Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:4356

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:4356, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.264.745_01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 28 november 2019Zaaknummer : 200.264.745/01Zaaknummer 1e aanleg : C/01/345359 / JE RK 19-561
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. S.M.I. van Renterghem-Engelen,
tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:- [de vader] (hierna te noemen: de vader).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,hierna te noemen: de raad.

ECLI:NL:GHSHE:2019:4356:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 28 november 2019Zaaknummer : 200.264.745/01Zaaknummer 1e aanleg : C/01/345359 / JE RK 19-561
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. S.M.I. van Renterghem-Engelen,
tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:- [de vader] (hierna te noemen: de vader).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,hierna te noemen: de raad.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 27 mei 2019.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, zo begrijpt het hof, het verzoek van de GI tot een verlenging van de ondertoezichtstelling over [minderjarige] alsnog af te wijzen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Van Renterghem-Engelen;- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
2.3.1.
De raad is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, evenmin niet ter zitting verschenen.
2.3.2.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 27 mei 2019;

het V6-formulier met bijlage d.d. 1 november 2019 ingediend door de advocaat van de moeder.

overwegingen

3

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren. De moeder en de vader oefenen samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] woont bij de moeder.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 7 juni 2017 onder toezicht van de GI.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 juni 2020.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat – het volgende aan.Een ondertoezichtstelling voegt niets toe en is niet nodig. Ondanks dat de bijzondere curator heeft gesteld dat het belangrijk is dat de gezinsvoogd een vertrouwensband opbouwt met [minderjarige] , is dat niet gebeurd; de gezinsvoogd heeft zich te weinig laten zien. Het is inmiddels wel twee voor twaalf, want [minderjarige] wordt in januari 2020 17 jaar. De moeder heeft zelf de hulpverlening voor [minderjarige] geregeld. Zo heeft zij [minderjarige] aangemeld voor huiswerkbegeleiding en heeft zij contact opgenomen met [instelling] om de behandeling aldaar te starten. Het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader heeft een aanvang genomen. Ze hebben whats-app contact en spreken af en toe samen af in of in de buurt van [plaats] .
3.6.
De GI voert ter zitting - kort samengevat – het volgende aan.Er zijn positieve ontwikkelingen: [minderjarige] heeft zijn diploma gehaald en is gestart met een ICT opleiding bij het ROC. Hij vindt de opleiding leuk en krijgt huiswerkbegeleiding. Er is af en toe contact tussen [minderjarige] en de vader. De GI wilde een therapeutisch psychologisch onderzoek (PTO) laten verrichten, maar hieraan wilde [minderjarige] niet meewerken. Er is inmiddels “Functional Family Therapy” (FFT) ingezet. Ondanks de positieve ontwikkelingen acht de GI een ondertoezichtstelling nog wel noodzakelijk. Er is nog altijd een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] : hij is een gesloten jongen die vrij geïsoleerd leeft, weinig contact maakt en de noodzaak van hulpverlening niet inziet. Om [minderjarige] zo ver te krijgen mee te werken aan het “FFT” traject, heeft de GI druk moeten zetten. Daarbij komt dat de ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag dragen, niet, althans moeizaam, met elkaar communiceren.
3.7.
Het hof overweegt het volgende.
3.7.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.7.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
3.7.3.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de moeder niet betwist dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Immers, zij acht de door haar geïnitieerde hulpverlening in de vorm van huiswerkbegeleiding en het traject bij [instelling] , alsmede de recentelijk ingezette “FFT”, nodig voor [minderjarige] ; ook ter zitting heeft zij zich op het standpunt gesteld dat er zo spoedig mogelijk iets moet gebeuren aangezien [minderjarige] bijna 17 jaar is. De vraag of de ontwikkelingsbedreiging zonder een ondertoezichtstelling kan worden weggenomen, beantwoordt het hof ontkennend. De moeder heeft laten zien dat zij zich wil inzetten om de noodzakelijk hulpverlening voor [minderjarige] te bewerkstelligen, maar desondanks slaagt zij er ook niet altijd in om [minderjarige] daarvoor te motiveren en [minderjarige] zelf ziet de noodzaak van hulpverlening niet, althans te weinig, in. Zo heeft [minderjarige] twee van de vijf gesprekken bij [instelling] afgezegd, wilde [minderjarige] aan de beoogde hulpverlening, namelijk het ondergaan van een therapeutisch psychologisch onderzoek (TPO), niet meewerken en is met de nodige druk het hiervoor genoemde “FFT” traject aangevangen. Zijn houding dat hij geen hulpverlening nodig heeft, blijkt ook uit het rapport van de bijzondere curator en uit het kind gesprek dat het hof met [minderjarige] voerde. Kortom, de zorg die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen, wordt door [minderjarige] buiten een gedwongen kader onvoldoende geaccepteerd. Daarbij komt dat de nu ingezette hulpverlening, zoals het “FFT” traject, loopt in het kader van de ondertoezichtstelling en het is niet in het belang van [minderjarige] als deze hulpverlening wordt onderbroken of stop gezet omdat de ondertoezichtstelling wegvalt. Het hof betrekt bij zijn oordeel ook het feit dat zich positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan onder het regime van de ondertoezichtstelling: [minderjarige] heeft zijn diploma gehaald en is aan een nieuwe opleiding begonnen, heeft af en toe contact met zijn vader en is met hulpverlening gestart.
3.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.
beslissing

4

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 mei 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, L.Th.L.G. Pellis en H.M.A.W. Erven en is op 28 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.