Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:4384

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-12-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 03-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:4384, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.202.685_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.202.685/01

arrest van 3 december 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. A. Smeekes te Tilburg,
tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , of [geïntimeerde] ,advocaat: mr. J. van Boekel te Tilburg,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 19 december 2017 en 5 juni 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/312827 / HA ZA 16-170 gewezen vonnis van 21 september 2016.

ECLI:NL:GHSHE:2019:4384:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.202.685/01

arrest van 3 december 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. A. Smeekes te Tilburg,
tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , of [geïntimeerde] ,advocaat: mr. J. van Boekel te Tilburg,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 19 december 2017 en 5 juni 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/312827 / HA ZA 16-170 gewezen vonnis van 21 september 2016.

8

- het tussenarrest van 19 december 2017;- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 24 april 2018;
Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Omdat mr. J.J. Verhoeven niet meer als raadsheer werkzaam is bij dit hof, neemt hij niet meer deel aan de combinatie die thans arrest zal wijzen.

-

het tussenarrest van 5 juni 2018;

het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 3 september 2018;

het proces-verbaal van de enquête van 15 januari 2019;

het proces-verbaal van de voortzetting enquête van 15 april 2019;

de memorie na enquête van [appellante] ;

de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] .

overwegingen

9

samenvatting eerdere arresten
9.1.1.
Bij eerstgenoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen bepaald om informatie uit te wisselen en een schikking tussen partijen te proberen. Die comparitie heeft plaatsgevonden, maar niet tot een schikking geleid.Vervolgens heeft het hof in het tussenarrest van 5 juni 2018 wederom een comparitie van partijen bepaald. De reden daarvoor was dat [geïntimeerde] in deze procedure schadevergoeding vordert, die zij naar haar zeggen heeft geleden door de geldopnames door [appellante] . Het hof overwoog dat het niet uitgesloten was dat, ook na het horen van getuigen in de aan [appellante] verstrekte bewijsopdracht, de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, maar dat zij op grond van artikel 6:97 BW zal moeten worden geschat. Die comparitie heeft plaatsgevonden, maar evenmin tot een schikking geleid.
9.1.2.
Bij het tussenarrest van 5 juni 2018 was tevens aan [appellante] opgedragen te bewijzen(1) dat de geldopnames die zij heeft gedaan met de pinpas van [geïntimeerde] , aan [geïntimeerde] zijn afgedragen dan wel aan [geïntimeerde] ten goede zijn gekomen, en(2) dat [appellante] tot een bedrag van € 1.200,00 contante betalingen aan [geïntimeerde] heeft gedaan die strekten ter aflossing van de schuld van [appellante] aan [geïntimeerde] , dan wel dat derden dit hebben gedaan.
9.1.3.
Vervolgens hebben getuigenverhoren aan de zijde van [appellante] plaatsgevonden. (Per abuis vermeldt het voorblad van het proces-verbaal dat de hierna te noemen getuigen waren opgeroepen door de advocaat van [geïntimeerde] .)Allereerst zijn gehoord [appellante] zelf, [partner van appellante] , haar partner en vader van [geïntimeerde] , [de oma van geintimeerde] , de oma van [geïntimeerde] , [de zus van appellante] , de zus van [appellante] , [voormalig vriendin van geintimeerde] , voormalige vriendin van [geïntimeerde] en [de moeder van geintimeerde] , de moeder van [geïntimeerde] . Bij de voortzetting van het getuigenverhoor heeft [appellante] [geïntimeerde] zelf doen horen. [geïntimeerde] heeft afgezien van contra-enquête.
9.1.4.
Het hof brengt in herinnering dat in genoemd tussenarrest van 5 juni 2018 voor het overige is overwogen en beslist – voor zover thans van belang - dat [appellante] niet als zaakwaarnemer voor [geïntimeerde] was opgetreden, nu [appellante] het beheer over de bankrekening op grond van een afspraak heeft gevoerd (rov. 6.5). De vorderingen van [geïntimeerde] zijn niet verjaard (rov. 6.6.2.). [appellante] heeft inmiddels aan [geïntimeerde] € 10.071,74 terugbetaald in verband met gedane pinbetalingen. In hoeverre dit in mindering moet worden gebracht op de hoofdsom, dan wel op de rente en kosten, dient nog beoordeeld te worden (rov. 6.7.4.).
de geldopnames

9.2.1.
Het hof zal thans allereerst oordelen over bewijsopdracht (1). Daarbij zal het hof de onbetwiste bankafschriften en de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde getuigenverklaringen betrekken. Op de eerder in het geding overgelegde schriftelijke verklaringen zijn namens [geïntimeerde] diverse aanmerkingen gemaakt, en ook het hof is opgevallen dat dezelfde spelfouten in alle verklaringen voorkomen, en zij ook hetzelfde lettertype hebben. Daarom zal het hof die verklaringen terzijde laten, temeer nu alle getuigen nogmaals, onder ede en in aanwezigheid van de wederpartij, zijn gehoord.

9.2.2.
Uit de verschillende verklaringen heeft het hof gedestilleerd dat [geïntimeerde] in 2005 woonde in OCP (in [woonplaats] ) en daar ruim anderhalf jaar gewoond heeft; ergens in 2007 verhuisde zij naar Vennerode (in [woonplaats] ); in 2009 verhuisde zij naar de Gardiaan (in [woonplaats] ) en in 2012 verhuisde naar Amarant (in [woonplaats] ).Uit de - in zoverre niet betwiste - overgelegde lijsten van opnames en de bijbehorende en bankafschriften is het volgende gebleken. De eerste geldopname vond plaats op 30 juni 2005. De laatste opname vond plaats op 28 februari 2013. Vast staat dat per jaar in totaal de navolgende bedragen zijn opgenomen bij een geldautomaat (waarbij tussen haakjes het aantal opnames staat vermeld)2005: € 280,- (7)2006: € 382,- (15)2007: € 2.390,- (35)2008: € 3.630,- (44)2009: € 2.880,- (41)2010: € 5.170,- (62)2011: € 8.190,- (63)2012: € 5.900,- (55)2013: € 1.050,- (15)De opnames betroffen steeds ronde bedragen (en met uitzondering van een aantal opnames in 2006 ook steeds op een tiental afgeronde bedragen). De opnames bestonden vaker niet dan wel uit een bedrag van € 50,-; meestal was het bedrag hoger en een enkele maal werd het maximale bedrag van € 500,- opgenomen. De opnames vonden zonder enige regelmaat plaats. Soms werd er meerdere keren per week geld opgenomen, soms werden een of twee weken overgeslagen en in 2012 en 2009-2005 waren er ook (veel) langere periodes dat geen bedragen werden opgenomen.
9.2.3.
[appellante] heeft over de gedane opnames verklaard, kort samengevat en voor zover thans relevant:
-

[geïntimeerde] kende zelf ook de code van de pinpas; soms pinde zij zelf waar [appellante] bij was, soms gaf [appellante] haar de pinpas mee;

[geïntimeerde] pinde zelf vanaf ongeveer 2008;

[geïntimeerde] gaf aan wanneer ze geld nodig had, eerst waren dat bedragen van € 50,- per keer, vanaf 2009 werden de bedragen hoger; meestal vroeg ze maandelijks om grote bedragen;

[geïntimeerde] kwam het geld meestal halen, vaak op donderdagavond; soms bracht [appellante] het haar;

één keer moest ze haar woning inrichten en daarvoor zijn toen grotere bedragen gepind.

9.2.4.
Door de raadsheer-commissaris gehoord hebben de overige getuigen, samengevat en voor zover thans relevant, als volgt verklaard.( i) Vader [geïntimeerde] heeft verklaard:- “ in het begin” (naderhand gespecificeerd: toen [geïntimeerde] een Wajong uitkering kreeg, dat wil zeggen in 2007) kreeg [geïntimeerde] wekelijks ongeveer € 50,-;- [geïntimeerde] had steeds meer geld nodig en op het laatst kreeg ze € 150,- per week;- het standaardbedrag werd bijna altijd op donderdag opgehaald, extra geld werd op zaterdag gehaald, vader [geïntimeerde] was daar bij;- [geïntimeerde] kreeg een keer per maand/per twee maanden de pinpas mee.(ii) Oma [geïntimeerde] heeft verklaard:- [geïntimeerde] had grote bedragen nodig om uit te gaan, € 200,-, € 300,- of € 500,-. Zij belde daarover (meestal) op vrijdag. Dat geld moest dan direct beschikbaar zijn. Oma is er een paar keer bij geweest dat gebeld werd en ook dat het geld op vrijdag werd gegeven. Op donderdag kreeg [geïntimeerde] niet altijd geld, enkel als ze erom gevraagd had;- [geïntimeerde] maakt alles op.(iii) Zus [de zus van appellante] heeft verklaard:- als [geïntimeerde] geld nodig had, belde ze [appellante] en die ging het voor haar halen;- [appellante] kocht soms in opdracht van [geïntimeerde] cadeautjes;- soms ging [de zus van appellante] met [geïntimeerde] en [appellante] mee naar de stad en dan werd er geld gepind. (iv) Vriendin [voormalig vriendin van geintimeerde] verklaarde:- [voormalig vriendin van geintimeerde] zat samen met [geïntimeerde] anderhalf tot twee jaar in Vennerode en nog een jaar met haar in de Gardiaan;- [geïntimeerde] kreeg iedere week geld van [appellante] , [geïntimeerde] kwam het halen of [appellante] kwam het brengen; - als het geld op was, bracht [appellante] nieuw geld;- de bedragen waren soms hoog, wel tot € 200,-; [geïntimeerde] maakte veel geld op;- [voormalig vriendin van geintimeerde] weet niet of [geïntimeerde] zelf pinde met de pas.
9.2.5.
[geïntimeerde] heeft als getuige in enquête gehoord verklaard:- ik weet niet welke lasten er van mijn inkomsten werden betaald;- toen ik anderhalf jaar op de Gardiaan woonde is afgesproken dat ik € 50,- per week kreeg van [appellante] ; ik ging het halen of [appellante] bracht het;- ik kwam weleens op donderdag bij [appellante] , soms waren mijn vader en mijn oma er;- ik heb wel eens met [appellante] kleren gekocht voor mijzelf, maar niet vaak;- ik ging niet uit, wel eens weg met vriendinnen, maar daarvoor had ik geen geld nodig;- ik wist de pincode van mijn pinpas niet en heb nooit zelf gepind;- ik herinner mij niet dat ik samen met [appellante] heb gepind en dat zij mij dan geld gaf;- er is inderdaad geld gepind om mijn kamer in Vennerode in te richten;- ik herinner me niet dat ik met [appellante] verjaardagscadeautjes heb gekocht;- ik herinner me niet dat ik met [appellante] en haar zus naar de stad ben geweest;- ik heb nooit € 200,- of € 300,- ineens gekregen, het was nooit meer dan € 50,- per week;- rond mijn 24e verjaardag heb ik € 100,- gekregen.
9.3.1.
Bij de beoordeling van het door [appellante] bijgebrachte bewijs stelt het hof het volgende voorop. [appellante] is een partijgetuige. Artikel 164 lid 1 Rv laat de partijgetuigen-verklaring als bewijsmiddel toe. Die verklaring heeft in beginsel vrije bewijskracht, zoals andere getuigenverklaringen, zodat de rechter overeenkomstig artikel 152 lid 2 Rv vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv een beperking aan, die ertoe leidt dat met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigen-verklaring voldoende geloofwaardig maken. Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voor handen bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren.
