14:44 uur 15:03 uur [verdachte] [kenteken 1] 20-11-2015 11:44 uur 12:41 uur [verdachte] [kenteken 1] 11-12-2015 15:18 uur 15:50 uur [verdachte] en [kenteken 1] 14-12-2015 15:13 uur 16:04 uur [medeverdachte 14] en NN434
Opmerking verbalisant: Ten tijde van de bezoeken van [verdachte] op 15 januari 2015, 13 juli 2015 en 21 augustus 2015 werden er op de [adres 1] te Best geen opnames gemaakt van vertrouwelijke gesprekken (OVC). Op 1 oktober 2015 13.54 uur arriveert de verdachte [medeverdachte 1] te voet op de [adres 1] te Best en vertrekt om 15.03 uur tezamen met N611 [verdachte] in een voertuig voorzien van het [kenteken 1] .

Voorts is de in dit proces-verbaal genoemde [verdachte] gekoppeld aan de navolgende OVC-gesprekken:

Gespreksnummer Datum Start opname 9043.054 30-09-2015 13.41 uur9044.066 1-10-2015 14.45 uur9044.067 1-10-2015 14.50 uur9044.068 1-10-2015 14.55 uur9044.069 1-10-2015 15.01 uur9063.040 20-10-2015 12.29 uur9094.043 20-11-2015 11.46 uur9094.044 20-11-2015 11.52 uur9094.048 20-11-2015 12.13 uur9115.084 11-12-2015 15.24 uur9115.085 11-12-2015 15.30 uur9115.088 11-12-2015 15.45 uur9115.089 11-12-2015 15.51 uur
Opmerking verbalisant: De koppeling van een bezoeker van de [adres 1] te Best aan een OVC-gesprek kan enerzijds liggen in het feit dat de verdachte zelf deelneemt aan de gesprekken of anderzijds aan het feit dat er in de opgenomen gesprekken over hem wordt gesproken.

4.

Proces-verbaal van identificatie [verdachte]
_3ee806e0-6a52-409b-b2ba-c1faacc3d229

Naar aanleiding van een proces-verbaal afkomstig van de Criminele Inlichtingen Eenheid waarin het volgende staat gerelateerd: “De loods van een bedrijf aan de [adres 1] te Best, wordt gebruikt bij grootschalige import/handel van grondstoffen voor de productie van XTC.”werd op 5 september 2013 na bevel van de [officier van justitie] stelselmatige observatie zoals bedoeld in artikel 126 g van het Wetboek van Strafvordering, een cameraopstelling gerealiseerd op het bedrijfspand gelegen aan de [adres 1] te Best. Gedurende het onderzoek van de FIOD was gebleken dat er onder andere een groot aantal personen die zich bezighouden met de handel in verdovende middelen, meermaals het pand aan de [adres 1] in Best bezoeken. Al deze personen werden aangeduid als NN gevolgd door een volgnummer.
Gedurende het onderzoek [onderzoek 1] werd de camerapositie gehandhaafd waarbij er zicht was op onder andere de toegangsdeur van het pand. Uit de opgenomen beelden is gebleken dat NN611 een bezoeker is van de [adres 1] te Best (bijlage 1: snapshotfoto).

De hierboven genoemde snapshotfoto betreft de mij ambtshalve bekende [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] . Gezien vorenstaande kan worden gesteld dat NN611 betreft: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] .

5.

OVC-gesprek van 30 september 2015

Op 30 september 2015 te 13:41:49, sessienummer 9043.054, is er een gesprek opgenomen van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [m