Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:4065

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:4065, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.232.842_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof: 200.232.842/01(zaaknummer rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven: 5809194)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] , appellant,in eerste aanleg: eiser,advocaat: mr. S.N. Ketting,
tegen:

[de vennootschap]

gevestigd te [vestigingsplaats]geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,advocaat: mr. F. Damen.
De partijen zullen hierna worden aangeduid als [appellant] en [geïntimeerde] .

ECLI:NL:GHSHE:2019:4065:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof: 200.232.842/01(zaaknummer rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven: 5809194)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] , appellant,in eerste aanleg: eiser,advocaat: mr. S.N. Ketting,
tegen:

[de vennootschap]

gevestigd te [vestigingsplaats]geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,advocaat: mr. F. Damen.
De partijen zullen hierna worden aangeduid als [appellant] en [geïntimeerde] .

1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 19 oktober 2017 dat de kantonrechter te Eindhoven (rechtbank Oost-Brabant) tussen partijen heeft gewezen.

2

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep van 18 januari 2018; - de memorie van grieven, tevens houdende wijziging (vermindering) van eis, met producties; - de memorie van antwoord.
2.2
Vervolgens zijn de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3

3.1.
[appellant] is met ingang van 15 september 1997 in dienst getreden van [interior] (hierna: Interior), in de functie van wandensteller/timmerman. Interior en [geïntimeerde] zijn dochtervennootschappen van [de groep] (hierna: Groep).
3.2.
In ieder geval op 21 februari 2001 en 16 februari 2005 is aan Groep op haar verzoek door de cao-partijen dispensatie verleend van de toen voor Groep en [geïntimeerde] geldende Cao's Afbouw (productie 9 bij inleidende dagvaarding, bijlagen III en V), en wel ten aanzien van (onder meer) het volgens de Cao Afbouw geldende loon.
3.3.
In artikel 4 lid 1 van de Cao Afbouw 2005-2007 (productie 14 bij memorie van grieven) is bepaald dat deze cao geldt van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 (afgezien van enkele voor dit geschil niet-relevante artikelen die gelden tot en met 31 december 2008). Artikel 5 bepaalt dat de cao wordt geacht stilzwijgend voor de duur van een jaar te zijn verlengd indien de cao niet ten minste drie maanden voor de afloopdatum door één van partijen wordt opgezegd. Artikel 9 van de Cao Afbouw 2005-2007 luidt, voor zover voor de beoordeling van belang:
3.4.
Bij brief van 29 juni 2006 (productie 10 bij een inleidende dagvaarding) schrijft de secretaris van de cao-partijen Afbouw aan Groep:
"Naar aanleiding van uw verzoek d.d. 10 maart 2006 om dispensatie van de CAO Afbouw in het kader van de uniformering van de arbeidsvoorwaarden tussen de [de holding] en de drie dochtermaatschappijen, kunnen wij u het volgende laten weten. CAO-partijen gaan akkoord met de dispensatie voor [de holding] , voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingaande per 1 januari 2006, op de onderstaande punten:

(…)

• garantielonen en toekomstige loonsverhogingen.

Bij de toekenning van alle besluiten tot dispensatie voor onbepaalde tijd, geldt dat partijen zich om formele redenen altijd het recht voorbehouden de dispensatie te kunnen intrekken, mocht hiertoe op enig moment aanleiding zijn."

3.5.
Bepalingen van de Cao Afbouw 2005-2007, waaronder artikel 9, zijn met ingang van 7 februari 2007 algemeen verbindend verklaard bij besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 februari 2007 (Stcrt. 2007, 25, 5 februari 2007). Opvolgende cao's (namelijk die betreffende de periodes 2008-2009, 2010, 2011-2012, 2013-2014 en 2015-2017) kenden ook een dispensatieregeling. Bepalingen van die cao's zijn ook algemeen verbindend verklaard.
3.6.
Na 2006 hebben Groep en [geïntimeerde] geen verzoeken om dispensatie meer ingediend.
3.7.
Vanaf 1 januari 2008 werkte [appellant] niet meer voor Interior, maar is hij voor [geïntimeerde] gaan werken. Op 12 december 2007 hebben [appellant] en [geïntimeerde] de als productie 2 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst ondertekend. Artikel 1.1 van die overeenkomst luidt:
3.8.
[geïntimeerde] heeft met toestemming van het UWV vanwege een reorganisatie de arbeidsovereenkomst met [appellant] met ingang van 5 september 2015 opgezegd.
overwegingen

