Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:4069

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:4069, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.257.990_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.257.990/01

arrest van 5 november 2019

in de zaak van

Tiwos, [vestigingsnaam] Woonstichting

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als Tiwos,advocaat: mr. C.J.P. Schellekens te Tilburg,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,niet verschenen,
op het bij exploot van dagvaarding van 15 april 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 maart 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen Tiwos als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

ECLI:NL:GHSHE:2019:4069:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.257.990/01

arrest van 5 november 2019

in de zaak van

Tiwos, [vestigingsnaam] Woonstichting

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als Tiwos,advocaat: mr. C.J.P. Schellekens te Tilburg,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,niet verschenen,
op het bij exploot van dagvaarding van 15 april 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 maart 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen Tiwos als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 21 november 2018.

2

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep;

het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

de memorie van grieven met producties.

overwegingen

3

3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.1.1.
[geïntimeerde] huurt met ingang van 11 april 2013 van Tiwos de woning c.a. staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] .

3.1.2.
Op de tussen partijen gesloten huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Tiwos van toepassing. In de artikelen 5.3 en 5.7 is het volgende bepaald:- artikel 5.3: .- artikel 5.7:
3.1.3.
Op 13 september 2018 zijn door de politie Zeeland-West-Brabant in de berging van de woning van [geïntimeerde] de volgende materialen aangetroffen, die door de politie in beslag zijn genomen:- 37 assimilatielampen van 600 watt (36 nieuw, 1 gebruikt);- 48 armaturen (40 nieuw, 8 gebruikt);- 15 transformatoren (14 nieuw, 1 gebruikt);- 3 slakkenhuizen (2 nieuw, 1 gebruikt);- 1 thermostaat;- 3 ventilatoren;- 1 dompelpomp;- 1 schakelbord;- 1 kachel;- 2 koolstoffilters (1 gebruikt, 1 nieuw).
3.2.
Tiwos heeft in eerste aanleg kort gezegd gevorderd dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en [geïntimeerde] veroordeelt tot ontruiming van de woning, met zijn veroordeling in de proceskosten. In het tussenvonnis van 21 november 2018 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast die op 19 februari 2019 heeft plaatsgevonden.Bij eindvonnis van 20 maart 2019 heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen met veroordeling van Tiwos in de proceskosten.
3.3.
Tiwos is tijdig in hoger beroep gekomen. Tiwos heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Tiwos heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.
3.4.
In de eerste plaats is van belang of [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Volgens Tiwos is het enkel voorhanden hebben van de in de berging van de woning aangetroffen (in 3.1.3. genoemde) zaken (hierna: de hennep gerelateerde zaken), strafbaar op grond van artikel 11a Opiumwet. Daardoor heeft [geïntimeerde] in strijd gehandeld met artikel 5.7 van de algemene huurvoorwaarden. Verder heeft [geïntimeerde] door het aanwezig hebben van hennep gerelateerde zaken niet de zorg voor het gehuurde betracht die van hem als goed huurder mocht worden verlangd. Zodoende heeft [geïntimeerde] (ook) in strijd gehandeld met artikel 7:213 BW en artikel 5.3 algemene huurvoorwaarden, aldus Tiwos.
3.5.
Artikel 11a Opiumwet luidt als volgt: Deze bepaling is op 1 maart 2015 in werking getreden.

