Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:44

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 08-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:44, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.210.872_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.210.872/01

arrest van 8 januari 2019

in de zaak van

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. J.J.M. Damen te Breda,
tegen

Coöperatieve Rabobank U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als Rabobank,advocaat: mr. S.J. van IJsendoorn te Amsterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 april 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/312152 / HAZA 16-137 gewezen vonnis van 30 november 2016.

ECLI:NL:GHSHE:2019:44:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.210.872/01

arrest van 8 januari 2019

in de zaak van

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. J.J.M. Damen te Breda,
tegen

Coöperatieve Rabobank U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als Rabobank,advocaat: mr. S.J. van IJsendoorn te Amsterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 april 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/312152 / HAZA 16-137 gewezen vonnis van 30 november 2016.

5

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

-

het tussenarrest van 25 april 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

het proces-verbaal van de comparitie van 11 juli 2017;

-

de memorie van grieven;

de memorie van antwoord.

overwegingen

6

6.1.
De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het vonnis van 30 november 2016 enkele feiten vastgesteld. Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde feiten hieronder weergeven, vernummerd tot 6.2.1 tot en met 6.2.11.
6.2.1.
[appellante] is bij Rabobank in dienst geweest, laatstelijk in de functie van statutair directeur bedrijfsmanagement bij de Rabobank West-Zeeuws Vlaanderen. Het laatstverdiende salaris is € 8.287,15 bruto per maand, exclusief dertiende maand en 8% vakantietoeslag.
6.2.2.
Door een reorganisatie is de functie van [appellante] per 1 oktober 2014 komen te vervallen en is [appellante] boventallig geworden. Dit is in juni 2014 door Rabobank schriftelijk aan [appellante] bevestigd.
6.2.3.
Op de reorganisatie is van toepassing het Sociaal Plan dat is opgenomen in de Rabobank cao 2013-2015 (hierna: het Sociaal Plan). In het Sociaal Plan is – voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang – het volgende bepaald:
“Hoofdstuk 5 Begeleiding van werk naar werk

III 5.1 Begeleidingstraject

Uitgangspunt in het Sociaal Plan is dat iedere boventallige medewerker een goede oplossing vindt. Dat vraagt een serieuze inspanning van zowel de werkgever als medewerker.

De exacte invulling van het begeleidingstraject kenmerkt zich door maatwerk en richt zich op realistische en haalbare baankansen/oplossingen.

(…)

Het begeleidingstraject start vanaf de datum dat de medewerker formeel boventallig wordt. De medewerker gaat, onder begeleiding, op zoek naar een nieuwe baan of in overleg naar een andere oplossing (…)

(…)

Hoofdstuk 6 Beëindiging van het dienstverband

In de volgende situaties zal het dienstverband worden beëindigd:

→ (…)

→ Vinden van een nieuwe baan of oplossing

→ Na een onsuccesvol begeleidingstraject.

De voorwaarden die voor deze situaties gelden worden hieronder per situatie beschreven. (…)

III 6.3 Vinden van een nieuwe baan of oplossing

De boventallige medewerker die tijdens het begeleidingstraject een baan buiten Rabobank vindt, zegt zo spoedig mogelijk zijn arbeidsovereenkomst op. De medewerker zal niet worden gehouden aan zijn opzegtermijn. (…) Indien de medewerker tijdens het begeleidingstraject een andere oplossing vindt, maakt hij dit zo spoedig mogelijk kenbaar en wordt aansluitend het dienstverband beëindigd met wederzijds goedvinden.

(…)

De medewerker ontvangt in deze gevallen een bruto beëindigingsvergoeding die wordt gebaseerd op de formule A x B x C, waarbij A de gewogen dienstjaren zijn, B het laatstverdiende bruto maandinkomen en C een correctiefactor is, die op 0,6 wordt gesteld.

(…)

6.4
Na een onsuccesvol begeleidingstraject

Als aan het einde van de begeleidingstermijn onverhoopt geen baan of andere oplossing is gevonden, eindigt het dienstverband, in beginsel met wederzijds goedvinden, per de eerste van de maand volgend op het einde van de maximale begeleidingstermijn. In dit geval wordt de medewerker een bruto beëindigingsvergoeding toegekend waarvan de hoogte wordt gebaseerd op de formule A x B x C, waarbij A de gewogen dienstjaren zijn, B het laatstverdiende bruto maandinkomen en C een correctiefactor is, die op 1 wordt gesteld.