4

4.1.
Tussen partijen is thans in hoger beroep nog in geschil de vraag of [geïntimeerde] gedurende het dienstverband met [appellant] ingevolge de verleende dispensatie terecht aan hem het salaris heeft uitbetaald conform de Cao voor de Bouwnijverheid (standpunt [geïntimeerde] ) dan wel of en in hoeverre [appellant] gedurende zijn dienstverband vanaf januari 2008 recht had op het  hogere  salaris waarop de Cao Afbouw recht geeft (standpunt [appellant] ). [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar loonbetalingsverplichting jegens hem en vordert na wijziging van eis bij memorie van grieven (verkort weergegeven):
 voor recht te verklaren dat de dispensatie waarop [geïntimeerde] zich beroept niet voldoet aan de voorwaarden die volgens de cao aan een dergelijk dispensatieverzoek worden gesteld;  voor recht te verklaren dat een dispensatie voor onbepaalde tijd niet rechtsgeldig dan wel in strijd met de wet is;  veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 9.903,80 bruto aan achterstallig loon en emolumenten over de periode van week 25 van 2011 tot 5 september 2015, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging ingevolge artikel 7:625 BW alsmede met € 870,19 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.
4.2.
In eerste aanleg heeft de kantonrechter  afgezien van andere vorderingen die in hoger beroep geen rol meer spelen  de vorderingen van [appellant] afgewezen. De kantonrechter heeft het verweer van [geïntimeerde] gevolgd dat aan haar op de voet van artikel 9 van de Cao Afbouw 2005-2007 voor onbepaalde tijd dispensatie is verleend ten aanzien van het salaris dat op grond van de Cao Afbouw verschuldigd zou zijn. Volgens de kantonrechter kan de stelling van [appellant] dat de cao-partijen van de bevoegdheid tot dispensatieverlening ongeldig gebruik hebben gemaakt, niet worden beoordeeld in een geding waarbij die contractspartijen niet zelf betrokken zijn, tenzij dat in de cao anders zou zijn geregeld. Nu daarvan niet is gebleken, moet voor de beoordeling van het onderhavige geschil van de geldigheid van de dispensatie worden uitgegaan, aldus de kantonrechter.
4.3.
[appellant] , die in hoger beroep twee grieven heeft aangevoerd, concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar (in hoger beroep gewijzigde) vordering. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden. Met grief 1 voert [appellant] aan dat de door de cao-partijen in 2006 aan [geïntimeerde] verleende dispensatie geen langere periode kan hebben bestreken dan de looptijd van de Cao Afbouw 2005-2007, derhalve tot en met 31 december 2007, en dat [geïntimeerde] geen dispensatie heeft gevraagd voor de daaropvolgende cao's. [appellant] had daarom, zo voert hij aan, met ingang van 1 januari 2008 recht op het salaris conform de Cao Afbouw. De kantonrechter heeft dat volgens [appellant] miskend. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat de dispensatie toch voor een langere periode geldt, stelt [appellant] zich subsidiair op het standpunt dat de dispensatie in ieder geval niet voor een langere periode kan zijn verleend dan, en van rechtswege is teruggebracht tot, de wettelijke maximumduur van een cao, vijf jaar (artikel 18 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, hierna: Wet cao). Grief 2 is gericht tegen de ten laste van [appellant] uitgesproken proceskostenveroordeling.
4.4.
Het gaat in dit geding om de uitleg van de in de Cao Afbouw opgenomen dispensatiebepaling in relatie tot de hiervoor geciteerde brief van de secretaris van de cao-partijen van 29 juni 2006. Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een cao de zogenoemde cao-norm. Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. (Zie onder meer HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:678). Hierbij komt dat (het systeem van) de wet (Wet cao) voor de uitleg van cao-bepalingen van belang kan zijn.
4.5.1.
Partijen hebben zich er niet over uitgelaten of en in hoeverre zij als lid waren aangesloten bij de cao-partijen (werkgevers- en werknemersorganisaties). Op grond van het feit dat Groep al op 10 maart 2006 dispensatie heeft gevraagd voor de Cao Afbouw 2005-2007, waarvan bepalingen eerst bij besluit van de minister van 1 februari 2007 algemeen verbindend zijn verklaard, kan er genoegzaam van worden uitgegaan dat de onderneming waarvan [geïntimeerde] deel uitmaakt, lid was van een cao-partij en ingevolge artikel 14 van de Wet cao gebonden was aan die cao inzake arbeidsvoorwaarden. Die gebondenheid volgt overigens ook uit artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen (ex contractu) en uit het feit dat de cao algemeen verbindend is verklaard. Hoe dan ook staat vast dat [geïntimeerde] valt onder de werkingssfeer van de Cao Afbouw en dat aan [geïntimeerde] daarvan geen algehele dispensatie is verleend. De door de cao-partijen verleende dispensatie had slechts betrekking op met name genoemde bepalingen van de cao, waaronder die met betrekking tot het verschuldigde salaris.
