Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:4363

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:4363, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.265.835_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 28 november 2019Zaaknummer : 200.265.835/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/358850/JE RK 19-926
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. Y.I.B. Grosfeld,
tegen

Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering

gevestigd te [vestigingsplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling en/of de GI.
Deze zaak gaat over (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (Bosnië-Herzegovina).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:- de heer [de vader] (hierna: de vader).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,hierna te noemen: de raad.

ECLI:NL:GHSHE:2019:4363:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 28 november 2019Zaaknummer : 200.265.835/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/358850/JE RK 19-926
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. Y.I.B. Grosfeld,
tegen

Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering

gevestigd te [vestigingsplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling en/of de GI.
Deze zaak gaat over (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (Bosnië-Herzegovina).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:- de heer [de vader] (hierna: de vader).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,hierna te noemen: de raad.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 juni 2019.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 september 2019, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs wordt afgewezen en te bepalen dat [minderjarige] met onmiddellijke ingang teruggeplaatst wordt bij de moeder.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Grosveld;- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] .De raad en de vader zijn niet ter zitting verschenen.
2.4.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-

het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 24 september 2019;

het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 25 oktober 2019;

de brief met bijlagen van de GI, ingekomen op 25 oktober 2019;

de brief met bijlage van de GI, ingekomen op 4 november 2019;

de brief met bijlage van de GI, ingekomen op 5 november 2019;

de brief met bijlage van de GI, inkomen op 6 november 2019.

-

de brief van de GI d.d. 12 november 2019;

de brief van de advocaat van de moeder d.d. 14 november 2019.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen:

overwegingen

3

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is [minderjarige] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.2.
[minderjarige] heeft van 8 mei 2014 tot 8 september 2016 onder toezicht gestaan.
3.3.
Bij beschikking van 8 januari 2019 heeft de rechtbank het verzoek van de raad het gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen afgewezen en [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 januari 2019 tot 8 januari 2020.
3.4.
De rechtbank heeft op 8 juni 2019, zoals schriftelijk bevestigd op 11 juni 2019, een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs voor de duur van twee weken.
3.5.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank aan de GI machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs met ingang van 22 juni 2019 tot 8 januari 2020.
3.6.
[minderjarige] verbleef vanaf begin 2018 bij oma moederszijde (hierna: oma). Daarvoor is [minderjarige] meerdere malen (vrijwillig) bij oma geplaatst geweest. Op grond van voormelde spoedmachtiging is [minderjarige] vanaf 9 juni 2019 tot 5 augustus 2019 op een crisisgroep van Juzt geplaatst. Vanaf 5 augustus 2019 tot 28 augustus 2019 is [minderjarige] in een gezinshuis geplaatst. Vanaf 28 augustus 2019 tot 4 november 2019 is [minderjarige] weer op een crisisgroep van Juzt geplaatst. Vanaf 4 november 2019 verblijft [minderjarige] wederom bij oma.
3.7.
De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.8.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan.De uithuisplaatsing is niet gerechtvaardigd. De moeder heeft sinds 2 september 2019 eigen woonruimte. Zij is volledig beschikbaar voor [minderjarige] . Zelf heeft de moeder geen hulp nodig, ook niet voor de opvoeding, maar als er hulp voor [minderjarige] nodig is dan is de moeder bereid om in het kader van de ondertoezichtstelling hulp en steun te aanvaarden. Tussen de moeder en [minderjarige] zijn geen spanningen, in ieder geval niet van dien aard dat zij een uithuisplaatsing rechtvaardigen. De moeder wil [minderjarige] graag begeleiden in het bereiken van haar wensen. Zij fietst met [minderjarige] mee naar en van school om haar te laten zien dat zij er voor haar is. Op grond van artikel 8 EVRM dient family life te prevaleren boven andere opties. De moeder heeft het gevoel dat de GI er alleen maar op uit is om [minderjarige] bij de moeder weg te houden en om die reden voert zij een strijd. Een voorwaardelijke machtiging zou een goede manier zijn om dit te doorbreken, omdat de GI hiermee laat zien het beste met de moeder voor te hebben. [minderjarige] is door de plaatsingen op alle fronten geschaad. De plaatsing bij oma is niet ideaal en gelet op de huidige situatie is een plaatsing bij de moeder het beste. [minderjarige] kan daar tot rust komen.
Uit voormelde brief van de advocaat van de moeder d.d. 14 november 2019 blijkt, samengevat, dat de GI heeft nagelaten om een kopie van voormelde brief d.d. 12 november 2019 aan de advocaat van de moeder te verstrekken, hetgeen volgens de advocaat van de moeder tekenend is voor de wijze waarop met de belangen van [minderjarige] wordt omgesprongen en het bevestigt dat de GI niet zorgvuldig met de zaak omgaat en dat het niet de moeder is die afspraken verzaakt.