III 6.5 Algemene bepalingen bij beëindiging

III.6.5.1_Vaststellingsovereenkomst

Beëindiging van het dienstverband vindt plaats met wederzijds goedvinden. Er wordt bij aanvang van de boventalligheid een vaststellingsovereenkomst overeengekomen, waarin de standaard afspraken worden vastgelegd. De standaard afspraken zijn niet individueel onderhandelbaar.

(…)

III.6.5.6_Rekenformule beëindigingsvergoeding

Voor de vaststelling van de beëindigingsvergoeding wordt ter bepaling van het bedrag dat wordt toegekend bij beëindiging van het dienstverband uitgegaan van de volgende rekenformule: het aantal gewogen dienstjaren van de medewerker (A) wordt vermenigvuldigd met het laatstverdiende bruto maandinkomen (B) en met een correctiefactor (C).

A: De dienstjaren worden als volgt gewogen: (…).

B: (…)

C: De hoogte van de correctiefacto bedraagt bij beëindiging van het dienstverband in geval van:

(…)

het vinden van een nieuwe baan of oplossing: C = 0,6

een onsuccesvol begeleidingstraject: C = 1,0

(…)

III.6.5.8_Strekking beëindigingsvergoeding

De betaling van de beëindigingsvergoeding heeft tot doel een compensatie te bieden voor de financiële consequenties van beëindiging van het dienstverband die de medewerker onmiddellijk dan wel in toekomstige jaren kan ondervinden.

(…)”

6.2.4.
Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten, getekend op 28 respectievelijk 31 oktober 2014 (hierna: de vaststellingsovereenkomst), waarin – voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang – het volgende is opgenomen:
3. De werknemer is boventallig verklaard per 1 oktober 2014. Op die datum start ook

het begeleidingstraject dat, inclusief de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn, maximaal 10 maanden zal duren en derhalve op 1 augustus 2015 zal eindigen.

4. De arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en werknemer eindigt met wederzijds

goedvinden per 1 augustus 2015, zijnde de eerste van de maand volgend op de einddatum van het begeleidingstraject genoemd in artikel 3 van deze overeenkomst. In afwijking van het in artikel 4 van deze overeenkomst bepaalde eindigt de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per de datum waarop:

i. een nieuwe arbeidsovereenkomst van de werknemer met een werkgever binnen de

5. De werknemer is verplicht om de werkgever te informeren op het moment dat een

8. De werkgever zal ingevolge het Sociaal Plan Rabobank CAO 2013-2015 aan

werknemer bij beëindiging volgens artikel 4 en artikel 4 sub ii van deze overeenkomst een beëindigingsvergoeding betalen. De werkgever betaalt aan werknemer binnen één maand na het eindigen van de arbeidsovereenkomst de beëindigingsvergoeding.

9. Omdat er ten tijde van de ondertekening van deze overeenkomst nog geen zekerheid

bestaat over de einddatum en het op de einddatum geldende salaris, geschiedt de berekening van de beëindigingsvergoeding bij de beëindiging. (…) Voor de vaststelling van de beëindigingsvergoeding wordt overeenkomstig artikelen 6.5.6 en 6.5.9 Sociaal Plan, ter bepaling van het bedrag dat wordt toegekend bij beëindiging van het dienstverband uitgegaan van de volgende rekenformule: het aantal gewogen dienstjaren van de werknemer (A) wordt vermenigvuldigd met het laatstverdiende bruto maandinkomen (B) en met een correctiefactor (C).

“in aanmerking nemende dat:
(…)

de functie van werknemer door een reorganisatie is komen te vervallen, waardoor werknemer boventallig is geworden;

het Sociaal Plan Rabobank CAO 2013-2015 op werknemer van toepassing is;

(…)

verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

(…)

Rabobank aanvangt;

ii. een nieuwe arbeidsovereenkomst van de werknemer met een werkgever buiten de

Rabobank aanvangt;

een en ander indien die datum gelegen is voor de einddatum van het begeleidingstraject.

andere baan is gevonden.