9.3.2.
Als tweede uitgangspunt heeft te gelden dat [appellante] het beheer had over de bankrekening en dat zij de bankafschriften ontving. Zij had het dus, anders dan [geïntimeerde] die juist niet geïnformeerd was over het verloop van haar bankrekening, in haar macht om een sluitende administratie op te maken van de geldopnames. Dat klemt temeer nu bij contante opnames – anders dan bij pinbetalingen – de bankafschriften slechts de hoeveelheid opgenomen geld weergeven maar geen enkel inzicht geven in waaraan het opgenomen geld besteed is. Dat [appellante] haar eigen stellingen over de besteding van al die opnames zelf maar slechts heel in het algemeen kan onderbouwen, komt ook daarom voor haar rekening en risico. Een gedetailleerde betwisting kan [geïntimeerde] dus ook juist niet geven. Dat op de bankafschriften aantekeningen zijn gemaakt, terwijl onduidelijk is gebleven wie de aantekeningen heeft gemaakt, leidt er toe dat het hof geen gevolgen zal verbinden aan de op de bankafschriften gemaakte aantekeningen.
9.4.1.
Naar het oordeel van het hof is, rekening houdend met genoemde uitgangspunten, [appellante] maar zeer ten dele in het opgedragen bewijs geslaagd. Van belang daarbij is allereerst dat de verklaring van [appellante] maar op enkele punten ondersteund wordt door de verklaring van [geïntimeerde] zelf. Bij de waardering van hetgeen door [geïntimeerde] is verklaard dient daarnaast steeds voor ogen te worden gehouden dat [appellante] de financiën van [geïntimeerde] beheerde juist omdat [geïntimeerde] dat zelf niet kon vanwege het feit dat zij een lichte verstandelijke handicap heeft. Door [geïntimeerde] is bij memorie na enquête een verklaring van haar individueel begeleider over haar geestelijke vermogens overgelegd. Hierop heeft [appellante] nog niet kunnen reageren en het hof zal daarom die verklaring terzijde laten. Dat doet er evenwel niet aan af dat de raadsheer-commissaris die [geïntimeerde] heeft gesproken, ook uit eigen waarneming inzicht heeft gekregen in [geïntimeerde] ’s geestelijke vermogens. Bij het beoordelen van de juistheid van [geïntimeerde] ’s verklaring, en vooral de exactheid van data en getallen, zal het hof daarmee rekening houden.
9.4.2.
[geïntimeerde] heeft erkend, en dat is uit de verklaringen van de overige getuigen ook wel duidelijk geworden, dat zij met een zekere regelmaat contant geld kreeg van [appellante] , geld dat [appellante] met de pinpas had opgenomen van [geïntimeerde] ’s bankrekening. Omtrent het tijdstip dat die regelmatige betalingen begonnen, verschillen de getuigen. Uit de verklaring van [appellante] valt af te leiden dat zij vanaf het moment dat zij in 2005 de beschikking over [geïntimeerde] ’s pinpas kreeg, regelmatig geld (minimaal € 50,-) aan [geïntimeerde] gaf. Vader [geïntimeerde] verklaart dat de betalingen begonnen in 2007. Vriendin [voormalig vriendin van geintimeerde] verklaart dat [geïntimeerde] in ieder geval vanaf half 2007 geld kreeg van [appellante] . [geïntimeerde] zelf tenslotte plaatst het begin van de betalingen half 2010.