3.6.
De kantonrechter heeft onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:328) in een strafzaak, geoordeeld dat [geïntimeerde] niet in strijd met artikel 11a Opiumwet heeft gehandeld. Daartoe heeft de kantonrechter (kort samengevat) overwogen dat uit dat arrest van de Hoge Raad volgt dat niet alleen sprake moet zijn van het voorhanden hebben van zaken die in verband kunnen worden gebracht met hennepteelt. Voor een strafbare voorbereidingshandeling in de zin van bedoelde bepaling moet ook sprake zijn van een ‘criminele intentie’ van [geïntimeerde] . Daarmee wordt bedoeld dat [geïntimeerde] moet hebben geweten of heeft moeten vermoeden dat de opgeslagen zaken gebruikt zouden gaan worden voor hennepteelt. Dat de voorwerpen daarvoor geschikt zijn of in het verleden daarvoor gebruikt zijn, is niet doorslaggevend. Verder heeft de kantonrechter overwogen dat [geïntimeerde] ter zitting heeft verklaard dat hij de hennep gerelateerde zaken kort voor de inwerkingtreding van artikel 11a Opiumwet heeft gekocht met de bedoeling ze door te verkopen, maar dat hij ze niet meer te koop durfde aan te bieden of te verplaatsen vanwege de inwerkingtreding van artikel 11a Opiumwet. De kantonrechter heeft daaruit afgeleid dat [geïntimeerde] niet meer een criminele intentie had en dat geen sprake is van een strafbaar feit. Verder heeft de kantonrechter overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat de opslag van de voorwerpen overlast of schade aan het gehuurde heeft veroorzaakt. Volgens de kantonrechter is daarom geen sprake van een handelen in strijd met de algemene huurvoorwaarden.
3.7.
Het hof is van oordeel dat Tiwos in hoger beroep terecht heeft aangevoerd dat bij de vraag of [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst is tekortgeschoten, de door de Hoge Raad gegeven uitleg van artikel 11a Opiumwet niet doorslaggevend is. De door de Hoge Raad gegeven uitleg ziet immers op de vraag of een strafrechtelijke veroordeling dient te volgen, terwijl het in dit geval gaat om de vraag of sprake is van een handelen in strijd met de algemene huurvoorwaarden, dus om de vraag of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van verplichtingen uit een huurovereenkomst. Uit artikel 2.3 van de algemene huurvoorwaarden volgt dat [geïntimeerde] zich moest gedragen als een goed huurder. Hetzelfde volgt uit artikel 7:213 BW. Artikel 5.7 van de algemene huurvoorwaarden is daar een nadere uitwerking van. Daarin is te lezen wat in ieder geval in strijd is met goed huurderschap. Die bepaling kan niet anders worden gelezen dan een nadere invulling van wat Tiwos in ieder geval onacceptabel vindt. Het hof is van oordeel dat het [geïntimeerde] zonneklaar moet zijn geweest dat Tiwos met artikel 5.7 van de algemene huurvoorwaarde heeft bedoeld dat zij niets tolereert aangaande het kweken van hennep. Dat volgt niet alleen uit artikel 5.7 van de algemene huurvoorwaarden. Het is een feit van algemene bekendheid dat alle woningcorporaties al jarenlang een streng anti-hennepbeleid voeren. [geïntimeerde] dient zich te gedragen als een goed huurder. Om die reden had [geïntimeerde] zich kunnen en moeten realiseren dat Tiwos óók bedoelde dat zij geen hennep gerelateerde activiteiten toestaat in haar woningen en de daarbij horende bergingen. [geïntimeerde] had moeten begrijpen dat Tiwos het aanwezig hebben van een combinatie van de aard en omvang van de aangetroffen voorwerpen (zie hierna), zou opvatten als strijdig met goed huurderschap en dat dit voor Tiwos aanleiding zou zijn om de huurovereenkomst te willen laten eindigen.
3.8.
Het hof is dus van oordeel dat sprake is geweest van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat die tekortkoming niet zo ernstig was, dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Daartoe heeft hij aangevoerd dat sprake was van een relatief summiere verzameling van voorwerpen en dat geen gevaarzetting, overlast of schade is gebleken. Het hof overweegt daarover het volgende.
3.9.
Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De hoofdregel en de tenzij-bepaling brengen tezamen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat, kort gezegd, slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810). Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast brengt de structuur van hoofdregel en tenzij-bepaling in de systematiek van het BW echter wel mee dat de schuldeiser moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de schuldenaar (en in voorkomend geval dat voldaan is aan de eis van art. 6:265 lid 2 BW dat de schuldenaar in verzuim is), en dat het aan de schuldenaar is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Ten aanzien van de ontbinding van een overeenkomst van huur en verhuur van woonruimte gelden geen bijzondere regels. Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. Deze beoordelingsruimte heeft de rechter ook indien tegen de huurder verstek is verleend. Dat ligt besloten in de in art. 7:231 lid 1 BW dwingend voorgeschreven rechterlijke tussenkomst voor de ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot, kort gezegd, woon- of bedrijfsruimte of een woonwagen. Deze rechterlijke beoordeling vindt (ook in verstekzaken) wel haar praktische begrenzing erin dat de rechter slechts rekening kan houden met de voor hem kenbare feiten en omstandigheden.