(…)

10.1.
A: De dienstjaren worden als volgt gewogen: (…)

10.2.
B: (…)

10.3.
C: De hoogte van de correctiefactor bedraagt bij beëindiging van het dienstverband

in geval van:

• •
(…)”

6.2.5.
Het begeleidingstraject van [appellante] is op 1 oktober 2014 gestart. Tijdens het begeleidingstraject heeft [appellante] onder meer gesolliciteerd op een vacature bij de gemeente Rucphen. Die sollicitatie heeft na een aantal gesprekken en een assessment geleid tot een eindgesprek met P&O op 25 juni 2015 en vervolgens tot de brief van 28 juli 2015 waarmee het college van burgemeester en wethouders [appellante] – voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang – als volgt heeft geïnformeerd:
“Wij hebben in onze vergadering van 30 juni 2015 besloten u met ingang van 1 september 2015 voor gemiddeld 36 uur per week tijdelijk voor de duur van een jaar bij wijze van proef aan te stellen in algemene dienst. Wij wijzen u taken toe uit de functie van afdelingsmanager Middelen.

Voor de arbeidsvoorwaarden en de aanvullende rechtspositionele aangelegenheden die voor u van belang zijn verwijzen wij naar bijlage I (…).

Wij verzoeken u de formulieren, die reeds aan u zijn uitgereikt, vóór 1 augustus a.s. bij ons ingevuld in te leveren zodat wij tijdig aan onze administratieve verplichtingen kunnen voldoen.

(…)”

6.2.6.
Uit de bij deze aanstellingsbrief gevoegde bijlage I volgt dat de gemeente Rucphen [appellante] destijds heeft aangesteld onder het voorbehoud van overlegging van een verklaring omtrent het gedrag door [appellante] .
6.2.7.
In de maand juli 2015 is er telefonisch en via e-mail contact geweest tussen [appellante] en de heer [migratiemanager bij Rabobank] , migratiemanager bij Rabobank (hierna: [migratiemanager bij Rabobank] ) inzake de sollicitatieprocedure bij de gemeente Rucphen en de door Rabobank aan [appellante] uit te betalen beëindigingsvergoeding.
6.2.8.
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 1 augustus 2015 geëindigd.
6.2.9.
Bij e-mail van 3 augustus 2015 heeft [appellante] aan [migratiemanager bij Rabobank] bericht dat zij niet akkoord gaat met de door Rabobank op basis van een correctiefactor van 0,6 berekende beëindigingsvergoeding.
6.2.10.
[appellante] heeft in de periode van 1 augustus 2015 tot 1 september 2015 een WW-uitkering ontvangen. Op 1 september 2015 is [appellante] met haar werk bij de gemeente Rucphen gestart. Voor de periode van 1 september 2015 tot en met 30 juni 2017 is aan [appellante] een aanvullende WW-uitkering toegekend.
6.2.11.
Rabobank heeft [appellante] als beëindigingsvergoeding een bedrag van € 69.413,18 bruto uitbetaald, uitgaande van 1 augustus 2015 als einddatum van de arbeidsovereenkomst en een correctiefactor van 0,6.
6.3.1.
In de onderhavige procedure vordert [appellante] veroordeling van Rabobank tot betaling van:met veroordeling van Rabobank in de proceskosten.
-

€ 46.275,47 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 september 2015;

€ 1.237,75 aan buitengerechtelijke kosten;