9.4.3.
Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat eerst in april/mei 2007 enige regelmaat begon te komen in de pinopnames, en dat het vaker genoemde (aanvangs-)bedrag van € 50,- toen ook regelmatiger voorkwam. Het hof schat daarom, mede gezien de afgelegde getuigenverklaringen en de overige omstandigheden van het geval (zoals daar ook zijn [geïntimeerde] ’s onbetwiste verklaring dat zij in OCP zakgeld kreeg) dat de regelmatige betalingen van in ieder geval € 50,- door [appellante] aan [geïntimeerde] begonnen op 1 mei 2007. In de periode daarvoor waren de geldopnames te incidenteel en te gering van omvang om aan te kunnen sluiten bij datgene wat over de betalingen door [appellante] aan [geïntimeerde] is gesteld, zodat het hof ervan uitgaat dat dit geld niet ten behoeve van [geïntimeerde] is opgenomen.

9.4.4.
Volgens [appellante] gaf zij iedere week eerst een bedrag van € 50,- en later hogere bedragen aan [geïntimeerde] . Deze stelling wordt voor wat betreft het wekelijkse karakter niet ondersteund door de overgelegde bankafschriften. Daaruit blijkt dat gedurende bijna een-derde van de tijd in de bedoelde periode (1 mei 2007-28 februari 2013) er geen wekelijkse pintransacties zijn geweest. Anderzijds waren er ook regelmatig periodes dat meerdere keren per week en heel soms zelfs meerdere keren per dag werd gepind.

9.4.5.
Niet is komen vast te staan dat er in die weken dat [appellante] niet pinde, wel geld door haar aan [geïntimeerde] werd gegeven. Dit zou betekenen dat [appellante] een - niet nader gespecificeerd - bedrag gedurende een zekere tijd na het pinnen voor [geïntimeerde] achter de hand zou moeten houden, om later alsnog te overhandigen. Dat laatste is nergens gesteld en ook weinig aannemelijk. Dat betekent dat het hof aanneemt dat in genoemde periode in ongeveer twee-derde van het totale aantal weken geld ten behoeve van [geïntimeerde] door [appellante] werd gepind.

9.4.6.
Uit de overgelegde bankafschriften blijkt wel dat de gepinde bedragen in de loop der tijd steeds hoger werden. Zo werden er bijvoorbeeld in 2008 van de 44 pintransacties 37 maal bedragen van € 70,- en lager gepind, terwijl dat in 2012 nog maar in de helft van de pintransacties het geval was. Dat wil echter in het geheel niet zeggen dat [appellante] - in het kader van de regelmatige geldverstrekking - aan [geïntimeerde] ook steeds die hogere bedragen overhandigde. [geïntimeerde] ontkent dit en deze stelling van [appellante] wordt door de overige getuigen ook niet ondersteund. Alleen vader [geïntimeerde] verklaart dat [geïntimeerde] “” € 150,- per week kreeg. Het hof heeft reeds geoordeeld dat [geïntimeerde] niet wekelijks geld kreeg. De verklaring van vader [geïntimeerde] is verder ook onvoldoende sterk om de verklaring van [appellante] te ondersteunen. Het hof wijst erop dat vader [geïntimeerde] bijvoorbeeld heeft verklaard dat hij er donderdags “” bij was als [geïntimeerde] geld kreeg, maar ook dat hij er “” bij was en ook dat hij er “” bij was. Dat alleen al maakt zijn verklaring minder sterk. Daar komt bij dat vader [geïntimeerde] de partner is van [appellante] en als zodanig een zeker belang heeft bij de uitkomst van deze procedure.Het hof blijft dus uitgaan van semi-regelmatige betalingen aan [geïntimeerde] van € 50,- per week.
9.4.7.
Door [appellante] is verder verklaard dat zij, zodra [geïntimeerde] dat vroeg, extra geld (naast de “wekelijkse” € 50,-) voor haar pinde en het extra geld ook wel kwam brengen. Dat er extra geld werd gevraagd en gegeven, wordt door vader en oma [geïntimeerde] en vriendin [voormalig vriendin van geintimeerde] (zij het voor een beperkte periode) ondersteund. [geïntimeerde] zelf ontkent dat. Aan de andere kant heeft [geïntimeerde] wel verklaard dat zij “soms” met [appellante] kleren kocht (van haar eigen geld), weet zij niet meer of zij wel eens cadeautjes heeft gekocht met [appellante] (van haar eigen geld) en staat tussen partijen vast dat geld is gepind voor de herinrichting van [geïntimeerde] ’s kamer op Vennerode (maar niet hoeveel).Het hof acht het voldoende aannemelijk dat [appellante] soms, naast de min of meer regelmatige betalingen van (naar het hof heeft geoordeeld:) € 50,-, aan [geïntimeerde] extra geld verstrekte, dan wel samen met haar extra geld uitgaf. Hoeveel dat was, dient het hof te schatten. In ieder geval komt dat niet in de buurt van de hoeveelheid geld die [appellante] heeft opgenomen van [geïntimeerde] ’s rekening. Exemplarisch is in dit verband de verklaring van zus [de zus van appellante] [appellante] over het geld dat in de stad werd gepind: “”.Het hof schat het aantal extra betalingen aan of ten behoeve van [geïntimeerde] op € 500,- per jaar, van 2007 tot en met 2012. Daarnaast heeft [geïntimeerde] erkend dat zij in februari 2013 € 100,- van [appellante] heeft ontvangen.
9.4.8.
[geïntimeerde] ontkent dat zijzelf de tijdelijke beschikking kreeg over haar pinpas, zoals [appellante] , ondersteund door vader [geïntimeerde] , heeft verklaard. [geïntimeerde] stelt dat zij de pincode zelfs niet kende. Naast [appellante] en vader [geïntimeerde] is door geen van de andere getuigen verklaard dat [geïntimeerde] soms de beschikking had over haar pinpas en pincode. Gelet op de omstandigheid dat vader [geïntimeerde] de partner is van [appellante] (zie ook rov. 9.4.6) en dus een zeker belang bij de procedure heeft, betekent dit dat er onvoldoende aanvullend bewijs voorhanden is dat de partijgetuigen-verklaring voldoende geloofwaardig maakt.

