Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:4364

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:4364, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.265.627_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 28 november 2019Zaaknummer : 200.265.627/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/359270 / JE RK 19-1006
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. P.F.M. Gulickx,
tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,verweerder,hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] en (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:- Stichting Jeugdbescherming Brabant, de gecertificeerde instelling (hierna te noemen: de GI).

ECLI:NL:GHSHE:2019:4364:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 28 november 2019Zaaknummer : 200.265.627/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/359270 / JE RK 19-1006
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. P.F.M. Gulickx,
tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,verweerder,hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] en (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:- Stichting Jeugdbescherming Brabant, de gecertificeerde instelling (hierna te noemen: de GI).
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juni 2019.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 september 2019, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep gegrond te verklaren en voormelde beschikking te vernietigen en naar het hof begrijpt het inleidend verzoek van de raad alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 september 2019, heeft de GI naar het hof begrijpt verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Gulickx;- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .Tevens is als informant verschenen de heer [de (stief)vader] , de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna te noemen: de (stief)vader).
2.4.
Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het procesdossier eerste aanleg, ingekomen op 18 september 2019.
overwegingen

3

3.1.
Uit de moeder is – voor zover hier van belang – geboren:- [minderjarige 1] op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige 2] op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;- [minderjarige 3] op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .De vader heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet erkend.
Uit de relatie van de moeder en de (stief)vader zijn geboren:

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 juni 2019 tot 26 juni 2020.
3.3.
Na de bestreden beschikking is op 20 augustus 2019 machtiging verleend om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen en is op 11 september 2019 machtiging verleend om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis te plaatsen.
3.4.
De moeder kan zich met voormelde beslissing van 26 juni 2019 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden niet ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De moeder onderkent dat sprake is geweest van forse ruzies met fysiek geweld in de relatie met de (stief)vader en de moeder begrijpt dat dit slecht is voor de kinderen, maar er was geen sprake van een doorlopende situatie van huiselijk geweld. De kinderen hebben het veelal goed en fijn thuis gehad. De veiligheid van de kinderen heeft voor de moeder altijd bovenaan gestaan. De moeder krijgt steun van familie en van deskundige hulpverleners en op hen kan zij terugvallen. De moeder en de (stief)vader hebben geen relatie meer met elkaar.De moeder wordt door de ondertoezichtstelling alleen maar meer belast en dit gaat ten koste van de kinderen. Door de wisselingen in de plaatsingen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn zij beschadigd. Door de gang van zaken heeft de moeder geen vertrouwen meer in de GI en wil zij niet dat er nog wordt meegekeken via de ondertoezichtstelling. Om die reden wil zij de vorderingen die zij bij de psycholoog maakt niet delen met de GI. De moeder staat wel open voor hulpverlening van een organisatie waarin zij vertrouwen heeft, zoals Fivoor of KUK.
3.6.
De raad voert, kort samengevat, het volgende aan. Omdat het de moeder en de (stief)vader niet lukte om de opvoedingssituatie van de kinderen op een goede manier vorm te geven is om de ondertoezichtstelling verzocht. Dat het de moeder niet lukte om de veiligheid van de kinderen te garanderen, vormde een ontwikkelingsbedreiging. Wat er na het uitspreken van de ondertoezichtstelling nog is gebeurd, vormt alleen maar een bevestiging dat de ondertoezichtstelling moet blijven doorlopen, zowel voor de kinderen als voor de moeder en de (stief)vader. Zij krijgen hiermee de kans om te laten zien dat het wel gaat lukken.
3.7.
De GI voert, kort samengevat, het volgende aan. De ondertoezichtstelling is de meest geëigende maatregel omdat de kinderen de afgelopen jaren in de thuissituatie heel veel hebben meegemaakt, waardoor sprake is van een ernstige bedreiging van de belangen van de kinderen. De ondertoezichtstelling is nodig om zicht te houden op de thuissituatie en op de kinderen. Verder is de maatregel nodig om te blijven monitoren hoe de ontwikkeling van de kinderen verloopt en om te zien of het de moeder en de (stief)vader lukt het anders te doen.De GI heeft samen met de moeder en de (stief)vader een plan gemaakt om ervoor te zorgen dat de kinderen zo veilig en optimaal mogelijk kunnen opgroeien. Hierin zijn als voorwaarden opgenomen dat de moeder en de (stief)vader geen relatie met elkaar hebben en dat zij meewerken aan hulpverlening in de thuissituatie. Ook moeten zij openheid geven over hun eigen hulpverlening. De (stief)vader gaat een hulpverleningstraject starten bij Fivoor waarbij ook de moeder betrokken wordt. De vader is bereid om hierover openheid te geven. De moeder vindt het lastig om openheid te geven over haar hulpverlening. Er is een betrokken familie vanuit beide kanten. De basisafspraken gelden voor alle drie de kinderen. [minderjarige 1] is ouder dan de tweeling en met haar zullen gesprekken gevoerd worden over wat zij nodig heeft. De verwachting is dat de kinderen 22 november 2019 weer terug thuisgeplaatst worden. Na de thuisplaatsing zal ten aanzien van [minderjarige 2] de speltherapie weer worden opgestart.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
3.8.2.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen besproken is op de mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat ten tijde van het uitspreken van de ondertoezichtstelling sprake was van ernstige zorgen over de thuissituatie van de kinderen. Al vanaf 2012 zijn er meldingen van (fors) fysiek en mentaal huiselijk geweld, waarvan de kinderen soms getuige waren, en van drank- en drugsgebruik van in ieder geval de (stief)vader. Hierdoor hebben de kinderen onvoldoende rust en veiligheid ervaren om zich goed te kunnen ontwikkelen en werden zij ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Na het uitspreken van de ondertoezichtstelling heeft er een ernstig incident plaatsgevonden, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een uithuisplaatsing van de kinderen.
Op de mondelinge behandeling heeft de moeder onweersproken naar voren gebracht dat [minderjarige 1] sinds 5 november jl. weer volledig bij haar verblijft. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven nog in verschillende pleeggezinnen, maar er wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing per 22 november a.s.