6.3.2.
Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.Aan [appellante] komt op grond van de vaststellingsovereenkomst een hogere beëindigingsvergoeding toe dan de vergoeding die Rabobank haar heeft uitbetaald, omdat sprake is geweest van een onsuccesvol begeleidingstraject in de zin van de vaststellingsovereenkomst en het Sociaal Plan. [appellante] heeft nadat haar functie bij Rabobank als gevolg van de reorganisatie is komen te vervallen weliswaar een nieuwe baan gevonden, maar niet binnen de periode van het begeleidingstraject. Zekerheid omtrent deze nieuwe baan heeft [appellante] pas op 4 augustus 2015 en dus na afloop van het begeleidingstraject op 1 augustus 2015 verkregen en de nieuwe arbeidsovereenkomst is eerst per 1 september 2015 ingegaan. In plaats van C=0,6 had Rabobank derhalve C=1 moeten toepassen.
6.3.3.
Rabobank heeft als verweer, samengevat, het volgende aangevoerd. De aan [appellante] in verband met de reorganisatie toekomende beëindigingsvergoeding is terecht vastgesteld op basis van C=0,6. Bepalend is of tijdens het begeleidingstraject een nieuwe baan of een andere oplossing is gevonden. De desbetreffende bepalingen in de vaststellingsovereenkomst en het Sociaal Plan moeten zo worden uitgelegd dat een nieuwe baan onder meer is gevonden indien tijdens het begeleidingstraject door een nieuwe werkgever een concreet aanbod wordt gedaan, hetgeen in het geval van [appellante] is gebeurd. Er is dus sprake van een succesvol begeleidingstraject waarbij een correctiefactor van 0,6 geldt. Er bestaat alleen dan aanspraak op een beëindigingsvergoeding op basis van C=1 indien aan het einde van het begeleidingstraject geen passende oplossing is gevonden. Die situatie heeft zich hier niet voorgedaan.
6.3.4.
In het tussenvonnis van 4 mei 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.
6.3.5.
In eindvonnis van 30 november 2016 heeft de rechtbank, samengevat, als volgt geoordeeld.Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.
-

De partijen verschillen van mening over uitleg die moet worden gegeven aan de bepalingen over de toe te passen correctiefactor in de vaststellingsovereenkomst (rov. 4.1).

Die in artikel 10.3 van de vaststellingsovereenkomst neergelegde bepalingen moeten worden uitgelegd overeenkomstig de artikelen 6.3 en 6.4 van het Sociaal Plan. De partijen hebben niet bedoeld om af te wijken van de in het Sociaal Plan neergelegde regeling (rov. 4.2).

Uitleg van het Sociaal Plan moet plaatsvinden aan de hand van de zogenaamde cao-norm (rov. 4.3).

In de artikelen 6.3 en 6.4 van het Sociaal Plan gaat het er in de eerste plaats om of sprake is van het “vinden van een nieuwe baan” tijdens het begeleidingstraject (rov. 4.4).

De stelling van [appellante] dat van “het vinden van een nieuwe baan” pas sprake is op het moment dat die nieuwe baan aanvangt, kan niet worden gevolgd (rov. 4.5).

Van “het vinden van een nieuwe baan” als bedoeld in het Sociaal Plan is sprake indien er tijdens het begeleidingstraject concreet uitzicht is ontstaan op het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Daarvan is in dit geval sprake, gelet op het aanstellingsbesluit dat de gemeente Rucphen op 30 juni 2015 had genomen en waarvan blijkt uit de aanstellingsbrief van 28 juli 2015 (rov. 4.6).

Rabobank heeft bij de berekening van de aan [appellante] toekomende beëindigingsvergoeding dus terecht correctiefactor 0,6 toegepast (rov. 4.7).

6.4.
[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
Met betrekking tot grief 1: onderdeel 2.5 van de feitenvaststelling

6.5.1.
Grief 1 is gericht tegen een onderdeel van rov. 2.5 van het vonnis (weergegeven in rov. 6.2.5 van dit arrest), te weten tegen de zinsnede In de toelichting op de grief betoogt [appellante] dat zij niet heeft gesteld dat het gesprek van 25 juni 2015 een eindgesprek was. Volgens [appellante] is tijdens dat gesprek geen duidelijkheid gegeven over, althans geen overeenstemming bereikt over de arbeidsvoorwaarden en kan het gesprek daarom niet als eindgesprek worden gekwalificeerd.
6.5.2.
Het hof stelt naar aanleiding van deze grief voorop dat [appellante] – volgens het door haarzelf in de inleidende dagvaarding sub 6 gestelde – in verband met haar sollicitatie bij de gemeente de navolgende gesprekken heeft gevoerd voorafgaand aan het aanstellingsbesluit dat het college van B&W op 30 juni 2015 heeft genomen:Dat de rechtbank het gesprek van 25 juni 2015 gelet op deze opeenvolging van gesprekken als een eindgesprek heeft betiteld, is naar het oordeel van het hof begrijpelijk. Kennelijk waren de vier voorafgaande gesprekken voor beide partijen bevredigend verlopen en kennelijk was het de bedoeling om in het gesprek van 25 juni 2015 onder meer de arbeidsvoorwaarden te bespreken. Het feit dat het college van B&W vervolgens op 30 juni 2015 tot de aanstelling van [appellante] heeft besloten, wijst erop dat het college daartoe van de afdeling P&O het groene licht heeft gekregen. Dit wijst er in elk geval op dat tijdens het gesprek van 25 juni 2015 geen beletsels zijn gerezen die in de weg stonden aan voortzetting van het traject om tot een aanstellingsbesluit te komen.
-