9.4.9.
De slotsom is dat het hof schat dat van alle geldopnames door [appellante] aan [geïntimeerde] ten goede is gekomen € 13.100,- (welk bedrag bestaat uit € 10.000,- ter zake de semi-regelmatige betalingen van € 50,- + € 3.000,- ter zake extra betalingen + € 100,- in februari 2013).

9.4.10.
Het hof heeft reeds geoordeeld dat geen sprake was van zaakwaarneming door [appellante] , maar dat het beheer door [appellante] van [geïntimeerde] ’s bankrekening op een afspraak tussen partijen berustte. Gesteld noch gebleken is dat die afspraak inhield dat [appellante] naar believen voor zichzelf geld mocht opnemen van [geïntimeerde] ’s rekening. Inmiddels is gebleken dat maar € 13.100,- ten goede aan [geïntimeerde] is gekomen. Dat betekent dat, nu [appellante] van [geïntimeerde] ’s rekening heeft opgenomen € 29.872,-, het bedrag van € 16.772,- niet aan [geïntimeerde] ten goede is gekomen, maar wel door [appellante] is opgenomen. In zoverre heeft [appellante] de rekening dus niet goed beheerd. Daarvoor is zij door [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld. Het hof schat de schade die [geïntimeerde] daardoor heeft geleden op € 16.772,-. Deze schade zal [appellante] aan [geïntimeerde] moeten vergoeden. In zoverre faalt grief 7.Grief 8 slaagt ten dele, omdat het bedrag dat [appellante] uit dien hoofde zal moeten vergoeden, lager ligt dan de rechtbank oordeelde. Het vonnis zal op dit punt worden vernietigd, als in het dictum te melden. Over de terugbetaling van € 10.071,74 zal het hof hierna oordelen.
9.4.11.
Het is juist dat de rechtsverhouding tussen partijen niet meebracht dat [appellante] een officiële rekening en verantwoording moest afleggen over haar beheer, zoals [appellante] betoogt met grief 7. Bij de behandeling van grief 5 is het hof hier al op ingegaan. Dit betekent echter niet dat [appellante] geen enkel inzicht behoefde te geven in haar bestedingen. Dat zij dat inzicht niet kan geven, heeft in het kader van het op haar rustende bewijs in haar nadeel gewerkt.
de terugbetaling van € 1.200,-