Dat ten aanzien van [minderjarige 1] op dit moment nog sprake is van een ernstige bedreiging in haar ontwikkeling is het hof niet voldoende gebleken. Het hof neemt hierbij onder meer in aanmerking de leeftijd van [minderjarige 1] en hetgeen zij tijdens het kindgesprek heeft verklaard. Zo kon zij duidelijk aangeven dat zij zich niet direct bedreigd heeft gevoeld in de thuissituatie en dat zij zich ondanks de heftige situaties, fijn voelde thuis. Ook weet zij duidelijk wat zij wil en is zij al heel zelfstandig, en daarmee weerbaar. [minderjarige 1] verbleef de afgelopen periode (toen zij bij opa en oma woonde) al veel bij de moeder en inmiddels woont zij met instemming van de GI weer thuis. Daarbij hebben de moeder en de (stief)vader naar eigen zeggen geen relatie meer met elkaar en wonen zij niet meer samen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ten aanzien van [minderjarige 1] thans niet meer voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

[minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn vanwege hun leeftijd kwetsbaarder en meer afhankelijk van hun opvoeder(s). Op dit moment wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder en gaat er een hulpverleningstraject opgestart worden. De moeder en de (stief)vader hebben een aantal zeer positieve stappen gezet, maar het is op dit moment nog onzeker hoe de situatie zich na de thuisplaatsing verder feitelijk gaat ontwikkelen. Niet is gebleken dat de zorgen die er waren bij de ondertoezichtstelling thans niet meer aanwezig zijn. De moeder en de (stief)vader moeten nog laten zien dat zij kunnen aansluiten bij de door de GI gestelde voorwaarden om een voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] veilige thuissituatie te creëren. Het hof acht het van belang dat de GI de verdere ontwikkelingen ten aanzien van de thuissituatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , alsook de situatie tussen de moeder en de (stief)vader en het verloop van het hulpverleningstraject nog enige tijd blijft volgen. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat, anders dan ten aanzien van [minderjarige 1] , de (stief)vader de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is en op dit moment moet de verantwoordelijkheid voor de wijze waarop de omgang tussen de (stief)vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] na de thuisplaatsing vormgegeven gaat worden, niet alleen bij de moeder liggen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] thans nog altijd voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

3.9.
Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
beslissing

4

Het hof:

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van 26 juni 2019 tot 26 juni 2020, alsook voor wat betreft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] over de periode van 26 juni 2019 tot heden;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juni 2019, voor zover het betreft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , doch enkel voor zover die de periode betreft vanaf heden,

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor zover dit betrekking heeft op de periode vanaf heden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en C.A.R.M. van Leuven en is op 28 november 2019 uitgesproken door mr. C.N.M. Antens in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.