op 20 mei 2015 een eerste gesprek;

op 3 juni 2015 een tweede gesprek in de vorm van een selectie-assessment;

op 12 juni 2015 een derde gesprek;

op 18 juni 2015 een gesprek met de klankbordgroep van de gemeente;

op 25 juni 2015 een gesprek met de afdeling P&O van de gemeente.

6.5.3.
De vraag of tijdens het gesprek van 25 juni 2015 overeenstemming is bereikt over, althans duidelijkheid is gegeven over de arbeidsvoorwaarden zal het hof hierna bij de behandeling van grief 4 betrekken. Dat de rechtbank het gesprek van 25 juni 2015 bij de opsomming van de vaststaande feiten heeft betiteld als een “eindgesprek” leidt in elk geval niet tot de conclusie dat de rechtbank de vordering van [appellante] ten onrechte heeft afgewezen. In zoverre verwerpt het hof grief 1.
Met betrekking tot grief 2: heeft [appellante] gesteld dat van “het vinden van een nieuwe baan” in de zin van het Sociaal Plan pas sprake is op het moment dat die nieuwe baan aanvangt?

6.6.1.
Grief 2 is gericht tegen rov. 4.5 van het vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet kan worden gevolgd in haar stelling dat van “het vinden van een nieuwe baan” in de zin van het Sociaal Plan pas sprake is op het moment dat die nieuwe baan aanvangt.
6.6.2.
In de toelichting op de grief heeft [appellante] allereerst aangevoerd dat zij nooit de stelling heeft geponeerd dat van het vinden van een nieuwe baan pas sprake is met het aanvangen van een nieuwe baan. Het hof volgt [appellante] daar niet in. [appellante] heeft immers onder meer in de inleidende dagvaarding sub 14 en in de aan de dagvaarding voorafgaande e-mail van haar advocaat van 25 augustus 2015 wel het standpunt betrokken dat van het vinden van een nieuwe baan in de zin van het Sociaal Plan pas sprake is met het aanvangen van de nieuwe baan. Welk standpunt [appellante] in eerste aanleg al dan niet heeft ingenomen kan overigens verder terzijde blijven want het komt nu aan op het standpunt dat [appellante] in hoger beroep heeft ingenomen. Grief 2 kan in zoverre niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
6.6.3.
[appellante] heeft in toelichting op grief 2 voorts betoogt dat pas sprake is van het tijdens het begeleidingstraject vinden van een nieuwe baan indien de medewerker tijdens het begeleidingstraject een concreet aanbod (met duidelijkheid over de arbeidsvoorwaarden) van een nieuwe werkgever heeft ontvangen en de medewerker dit aanbod (mondeling of schriftelijk) heeft aanvaard. Het hof zal dit betoog van [appellante] betrekken bij de behandeling van grief 3. In rov. 4.5 van het vonnis, waar grief 2 tegen is gericht, heeft de rechtbank over dit betoog geen expliciet standpunt ingenomen.
Met betrekking tot grief 3: wanneer is sprake van “het vinden van een nieuwe baan” in de zin van het Sociaal Plan?

