Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:67

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-01-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:67, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 001207-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:67:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht
Bijzondere zaak, nummer: AVNR. 001207-18Parketnummer 1e aanleg: [nummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de [rechtbank] van [datum] , waarbij namens:

[naam verdachte]
geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]wonende te [adres]thans verblijvende in [detentieplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de [rechtbank] van [datum] , bij welke beslissing het verzoek tot opheffing van de aan [naam verdachte] opgelegde voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw.

Het hof heeft kennis genomen van de akte rechtsmiddel waarbij namens verdachte tijdig beroep is ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft kennis genomen van het dossier.

Het hof heeft vastgesteld dat verdachte eerder in beroep is gekomen tegen een afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis welk beroep inhoudelijk door dit hof is behandeld en afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Krachtens de wet, artikel 87, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, heeft de verdachte het recht om eenmaal in hoger beroep te komen van een afwijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Krachtens artikel 406, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, heeft de verdachte het recht te appelleren tegen een ter terechtzitting gegeven afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis maar die bepaling laat de algemene regel waarbij de beroepsmogelijkheid is beperkt als genoemd in artikel 87, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, onverlet. Het hof heeft daarbij mede gelet op de omstandigheid dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 406, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, blijkt dat het niet de bedoeling van de wetgever destijds is geweest om met de introductie van de voorziening om los van het eindvonnis te appelleren tegen een afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis een nieuwe appelmogelijkheid te introduceren:“In artikel 87, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is als hoofdregel bepaald dat de verdachte die voor de eerste maal aan de rechtbank schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht, van de afwijzing binnen drie dagen na de betekening van de beslissing van de rechtbank in hoger beroep kan bij het gerechtshof. Daaruit volgt dat de verdachte slechts één keer kan appelleren tegen een beslissing, waarbij een verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. De leden van de GPV-fractie vragen of het onder de voorgestelde regeling mogelijk is dat degene wiens verzoek reeds voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is afgewezen, andermaal een beroepsmogelijkheid krijgt als die afwijzing plaats vindt nadat het onderzoek is geopend. Het is juist dat niet de bedoeling is geweest met de regeling nieuwe beroepsmogelijkheden te creëren; de toevoeging in artikel 406, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is opgenomen ten behoeve van de verdachte die niet eerder om opheffing van zijn voorlopige hechtenis heeft verzocht. Voor het overige biedt de bepaling van artikel 87, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering een voldoende regeling. De door deze leden opgeworpen vraag naar een mogelijke discrepantie tussen de bepaling van artikel 71, eerste lid, en artikel 406, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering beantwoord ik met verwijzing naar het voorgaande ontkennen", aldus de Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 96-97,24219,nr. 12. p.8-9, en naar de beschikking van dit hof: ECLI:NL:GHSHE:2017:5971.
Het hof verwijst voorts naar een arrest van de Hoge Raad, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:BZ6526 alsmede naar de Conclusie van de Advocaat-Generaal, ECLI:NL:PHR:2013:BZ6526.

Nu verdachte eerder in beroep is gekomen tegen de afwijzing van een verzoek tot opheffing kan gelet op artikel 87, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, verdachte thans niet worden ontvangen in zijn hoger beroep.

Het hof verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn beroep.


BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:



Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Aldus gedaan op 10 januari 2019door mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter, mr. F.J.M. Walstock en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.

's-Hertogenbosch, 10 januari 2019

Gezien d.d. De directeur van [detentieplaats]