3.10.
Het hof beschouwt de aangetroffen voorwerpen niet als een relatief summiere verzameling van voorwerpen. De aard, omvang en combinatie van voorwerpen duiden op een verzameling die is bedoeld voor beroepsmatige hennepteelt. Dat blijkt ook uit de kennisgeving van inbeslagneming van de politie, te weten . Verder is het hof van oordeel dat de enkele aanwezigheid van de genoemde ‘complete inventaris voor het inrichten van een hennepkwekerij’ al het risico meebrengt dat deze inventaris op enig moment in deze huurwoning of in een andere huurwoning van Tiwos daadwerkelijk wordt gebruikt. Tiwos hoeft het bestaan en voortduren van dat risico niet te accepteren.
3.11.
Volgens [geïntimeerde] wordt hij onevenredig hard getroffen door een ontbinding van de huurovereenkomst. Daartoe heeft hij (samengevat) de volgende argumenten aangedragen:- hij heeft een licht verstandelijke beperking en een grote behoefte aan een vast ritme en een vertrouwde omgeving; - hij ontvangt een bijstandsuitkering, is vrijgesteld van de sollicitatieplicht en wordt ondersteund door ASVZ Ondersteuning Thuis; - de woning is van belang voor het realiseren van omgangsmomenten met zijn vijfjarige zoon bij wie een zeldzame afwijking is geconstateerd.
3.12.
Het hof oordeelt hierover als volgt. [geïntimeerde] heeft niet toegelicht wat zijn beperking precies inhoudt en waarom daaruit zou volgen dat hij een grote behoefte heeft aan een vertrouwde omgeving. Hij heeft ook geen gegevens in het geding gebracht waaruit dat blijkt. Wat het belang is van het al dan niet hebben van een bijstandsuitkering en / of een sollicitatieverplichting voor wat betreft het behoud van de huurwoning, verduidelijkt [geïntimeerde] niet althans onvoldoende. Dat geldt ook voor wat betreft de gezondheidsproblemen van zijn zoon. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat juist deze huurwoning van speciaal belang is voor de gezondheid van zijn zoon. Dat ligt ook niet voor de hand omdat de zoon van [geïntimeerde] niet bij hem woont. [geïntimeerde] heeft het belang van het behoud van zijn woning vanwege de omgangsregeling met zijn zoon wel onderbouwd. Hij heeft een brief overgelegd van ASVZ Ondersteuning Thuis van 8 oktober 2018. In die brief wordt vermeld dat als de bezoeken niet thuis kunnen plaatsvinden, er geen plek is waar dat wel kan. Uit die brief blijkt echter onvoldoende waarom dat niet elders kan. Kennelijk was er eerder wel de mogelijkheid om de omgang elders te laten plaatsvinden. Ook is niet uitgesloten dat [geïntimeerde] elders andere woonruimte vindt, zodat de omgangsregeling op een ander adres maar wel bij [geïntimeerde] thuis kan worden voortgezet. [geïntimeerde] heeft geen nadere informatie verstrekt over de situatie met betrekking tot de omgangsregeling. Ook dit onderdeel had [geïntimeerde] dus nader moeten toelichten, hetgeen hij niet heeft gedaan. Kortom, het hof kan er niet van uitgaan dat de gevolgen voor [geïntimeerde] zodanig zijn, dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigen. De ontbinding van de huurovereenkomst is weliswaar ingrijpend, maar dat geldt voor elke huurder wiens huurovereenkomst ontbonden wordt, en is bovendien een gevolg van de tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst. Het ligt daarom op de weg van [geïntimeerde] om de gevolgen van de ontbinding van de huurovereenkomst, zo nodig met hulp van hulpverlenende instanties, te dragen.
3.13.
Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat de tekortkoming van [geïntimeerde] van voldoende gewicht is om een ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. De grieven slagen en het hof zal de vorderingen van Tiwos alsnog toewijzen. Het hof zal [geïntimeerde] veroordeling in de proceskosten van beide instanties.
4

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

ontbindt de tussen Tiwos en [geïntimeerde] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] te [woonplaats] ;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest die woning te ontruimen en te verlaten, met alle goederen en alle personen die zijdens [geïntimeerde] in de woning verblijven en die woning ter vrije en algehele beschikking van Tiwos te stellen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Tiwos voor de eerste aanleg op € 98,01 aan dagvaardingskosten, op € 119,- aan griffierecht en op € 360,- aan salaris advocaat, en voor het hoger beroep op € 99,01 aan dagvaardingskosten, € 741,- aan griffierecht en op € 1.074,- aan salaris advocaat; en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 november 2019.

griffier rolraadsheer