6.7.1.
In de eerste volzin van rov. 4.6 van het vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat van “het vinden van een nieuwe baan” als bedoeld in het Sociaal Plan sprake is indien er tijdens het begeleidingstraject concreet uitzicht is ontstaan op het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst.
6.7.2.
Grief 3 is tegen dat oordeel gericht. In de toelichting op de grief voert [appellante] onder verwijzing naar een vonnis van de kantonrechter Utrecht van 21 september 2011 (JAR 2012/5) aan dat om te kunnen spreken van “het vinden van een nieuwe baan” als bedoeld in het Sociaal Plan niet alleen sprake moet zijn van een concreet en uitgewerkt aanbod van de potentiële nieuwe werkgever. Volgens [appellante] moet er ook sprake van zijn dat dit aanbod met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid door de werknemer zal worden aanvaard (of al is aanvaard).
6.7.3.
Rabobank heeft in haar reactie op de grief aangevoerd, kort samengevat, dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat van “het vinden van een nieuwe baan” als bedoeld in het Sociaal Plan sprake is indien er tijdens het begeleidingstraject concreet uitzicht is ontstaan op het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst.
6.7.4.
Het hof stelt evenals de rechtbank voorop dat de uitleg van het Sociaal Plan moet plaatsvinden aan de hand van de zogenaamde cao-norm. Uitgangspunt is daarom dat de bewoordingen van de bepalingen in het Sociaal Plan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele inhoud van de regeling, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoeling van de partijen die de regeling hebben getroffen, voor zover deze niet uit de bepalingen van die regeling en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de regeling en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de regeling gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
6.7.5.
Bij toetsing aan die maatstaf kan [appellante] niet worden gevolgd in haar hiervoor in rov. 6.6.3 weergegeven standpunt dat van het “vinden van een nieuwe baan” in de zin van het Sociaal Plan alleen sprake is indien de medewerker tijdens het begeleidingstraject een concreet aanbod (met duidelijkheid over de arbeidsvoorwaarden) van een nieuwe werkgever heeft ontvangen en de medewerker dit aanbod (mondeling of schriftelijk) reeds heeft aanvaard. Dat standpunt is niet alleen strijdig met het standpunt dat [appellante] zelf in de toelichting op grief 3 heeft neergelegd (zie hiervoor rov. 6.7.2) maar stelt ook te vergaande eisen. Uit het Sociaal Plan volgt immers dat met het verschil tussen C=0,6 en C=1,0 bewust onderscheid is gemaakt tussen boventallige medewerkers mét en boventallige werknemers zónder (concreet uitzicht op) ander werk en de verschillende financiële gevolgen voor deze twee groepen medewerkers. Aan die uit het Sociaal Plan blijkende bedoeling zou geen recht worden gedaan indien een medewerker aan wie op grond van een doorlopen sollicitatietraject door een werkgever met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een concreet en op details uitgewerkt aanbod zal worden gedaan dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door de medewerker zal worden aanvaard, eenzelfde vergoeding ontvangt als de medewerker die dat vooruitzicht niet heeft of pas na langere termijn. Het enkele feit dat een medewerker een door een werkgever reeds geformuleerd concreet aanbod voor een nieuwe baan nog niet formeel heeft aanvaard aan het einde van de begeleidingstermijn, staat daarom niet in de weg aan de conclusie dat de medewerker een nieuwe baan heeft gevonden tijdens het begeleidingstraject. Ten aanzien van een dergelijke medewerker kan ook niet worden gezegd dat het begeleidingstraject onsuccesvol is geweest in de zin van het Sociaal Plan en de vaststellingsovereenkomst.
6.7.6.
Naar het oordeel van het hof kan bij de bepaling of sprake is van “het vinden van een nieuwe baan” als bedoeld in het Sociaal Plan tot op zekere hoogte aansluiting worden gezocht bij het door [appellante] genoemde vonnis van 21 september 2011, hoewel dat vonnis op een andere situatie betrekking heeft. Dat leidt ertoe dat in het onderhavige geval kan worden gesproken van “het vinden van een nieuwe baan” als bedoeld in het Sociaal Plan indien een concreet uitzicht op het verkrijgen van een functie bestaat en wel in die zin dat niet in algemene termen een kans bestaat op het verkrijgen van een baan, maar dat de onderhandelingen daarover in een zo vergevorderd stadium zijn dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mag worden aangenomen dat de werkgever een concreet en op details uitgewerkt aanbod zal doen dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door de werknemer zal worden aanvaard.
6.7.6.
Of daarvan in dit geval bij [appellante] sprake was, zal het hof bij de behandeling van grief 4 beoordelen
Met betrekking tot grief 4: is er al tijdens het begeleidingstraject voldoende concreet uitzicht ontstaan op de indiensttreding van [appellante] bij de gemeente?