9.5.1.
De tweede bewijsopdracht betreft de vraag of door [appellante] aan [geïntimeerde] , contant, het bedrag van € 1.200,- zou zijn terugbetaald. Door [geïntimeerde] is betwist dat zij ooit de pinpas van [appellante] heeft meegekregen. Behalve de eigen partij-getuigenverklaring van [appellante] , wordt deze stelling slechts ondersteund door de verklaring van vader [geïntimeerde] . Niet alleen sluit zijn verklaring op onderdelen niet helemaal aan bij de verklaring van [appellante] , en heeft het hof reeds geoordeeld dat en waarom het de verklaring van vader [geïntimeerde] onvoldoende sterk vindt, maar zijn verklaring bevat evenmin zodanig essentiële (op enigerlei wijze verifieerbare) punten dat zij de partijgetuigen-verklaring van [appellante] over de overhandigingen van de geldbedragen voldoende geloofwaardig maken.

9.5.2.
Dat betekent dat [appellante] in deze tweede bewijsopdracht niet is geslaagd en grief 9 faalt.
de pinbetalingen

9.6.1.
Met grief 10 stelt [appellante] dat het door haar terugbetaalde bedrag van € 10.071,74 allereerst in mindering moet komen op die hoofdsom, en daarna pas op de rente en kosten. [appellante] onderbouwt dit met erop te wijzen dat er per door haar opgenomen bedrag steeds een verbintenis tot terugbetaling is ontstaan, en dat zij heeft gesteld dat zij het totale bedrag in termijnen wil terugbetalen. Aldus, zo stelt [appellante] , zijn haar betalingen “geoormerkt”.
9.6.2.
Dat er per gepind bedrag een verbintenis tot betaling zou zijn ontstaan, is voor de thans te beoordelen kwestie niet relevant. Dat tussen partijen een betalingsregeling is getroffen, is nergens uit gebleken. Het enige dat vaststaat is dat [appellante] , nadat zij door [geïntimeerde] tot betaling van het aan haar bankrekening onttrokken bedrag was aangeschreven, de door haar gedane pinbetalingen in maandelijkse termijnen is gaan afbetalen en dat zij inmiddels het totale bedrag van € 10.071,74 heeft betaald. Deze bedragen zijn ontvangen door de advocaat van [geïntimeerde] op diens derdengeldrekening, zo blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg. In hoger beroep is door deze advocaat bevestigd dat genoemd totaalbedrag op zijn derdengeldrekening staat.

9.6.3.
Nergens blijkt evenwel uit, dat bij die betalingen door [appellante] is aangegeven op welke verbintenissen haar betaling ziet. Het enkele feit dat er een afbetalingsregeling zou zijn (hetgeen niet is komen vast te staan) zou daarvoor ook niet voldoende zijn, omdat dan gesteld zou moeten zijn wat er precies is afgesproken bij het treffen van die regeling. Bij een bankoverschrijving is het aangeven op welke schuld een betaling ziet eenvoudig te regelen, doch gesteld noch gebleken is dat, en zo ja welke, opmerkingen bij genoemde betalingen zijn gemaakt. De betreffende bankafschrijvingen zijn door [appellante] niet in het geding gebracht, noch is dat door haar aangeboden. Dat betekent dat de betaling eerst moet worden toegerekend op de kosten, daarna op de rente en dan pas op de hoofdsom, zoals door [geïntimeerde] is gevorderd. Grief 10 faalt.
9.6.4.
Het hof heeft geen inzicht in de data van de betalingen door [appellante] aan de advocaat van [geïntimeerde] (behalve dat een bedrag van ruim € 4.000 bij aanvang van de procedure al was betaald) , zodat niet berekend kan worden, wat nog openstaat aan hoofdsom, nadat de rente en kosten van het betaalde bedrag zijn afgetrokken. Duidelijk is wel dat niet de hele openstaande hoofdsom van € 10.071,74 zal zijn voldaan omdat altijd wel een zeker bedrag aan rente verschuldigd zal zijn. Rekening houdend met het feit dat [geïntimeerde] [appellante] voor het eerst op de hoogte heeft gebracht van en aansprakelijk heeft gesteld voor haar (toen nog geschatte) vordering op 10 juli 2013, zal het hof verstaan dat de rente en kosten zijn betaald en dat het bedrag dat thans nog openstaat ter zake genoemde hoofdsom zal worden geschat op € 600,-.