3.9.
De GI voert, samengevat, het volgende aan. Met betrekking tot de plaatsing van [minderjarige] is sprake van een bijzondere situatie. Vanuit de crisisopvang van Juzt is [minderjarige] in een gezinshuis geplaatst. Deze plaatsing liep mede door toedoen van de moeder niet lekker. Tijdens een evaluatie met de GI gaven de gezinshuisouders aan dat [minderjarige] , die op dat moment op school was, per direct niet terug hoefde te komen en zij hadden haar spullen al in dozen gedaan. De GI heeft [minderjarige] op school opgehaald en weer naar de crisisopvang van Juzt gebracht. Juzt komt niet met een fatsoenlijk aanbod voor een goede plaatsing. De crisisgroep van Juzt gaf echter op vrijdag 1 november jl. aan dat de plaatsing van [minderjarige] op de crisisgroep op maandag 4 november jl. zou eindigen, omdat deze groep enkel voor een kort verblijf is bedoeld. De GI heeft aangegeven op zoek te zijn naar een alternatief en hier op dinsdag 5 november 2019 op terug te komen. De GI heeft hierop niets meer van de crisisgroep vernomen. In het weekend van 2 en 3 november jl. heeft [minderjarige] bij oma gelogeerd. Op 5 november jl. kwam de GI erachter dat Juzt op maandag 4 november jl. eigenhandig alle spullen van [minderjarige] bij oma heeft afgegeven en met oma heeft afgesproken dat [minderjarige] bij haar zou blijven. Ook heeft Juzt afspraken gemaakt over wanneer [minderjarige] de moeder kan zien. De GI is hier niet bij betrokken geweest. In de middag van 7 november 2019 vindt er intern bij de GI een overleg plaats om te bekijken wat er geregeld moet worden. De GI is met Juzt en de gemeente in overleg over de plaatsing van [minderjarige] . [minderjarige] heeft duidelijkheid nodig omtrent haar perspectief. Doordat [minderjarige] bij oma verblijft, wordt er op dit moment geen uitvoering gegeven aan de verleende machtiging voor een plaatsing in een accommodatie, maar dat gaat op korte termijn wel weer gebeuren. De uithuisplaatsing is nog noodzakelijk. De gronden waarom eerder om een gezagsbeëindiging is verzocht zijn nog altijd aanwezig. Er zijn zorgen over het gedrag van de moeder, de stabiliteit die zij kan bieden en de veiligheid van [minderjarige] bij de moeder. De moeder is een strijd aan het voeren en [minderjarige] wordt daarin meegenomen. Het lukt de GI niet om met de moeder in gesprek te komen of om met haar samen te werken. Zij houdt zich niet aan afspraken of aanwijzingen en zij geeft geen antwoord op vragen van de GI. Ook zorgt de moeder overal waar [minderjarige] verblijft voor onrust en beschuldigt zij hulpverleners van allerlei ernstige dingen. Vanuit school worden geen zorgen geuit over het gedrag van [minderjarige] , maar er zijn wel zorgen over de prestaties van [minderjarige] vanwege alle onrust om haar heen. [minderjarige] heeft een sterke eigen wil en is verbaal heel sterk. Hierdoor is oma pedagogisch niet sterk genoeg om voor een langere periode de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen. De GI is aan het bekijken of met de inzet van de oudere halfbroer van [minderjarige] , [halfbroer] , een veilige plaatsing voor [minderjarige] gecreëerd kan worden.
Uit voormelde brief van de GI d.d. 12 november 2019 blijkt, samengevat, dat [minderjarige] op dat moment nog bij oma verblijft. Het is voor de GI nog niet duidelijk wat de beste plek voor [minderjarige] is, een groep of iemand binnen het netwerk. Op 9 november jl. heeft de GI alle zorgaanbieders in Limburg, Brabant en Zeeland gebeld en uiteindelijk was er alleen plek bij Oosterpoort en de Combinatie, waar een aanmelding is gedaan. Oosterpoort heeft de aanmelding op 12 november jl. afgewezen omdat plaatsing van [minderjarige] bij Oosterpoort niet in haar belang zou zijn, aldus de GI. De Combinatie gaat het dossier op 14 november 2019 bespreken. Om een oplossing voor [minderjarige] op korte termijn mogelijk te maken heeft de GI opgeschaald naar de gemeente. Mogelijk kan er een netwerkplaatsing gerealiseerd worden als er een oplossing wordt gevonden voor het gedrag van de moeder. Indien een netwerkplaatsing ingezet wordt, zal de GI hiervoor direct een nieuw verzoekschrift indienen.