6.8.1.
In rov. 4.6 heeft de rechtbank geoordeeld dat er in dit geval sprake van is dat er tijdens het begeleidingstraject concreet uitzicht is ontstaan op het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst, gelet op het aanstellingsbesluit dat de gemeente Rucphen op 30 juni 2015 had genomen en waarvan blijkt uit de aanstellingsbrief van (dinsdag) 28 juli 2015.
6.8.2.
Grief 4 is tegen dat oordeel gericht. In de toelichting op de grief heeft [appellante] betoogd dat zij de aanstellingsbrief pas op (dinsdag) 4 augustus 2015 heeft ontvangen, dat pas toen voor haar duidelijk werd onder welke salarisvoorwaarden zij zou worden aangesteld en dat zij pas toen, op 4 augustus 2015, de beslissing heeft genomen om het aanbod van de gemeente tot indiensttreding te aanvaarden.
6.8.3.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat [appellante] op 25 juni 2015, na al vier voorafgaande gesprekken met de gemeente te hebben gevoerd (waaronder een selectie-assessment en een gesprek met de klankbordgroep), een gesprek heeft gevoerd met de afdeling P&O. [appellante] heeft haar salariswensen kenbaar gemaakt, naar het hof begrijpt in het gesprek van 25 juni 2015. Volgens [appellante] bleek aan haar pas op 4 augustus 2015 na ontvangst van het aanstellingsbesluit in hoeverre de gemeente aan die eisen tegemoet was gekomen. [appellante] concludeert dat zij pas op 4 augustus 2015 heeft besloten om in te stemmen met het aanstellingsbesluit, en dat pas op dat moment gesproken kan worden van “het vinden van een nieuwe baan” als bedoeld in het Sociaal Plan en de vaststellingsovereenkomst.
6.8.4.
Het hof volgt [appellante] niet in dat betoog. Indien al zou worden aangenomen dat [appellante] pas op dinsdag 4 augustus 2015 kennis heeft genomen van het haar op dinsdag 28 juli 2015 toegezonden aanstellingsbesluit met bijbehorende arbeidsvoorwaarden en indien zij pas op die datum definitief heeft besloten met die arbeidsvoorwaarden in te stemmen, laat dat onverlet dat na het arbeidsvoorwaardengesprek van 25 juni 2015, dat heeft geleid tot het aanstellingsbesluit van 30 juni 2015, al een concreet uitzicht op het verkrijgen van de functie bestond. Dat concreet uitzicht was er naar het oordeel van het hof en wel in die zin dat de onderhandelingen over de aanstelling van [appellante] na de gevoerde 5 gesprekken in een zo vergevorderd stadium waren gekomen dat redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat een concreet en op details uitgewerkt aanbod van de gemeente, indien dat inderdaad pas door middel van het aanstellingsbesluit en nog niet in het gesprek van 25 juni 2015 is gedaan, met op dat moment aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door [appellante] zou worden aanvaard. [appellante] heeft onvoldoende onderbouwd dat er na het nemen van het aanstellingsbesluit op 30 juni 2015 en de toezending daarvan op 28 juli 2015 nog een rechtens relevante kans bestond dat zij de arbeidsvoorwaarden, die volgens haar pas bij dit aanstellingsbesluit aan haar kenbaar zouden worden gemaakt, zou afwijzen.
6.8.5.
Grief 4 moet om deze reden worden verworpen.
Met betrekking tot grief 5: de paragrafen 6.3 en 6.4 van het sociaal plan

6.9.1.
Door middel van grief 5 heeft [appellante] betoogd dat het bepaalde in artikel 6.3 van het Sociaal Plan niet op haar van toepassing is en dat het bepaalde in artikel 6.4 van het Sociaal Plan wel op haar van toepassing is.
6.9.2.
Het hof verwerpt dit standpunt van [appellante] . Uit hetgeen het hof in het voorgaande naar aanleiding van de grieven 3 en 4 heeft overwogen, volgt dat [appellante] tijdens het begeleidingstraject, dat liep tot 1 augustus 2015, een “baan buiten Rabobank heeft gevonden” zoals bedoeld in artikel 6.3 van het Sociaal Plan. Om diezelfde reden kan niet worden gezegd dat “aan het einde van de begeleidingstermijn onverhoopt geen baan of andere oplossing is gevonden” voor [appellante] in de zin van artikel 6.4 van het Sociaal Plan. [appellante] had immers aan het einde van de begeleidingstermijn wel een andere baan gevonden; zij had daartoe vijf gesprekken gevoerd, waarvan het laatste gesprek met de afdeling P&O, en die gesprekken hadden geresulteerd in een aanstellingsbesluit van 30 juni 2015 dat op 28 juli 2015 aan [appellante] is toegezonden. [appellante] heeft onvoldoende onderbouwd dat er nog een reële kans bestond dat zij desondanks niet voor de gemeente zou gaan werken. Onder verwijzing naar hetgeen ten aanzien van grief 3 is overwogen, verbindt het hof daaraan de conclusie dat [appellante] voor het einde van de begeleidingstermijn een baan buiten Rabobank heeft gevonden in de zin van artikel 6.3 van het Sociaal Plan.
Met betrekking tot grief 5: Artikel 10.3.C van de vaststellingsovereenkomst