9.6.5.
Grief 10 faalt en [appellante] zal ter zake de pinbetalingen nog € 600,- aan [geïntimeerde] moeten betalen.
de buitengerechtelijke kosten

9.7.
Grief 11 ziet op de door de rechtbank toegewezen buitengerechtelijke kosten. Ten aanzien van buitengerechtelijke kosten geldt dat zij op de voet van art. 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens art. 241 Rv. de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. Ter onderbouwing van haar vordering heeft de advocaat van [geïntimeerde] in hoger beroep een urenuitdraai (zonder enige toelichting) overgelegd. Daarmee heeft zij echter niet onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [geïntimeerde] vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden, zodat de grief slaagt.
slot

9.8.1.
Het falen van een groot deel van de grieven brengt met zich dat de vordering voor een groot deel terecht door de rechtbank is toegewezen. Over het toegewezen bedrag komt aan [geïntimeerde] wettelijke rente toe, als gevorderd. Grief 12 faalt dus in zoverre.

9.8.2.
Het vonnis zal worden vernietigd en het hof zal opnieuw rechtdoen als in het dictum te melden.

9.8.3.
Het hof ziet in de familiale relatie tussen partijen en het feit dat [appellante] voor een deel in het gelijk is gesteld aanleiding de proceskosten te compenseren in hoger beroep, gelijk de rechtbank reeds deed in eerste aanleg. Grief 13 faalt dus.
korte samenvatting

9.9.
Het hof vindt dat tussen [geïntimeerde] ( [geïntimeerde] ) en [appellante] ( [appellante] ) was afgesproken dat [appellante] voor de bankrekening van [geïntimeerde] zou zorgen. Dit heeft [appellante] van 2005 tot 2013 gedaan, maar dat is niet goed gebeurd. Er is veel geld van de bankrekening van [geïntimeerde] opgenomen in die tijd. [appellante] moest bewijzen dat al dat gepinde geld voor [geïntimeerde] was. Dat is [appellante] voor een deel gelukt. Het hof vindt dat van al het gepinde geld een bedrag van € 13.100,- aan [geïntimeerde] is gegeven. De rest van het gepinde geld moet [appellante] daarom aan [geïntimeerde] terugbetalen. Het hof schat dat bedrag op € 16.772,-. Hierbij komt nog rente. [appellante] heeft gezegd dat zij € 1.200,- contant aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald. Dat kan het hof niet vaststellen. [appellante] heeft via de bank aan de advocaat van [geïntimeerde] al € 10.071,74 terugbetaald. Zij moest over dit bedrag ook nog rente betalen. Daarom moet zij nog € 600,- bijbetalen.De kosten van de procedures bij de rechtbank en bij het hof worden tussen [geïntimeerde] en [appellante] verdeeld. Dat doet het hof vooral omdat ze allebei een beetje gelijk en een beetje ongelijk hebben gekregen.
10


Het hof:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 september 2016;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van € 17.372,00 (€ 16.772 ,-+ € 600,-) met de wettelijke rente hierover vanaf 3 maart 2016;
compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, E.H. Schulten en P.S. Kamminga en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 december 2019.

griffier rolraadsheer