4.5.2.
Een cao geldt op grond van de wet slechts voor bepaalde tijd. In artikel 18 van de Wet cao is bepaald dat een cao niet voor een langere periode dan voor vijf jaar kan worden aangegaan en dat verlenging van een voor een kortere periode aangegane cao niet tot gevolg kan hebben dat partijen voor een langere periode dan vijf jaar daaraan gebonden kunnen zijn. In artikel 5 van de Cao Afbouw 2005-2007 is bepaald dat de cao (hooguit) met een jaar stilzwijgend kan worden verlengd. Na afloop van de cao dienen opnieuw onderhandelingen plaats te vinden over een nieuwe cao, zo volgt uit artikel 6 van de Cao Afbouw 2005-2007. Wel kan er  in het algemeen  sprake zijn van zogenaamde nawerking van een cao, met name indien, zoals in het onderhavige geval, een werknemer via de individuele arbeidsovereenkomst aan een cao gebonden is. Nawerking eindigt evenwel indien er een volgende cao van kracht wordt die de betrokkenen bindt. De werking van de Cao Afbouw 2005-2007 is voor partijen dus, gelet op artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst, geëindigd met de totstandkoming van de Cao Afbouw 2008, althans uiterlijk met de algemeen verbindendverklaring van bepalingen van die cao.
4.5.3.
In artikel 9 van de Cao Afbouw 2005-2007 is uitdrukkelijk bepaald dat door de cao-partijen (enerzijds de Nederlandse Ondernemersvereniging voor Afbouwbedrijven en anderzijds FNV en CNV) dispensatie kan worden verleend van (één of meerdere bepalingen van) . kan, uitgaande van een objectieve uitleg van de cao en mede gelet op het voorgaande, niet anders worden begrepen dan de cao die duurde van 2005 tot en met 2007. In het artikel valt niet te lezen, ook niet in samenhang met andere cao-artikelen, dat dispensatie kan worden verleend, of moet worden geacht te zijn verleend, voor opvolgende cao's. Naar het oordeel van het hof valt ook niet goed in te zien hoe een dispensatieregeling in een cao, een overeenkomst tussen werkgevers- en werknemersorganisaties die op grond van de wet slechts voor bepaalde tijd geldt, kan doorwerken in opvolgende cao's. In de Cao Afbouw 2005-2007 is daarover in ieder geval niets geregeld. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat na afloop van een cao er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de (onderhandelende) cao-partijen bij een opvolgende cao dezelfde zullen zijn, noch dat de opvolgende cao dezelfde voorwaarden zal bevatten als de beëindigde cao. Evenmin kan er zonder meer van worden uitgegaan dat een onderneming die onder een oude cao valt, ook onder de werkingssfeer van de nieuwe cao zal vallen. Een onderneming kan immers in de loop van de tijd haar (overheersende) activiteiten wijzigen. Dit geldt temeer indien een onderneming, zoals kennelijk ook het geval is bij de onderneming waarvan [geïntimeerde] deel uitmaakt, activiteiten verricht op het snijvlak van de werkingssferen van verschillende cao's (i.c. de Cao Afbouw en de Cao Bouw). Als de aard van de werkzaamheden verschuift kan dit immers betekenen dat de voor de dispensatie te maken afweging anders uitvalt. Op het moment dat in het onderhavige geval de cao-partijen bij de Cao Afbouw 2005-2007 de dispensatie verleenden (met terugwerkende kracht per 1 januari 2006) kon er dus niet zonder meer van worden uitgegaan dat opvolgende cao's eveneens een dispensatieregeling zouden bevatten en, zo ja, dat die opvolgende dispensatieregeling dezelfde voorwaarden zou kennen als de dispensatieregeling in de Cao Afbouw 2005-2007. Vanaf 1 januari 2013 zijn de voorwaarden waaronder dispensatie kan worden verleend daadwerkelijk gewijzigd, zoals [appellant] onweersproken heeft aangevoerd (punt 34 e.v. memorie van grieven).
4.5.4.
Tot slot neemt het hof in aanmerking dat gebondenheid aan (alle bepalingen van) de cao het uitgangspunt is. Dispensatie is de uitzondering. Dispensatie voor onbepaalde tijd is met dat uitgangspunt niet goed verenigbaar, in ieder geval niet nu in de Cao Afbouw 2005-2007 niet is geregeld onder welke voorwaarden (bedrijfs- of andere omstandigheden) dispensatie kan of zal worden verleend.