6.10.1.
In de toelichting op grief 5 heeft [appellante] voorts aangevoerd dat het vaststellen van de beëindigingsvergoeding op basis van C=0,6 volgens artikel 10.3.C van de vaststellingsovereenkomst alleen aan de orde is bij “het vinden van een nieuwe baan als bedoeld in artikel 4 ii”. Volgens [appellante] volgt uit de letterlijke tekst van artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst dat daarvan alleen sprake is indien de nieuwe baan aanvangt voor de einddatum van het begeleidingstraject.
6.10.2.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat [appellante] hiermee een onjuiste uitleg aan artikel 4 ii geeft. Dat artikel heeft duidelijk alleen als strekking te voorkomen dat tijdens het dienstverband bij Rabobank sprake is van twee elkaar overlappende arbeidsovereenkomsten. Uit artikel 4 is niet af te leiden dat een begeleidingstraject als onsuccesvol moet worden bestempeld indien tijdens het begeleidingstraject een nieuwe baan is gevonden die pas na het begeleidingstraject aanvangt.
Met betrekking tot grief 5: Is de functie bij de gemeente passend?

6.11.1.
In de toelichting op grief 5 heeft [appellante] tot slot aangevoerd dat de functie die zij bij de gemeente heeft aanvaard niet passend voor haar was aangezien het salaris dat zij voor het vervullen van die functie is gaan ontvangen aanzienlijk lager was dan het salaris dat zij bij Rabobank ontving.
6.11.2.
Die stelling kan [appellante] niet baten. Volgens het Sociaal Plan en de vaststellingsovereenkomst is beslissend of [appellante] een nieuwe baan heeft gevonden. In hoeverre het aan die nieuwe baan verbonden salaris lager is dan het salaris dat zij bij Rabobank genoot, speelt daarbij geen rol. De nadelige gevolgen die [appellante] door de salarisachteruitgang ondervindt, moeten geacht worden verdisconteerd te zijn in de beëindigingsvergoeding die op basis van C=0,6 aan [appellante] is toegekend.
6.11.3.
Toekenning van een beëindigingsvergoeding op basis van C=1 is alleen bestemd voor werknemers voor wie in de begeleidingsperiode geen baan en geen andere oplossing is gevonden. Dat is bij [appellante] niet aan de orde. Ook dit onderdeel van grief 5 moet dus worden verworpen.
Conclusie en afwikkeling

6.12.1.
[appellante] heeft aan het begin van de memorie van grieven gesteld dat zij het geschil in volle omvang aan het hof wil voorleggen. De memorie van grieven bevat echter geen andere bezwaren tegen het vonnis dan hiervoor in het kader van de behandeling van de grieven 1 tot en met 5 besproken. De enkele vermelding in de memorie van grieven dat de appellant het geschil in volle omvang aan de appelrechter wenst voor te leggen is niet voldoende om aan te nemen dat ook bepaalde niet vermelde geschilpunten, naast andere wel door appellant nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep aan de orde worden gesteld.
6.12.2.
Uit de wijze waarop het hof de grieven heeft beoordeeld, volgt dat het hof geen aanleiding aanwezig acht om nog bewijslevering te laten plaatsvinden.
6.12.3.
Omdat geen van de grieven doel heeft getroffen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.
6.12.4.
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
7

Het hof:

bekrachtigt het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/312152 / HAZA 16-137 tussen partijen gewezen vonnis van 30 november 2016;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten aan de zijde van Rabobank tot op heden op € 1.952,-- aan griffierecht en op € 1.959,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 januari 2019.

griffier rolraadsheer