Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:68

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-01-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:68, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 001205-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:68:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht
Bijzondere zaak, nummer: AVNR. 001205-18Parketnummer 1e aanleg: [nummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de [rechtbank] van [datum] , waarbij namens:

[naam verdachte]
geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]wonende te [adres]thans verblijvende in [detentieplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de [rechtbank] van [datum] , bij welke beschikking de gevangenhouding van [naam verdachte] werd bevolen.

Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

Het hof heeft kennis genomen van de akte rechtsmiddel waarbij namens verdachte tijdig beroep is aangetekend tegen het bevel gevangenhouding voor de duur van 90 dagen.

Het hof heeft kennis genomen van het dossier.

Uit het dossier blijkt dat verdachte wordt verweten, kort gezegd, afpersing. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier voldoende ernstige bezwaren jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten. Het hof verwijst daarvoor onder meer naar het proces van bevindingen pag. 36, het proces verbaal aangifte pag. 42, het proces verbaal inhoudende de verklaring van de getuige [naam] pag. 46, het proces verbaal van het verhoor van [naam] pag. 71, het proces verbaal van het verhoor van verdachte, pag. 146, het proces verbaal inhoudende het verhoor van [naam] pag.166, en het aanvullend proces verbaal betreffende de aangifte door [naam] en het verhoor van [naam] .

Het hof stemt ook in met het recidivegevaar. Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking gekomen, ook voor geweld en bedreiging met geweld, en is daar ook voor veroordeeld. Verdachte liep bovendien ten tijde van het plegen van de thans aan hem verweten feiten, in een proeftijd. Kennelijk beschikt verdachte over een mentaliteit waarin geweld niet wordt geschuwd, ondanks eerdere veroordelingen en aan verdachte opgelegde voorwaarden ter zake van een veroordeling tot een voorwaardelijke straf. Voorts lijkt hetgeen verdachte wordt verweten voort te komen uit een conflict met betrekking tot handel in weed welk conflict naar het zich laat aanzien nog niet beëindigd is.

Het hof wijst af het beroep.

Namens verdachte is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft in beginsel het recht zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in het onderhavige geval, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, wanneer hij zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, zich schuldig zal maken aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. In een dergelijk geval zal de rechter, op grond van het subsidiariteitsbeginsel dienen na te gaan of niet ook op andere, voor de verdachte minder bezwarende wijze, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Dat belang is gelegen in het verschoond blijven van een of meer strafbare feiten, gepleegd door verdachte. De rechter zal zulks ook dienen na te gaan wanneer er geen uitdrukkelijk verzoek tot schorsing is gedaan of wanneer een dergelijk verzoek niet of onvoldoende is onderbouwd, tenzij op voorhand reeds duidelijk is dat verdachte niet bereid of in staat is de aan een schorsing te verbinden voorwaarden na te leven, dan wel reeds op voorhand duidelijk is dat schorsing in beginsel niet aan de orde is omdat verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan een strafbaar feit waar naar de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf op staat en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. In een dergelijk geval is schorsing in beginsel slechts aan de orde wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden waardoor het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis moet wijken voor het persoonlijk belang dat verdachte heeft bij het in vrijheid afwachten van zijn berechting.

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank het verzoek tot schorsing afgewezen slechts omdat het onvoldoende zou zijn onderbouwd. Daarmee heeft de rechtbank miskend dat de rechter ook ambtshalve dient na te gaan of schorsing van de voorlopige hechtenis aan de orde is. In zoverre kan de beslissing van de rechtbank niet in stand blijven en zal het hof die beslissing voor wat betreft de afwijzing van het verzoek tot schorsing vernietigen en opnieuw recht doen.

Het hof zal de voorlopige hechtenis evenwel niet schorsen. Daartoe overweeg het hof als volgt.

Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking gekomen, ook voor geweld en bedreiging met geweld en is daar ook voor veroordeeld. Bovendien liep verdachte ten tijde van het plegen van de thans aan hem verweten feiten in een proeftijd ter zake van een veroordeling wegens mishandeling en bedreiging met een misdrijf gericht tegen het leven. Kennelijk is verdachte niet bereid of in staat voorwaarden na te leven. Het hof ziet thans niet welke voorwaarden aan een schorsing van de voorlopige hechtenis moeten worden gesteld om de kans op herhaling terug te brengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau. Dat oordeel kan anders zijn wanneer een daartoe redengevend advies van de reclassering voor ligt.

Het hof wijst af het verzoek.


BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:



Wijst af het hoger beroep.

Bevestigt de beschikking waarvan beroep.

Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gedaan op 10 januari 2019door mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter, mr. F.J.M. Walstock en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.

's-Hertogenbosch, 10 januari 2019

Gezien d.d. De directeur van [detentieplaats]