4.5.5.
Gelet op het voorgaande leidt een objectieve uitleg, mede gezien (het systeem van) de Wet cao, naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat [appellant] de dispensatieverlening door de cao-partijen bij de Cao Afbouw 2005-2007 niet tegen zich hoeft zich te laten gelden voor zover daarmee werd beoogd ook voor opvolgende cao's dispensatie te verlenen. Dispensatie voor onbepaalde tijd is niet verenigbaar met het cao-systeem en de Cao Afbouw.
4.6.1.
[appellant] vordert een bedrag van € 9.903,80 bruto, het verschil tussen het ontvangen salaris en het salaris van een monteur/isoleerder conform de Cao Afbouw, loongroep 4 met vier functiejaren, en wel berekend vanaf rekening houdend met verjaring van salarisaanspraken over eerdere perioden week 25 van 2011 tot het einde van het dienstverband, 5 september 2015. [appellant] heeft als productie 17 bij memorie van grieven een berekening van het gevorderde bedrag in het geding gebracht, waarin per jaar het garantieloon, vakantieaanspraken, een eenmalige uitkering, overwerk en reisuren zijn weergegeven. Rekening is gehouden met prestatietoeslagen, overwerk, ziekte en ADV, aldus [appellant] .
4.6.2.
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] de (hoogte van de) loonvordering onvoldoende gemotiveerd betwist. [geïntimeerde] moet als werkgever worden geacht te beschikken over de salarisadministratie die betrekking heeft op het dienstverband van [appellant] en in staat te zijn goed te bezien of en in hoeverre [appellant] nog recht heeft op vergoeding van (onder meer) overwerk en reisuren conform de Cao Afbouw. [geïntimeerde] heeft tegen de berekening van [appellant] onder 3.20 in haar memorie van antwoord alleen aangevoerd dat [appellant] zijn loonvordering wat betreft overwerk en reisuren onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het haar niet duidelijk is hoe [appellant] tot de gevorderde bedragen is gekomen. Dat verweer is naar het oordeel van het hof tegenover de door [appellant] in het geding gebrachte specificatie te mager, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan.Verder heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de dispensatieregeling per 1 januari 2013 is gewijzigd en dat de vordering van [appellant] daarom eerst vanaf 1 januari 2013 toewijsbaar is. Omdat [geïntimeerde] echter na 2006 geen dispensatie heeft gevraagd of gekregen, valt naar het oordeel van het hof niet in te zien waarom [appellant] niet ook in de jaren 2008 tot en met 2013 recht zou hebben op het salaris berekend naar de in die jaren geldende Cao's Afbouw. Het verweer faalt.
4.7.
Ingeval van vertraging in de loonbetaling dient de wettelijke verhoging te worden voldaan (artikel 7:625 lid 1 BW). Deze wettelijke verhoging moet niet worden beschouwd als schadevergoeding, maar eerder als een prikkel om tijdig het overeengekomen loon te betalen. De verhoging kan door de rechter worden beperkt tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt. [appellant] heeft eerst na het einde van het dienstverband aanspraak gemaakt op het salaris conform de Cao Afbouw, terwijl [geïntimeerde] blijkbaar steeds in de veronderstelling heeft verkeerd dat zij op grond van de aan haar voor onbepaalde tijd verleende dispensatie slechts het salaris conform de Cao Bouw verschuldigd was. Gelet daarop is er geen sprake van geweest dat er een prikkel nodig was om [geïntimeerde] tot tijdige loonbetalingen te bewegen. Het komt het hof daarom redelijk voor de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. Wel zal het hof de wettelijke rente toewijzen. Anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent bestaat voor matiging daarvan geen grond. [appellant] heeft voldoende aangetoond dat de namens haar verrichte incassowerkzaamheden meer hebben omvat dan een (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van een dossier. De daarop betrekking hebben kosten komen derhalve voor vergoeding in aanmerking. Het door [appellant] gevorderde bedrag (€ 870,19) komt het hof redelijk voor en zal worden toegewezen.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat de loonvordering van [appellant] met uitzondering van de wettelijke verhoging zal worden toegewezen. Niet valt in te zien welk belang [appellant] daarnaast nog heeft bij de gevraagde verklaringen voor recht. [appellant] heeft dat ook niet toegelicht. Het hof zal de vordering in zoverre afwijzen.
beslissing

