Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:433

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 07-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:433, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.249.117_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 7 februari 2019Zaaknummer : 200.249.117/01Zaaknummer 1e aanleg : C/03/252206/ JE RK 18-1530
in de zaak in hoger beroep van:

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. A.M.A. Kok-Verheijde,
tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Als informant wordt aangemerkt:- [informant] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio: Zuidoost Nederland,hierna te noemen: de raad.

ECLI:NL:GHSHE:2019:433:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 7 februari 2019Zaaknummer : 200.249.117/01Zaaknummer 1e aanleg : C/03/252206/ JE RK 18-1530
in de zaak in hoger beroep van:

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. A.M.A. Kok-Verheijde,
tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Als informant wordt aangemerkt:- [informant] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio: Zuidoost Nederland,hierna te noemen: de raad.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 augustus 2018.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 november 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat de ondertoezichtstelling met onmiddellijke omgang is opgeheven.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Kok-Verheijde;- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Namens de raad is, met bericht van verhindering d.d. 24 december 2018, geen vertegenwoordiger verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-

de brief van de GI d.d. 14 december 2018;

de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 2 januari 2019;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 6 augustus 2018.

overwegingen

3

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder met de vader is op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] geboren, [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ).
3.2.
[minderjarige] staat sinds 22 augustus 2016 onder toezicht van de GI.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 augustus 2019.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - aan dat er geen sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] en dat het duidelijk is dat de verlenging van de ondertoezichtstelling uitsluitend betrekking had op het tot stand komen van contact tussen de vader en [minderjarige] .Nu door de rechtbank bij beschikking van 5 december 2018 het eenhoofdig gezag aan de moeder is toegekend en het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen, is er volgens de moeder geen noodzaak meer voor de (verlenging van de) ondertoezichtstelling.
3.6.
De GI bevestigt ter zitting, - kort samengevat - dat de zorgen ten aanzien van [minderjarige] enkel bestonden ten aanzien van de omgang tussen de vader en [minderjarige] en de gezagsuitoefening van de ouders. Aangezien de moeder thans alleen het gezag uitoefent en er geen sprake meer is van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] kan de GI instemmen met de beëindiging van de ondertoezichtstelling. De GI heeft het vertrouwen dat het bij de moeder thuis goed gaat.
3.7.
Het hof overweegt het volgende.
3.7.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
3.7.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste één jaar.
3.7.3.
Het hof is van oordeel dat weliswaar ten tijde van de procedure in eerste aanleg was voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW maar dat daar thans geen sprake meer van is. Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen blijkt dat [minderjarige] niet meer in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat zij zich goed ontwikkelt. Daarbij komt dat de verlenging van de ondertoezichtstelling met name zag op het monitoren van de contactopbouw tussen de vader en [minderjarige] en het gebrek aan communicatie tussen de ouders. Nu bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 5 december 2018 is bepaald dat het gezag over [minderjarige] alleen aan de moeder toekomt en het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen, bestaat er op dit moment geen noodzaak meer tot handhaving van de ondertoezichtstelling. Aan de voorwaarden voor de ondertoezichtstelling wordt niet langer voldaan.
3.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking met ingang van 7 februari 2019 zal worden vernietigd en het inleidende verzoek van de GI alsnog met ingang van diezelfde datum zal worden afgewezen.
beslissing

4

Het hof:

vernietigt met ingang van 7 februari 2019 de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 augustus 2018;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst met ingang van 7 februari 2019 alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2015;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, L.Th.L.G. Pellis en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 7 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.