3.10.
Het hof overweegt het volgende.
3.10.1.
De vader is in eerste instantie door het hof aangemerkt als informant. Vanwege het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats is de vader op 23 september 2019 via de Staatscourant als informant opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Vervolgens is gebleken dat de vader nog belast is met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige] , zodat hij moet worden aangemerkt als belanghebbende en als zodanig had moeten worden opgeroepen. Om die reden is de vader op 6 november 2019 nogmaals via de Staatscourant opgeroepen voor de mondelinge behandeling, doch ditmaal als belanghebbende. Het hof realiseert zich dat dit slechts één dag voor de zitting heeft plaatsgevonden. Nu er echter ook tot op heden geen reactie van de vader is ingekomen, houdt het hof het er op dat de vader in deze procedure niet wenst op te komen, althans dat hij dit niet zal doen.
3.10.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.10.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.10.4.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. [minderjarige] is in het verleden meerdere malen (vrijwillig) bij oma geplaatst, onder andere vanwege het ontbreken van huisvesting, vermoedens van alcohol- en drugsgebruik door de moeder en haar persoonlijke problematiek. [minderjarige] heeft eerder gedurende een periode van ruim twee jaar onder toezicht gestaan. De rechtbank heeft de ondertoezichtstelling destijds niet verlengd omdat de moeder op alle gebieden vooruitgang had geboekt. De moeder is hierna echter weer dakloos geworden en eerdere zorgen zijn weer teruggekomen. [minderjarige] heeft in haar leven al veel wisselingen in haar opvoedsituatie meegemaakt, waarbij de moeder wisselend beschikbaar is geweest, hetgeen zorgelijk is. De moeder is betrokken op [minderjarige] en heeft goede bedoelingen naar [minderjarige] , maar het lukt de moeder niet om [minderjarige] gedurende een lange periode voldoende structuur, regelmaat en veiligheid te bieden. De moeder beïnvloedt [minderjarige] voortdurend en neemt haar mee in haar strijd tegen instanties en andere problemen, (mede) waardoor [minderjarige] onwenselijk gedrag laat zien. Door de opstelling van de moeder is het voor de hulpverlening niet mogelijk om met de moeder in gesprek te gaan en met haar samen te werken. Weliswaar heeft de moeder inmiddels eigen woonruimte, maar gelet op het voorgaande maakt dit niet dat niet langer voldaan is aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing.
3.10.5.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat in dit geval het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, mag worden ingeperkt nu de zwaarwegende omstandigheden dit rechtvaardigen. De uithuisplaatsing, als zijnde een inbreuk op het recht op gezinsleven, dient immers een geoorloofd doel, namelijk de bescherming van de lichamelijke en geestelijke gezondheid van [minderjarige] .
3.10.6.
Ter mondelinge behandeling is gebleken dat de plaatsing van [minderjarige] op de crisisgroep op maandag 4 november 2019 is beëindigd en dat [minderjarige] inmiddels weer (noodgedwongen) bij oma verblijft. Hierdoor wordt niet langer uitvoering gegeven aan de bij de bestreden beschikking verleende machtiging voor plaatsing in een accommodatie voor een zorgaanbieder 24-uurs. Omdat de GI ter mondelinge behandeling aangaf dat nog niet duidelijk was wat er met de plaatsing van [minderjarige] zou gebeuren en hierover diezelfde middag een intern overleg zou plaatsvinden, is de GI na de zitting verzocht het hof te informeren over de uitkomst dit overleg. Naar aanleiding van voormelde brief van de advocaat van de moeder d.d. 14 november 2019 heeft het hof een kopie van de brief van de GI d.d. 12 november 2019 per fax aan de advocaat van de moeder verzonden. Vervolgens is er geen reactie meer van de advocaat van de moeder ontvangen.
3.10.6.
Naar het oordeel van het hof laat de gang van zaken rondom de uitvoering van de uithuisplaatsing van [minderjarige] te wensen over. Het hof maakt zich ernstige zorgen over het effect dat de vele wisselingen en de abrupte beëindigingen van de plaatsingen op [minderjarige] hebben.
3.10.7.
Het is het hof niet bekend waar [minderjarige] op het moment van deze uitspraak verblijft. Uit voormeld bericht van de GI d.d. 12 november 2019 blijkt dat [minderjarige] op die datum nog bij oma verbleef. Uit telefonische navraag bij de GI is gebleken dat [minderjarige] op 27 november jl. nog bij oma verbleef. Niet is gebleken dat zij nadien elders is geplaatst. Voor zover bij het hof bekend, wordt derhalve geen uitvoering gegeven aan de in de bestreden beschikking verleende machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs, althans is er in ieder geval enige tijd geen uitvoering aan gegeven. Om die reden zal het hof de bestreden beschikking vernietigen met ingang van 3 december 2019. Het hof merkt hierbij op dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, een mogelijke hernieuwde uithuisplaatsing van [minderjarige] door de rechtbank dient te worden beoordeeld.
beslissing

4

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 juni 2019 over de periode van 22 juni 2019 tot 3 december 2019;vernietigt deze beschikking met ingang van 3 december 2019;
en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst af het verzoek tot uithuisplaatsing voor zover dit betreft de termijn vanaf 3 december 2019;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven en E.M.C. Dumoulin en is op 28 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.