5

5.1.
Grief 1 slaagt, behoudens voor zover die betrekking heeft op de afwijzing van de wettelijke verhoging. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de loonvordering van [appellant] alsnog toewijzen als hierna volgt.
5.2.
Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen. Daarmee slaagt ook grief 2. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
- explootkosten € 97,31 - griffierecht € 470,00- salaris advocaat € 800,00 (2 punten x tarief IX)De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:- explootkosten € 98,01- griffierecht € 726,00- salaris advocaat € 1.074,00 (1 punt x tarief II)De vordering van [appellant] tot terugbetaling van de proceskosten die zij ingevolge het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft vergoed, is toewijsbaar. De vordering strekt er immers slechts toe de gevolgen van de - thans onjuist bevonden - veroordeling die bij het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken, aanstonds ongedaan te maken
beslissing

6

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Eindhoven van 19 oktober 2017;

opnieuw recht doende:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen kwijting aan [appellant] te betalen € 9.903,80 bruto ter zake van loon en emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2016 tot de voldoening en te vermeerderen met € 870,19 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 97,31 voor explootkosten, € 470,- voor griffierecht en € 800,- voor salaris gemachtigde, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 98,01 voor explootkosten, € 726,- voor griffierecht en € 1.074,- voor salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag aan proceskosten die [appellant] ingevolge het bestreden vonnis in eerste aanleg aan [geïntimeerde] heeft vergoed;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, O.G.H. Milar en A. van Zanten-Baris en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 november 2019.

griffier rolraadsheer