Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:4064

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:4064, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.225.756_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.225.756/01

arrest van 5 november 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,appellant in principaal hoger beroep,geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. M.D. van Bruggen te Breda,
tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde in principaal hoger beroep,appellant in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. L.H.H. Verhoeven te Tilburg,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 juli 2019 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaak-/rolnummer 4652446 CV EXPL 15-7231 gewezen vonnissen van 30 maart 2016 en 5 juli 2017, laatstgenoemd vonnis zoals aangevuld bij herstelvonnis van 2 augustus 2017.

ECLI:NL:GHSHE:2019:4064:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.225.756/01

arrest van 5 november 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,appellant in principaal hoger beroep,geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. M.D. van Bruggen te Breda,
tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde in principaal hoger beroep,appellant in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. L.H.H. Verhoeven te Tilburg,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 juli 2019 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaak-/rolnummer 4652446 CV EXPL 15-7231 gewezen vonnissen van 30 maart 2016 en 5 juli 2017, laatstgenoemd vonnis zoals aangevuld bij herstelvonnis van 2 augustus 2017.

5

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de in het tussenarrest vermelde stukken, de bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

-

het tussenarrest van 16 juli 2019;

de door [appellant] genomen akte van 13 augustus 2019 met een productie;

de door [geïntimeerde] genomen akte van 13 augustus 2019 met drie producties.

overwegingen

6

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.1.
In het tussenarrest van 16 juli 2019 heeft het hof:
-

partijen opgedragen om mee te delen op welke datum het verstekvonnis van 24 juni 2015 aan [appellant] is betekend en of die betekening in persoon heeft plaatsgevonden, en om daarbij een kopie van het exploot van betekening over te leggen;

partijen in de gelegenheid gesteld om een goed leesbare kopie over te leggen van het als productie 4 bij de inleidende dagvaarding overgelegde proces-verbaal van verhoor van [appellant] door de politie.

6.1.2.
[geïntimeerde] heeft bij de door hem genomen akte een goed leesbare kopie overgelegd van het als productie 4 bij de inleidende dagvaarding overgelegde proces-verbaal van verhoor van [appellant] door de politie.
6.1.3.
Uit de door partijen genomen akten en de daarbij overgelegde kopieën van het exploot van betekening, blijkt dat het verstekvonnis van 24 juni 2015 op 16 oktober 2015 in persoon aan [appellant] is betekend. Het tussenarrest vermeldt overigens in r.o. 3.3.1 en r.o. 3.3.3 per abuis als uitspraakdatum van het verstekvonnis “24 januari 2015”. Het hof gaat verder uit van 24 juni 2015 als uitspraakdatum. Op grond van artikel 143 lid 2 Rv moet het verzet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging daarvan aan hem bekend is. [appellant] heeft de verzetdagvaarding op 13 november 2015 laten uitbrengen aan [geïntimeerde] . Dat is (net) binnen vier weken na de betekening van het vonnis aan [appellant] in persoon. Er is voorts niets gesteld of gebleken over een daad van [appellant] waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging daarvan al eerder dan op 16 oktober 2015 aan hem bekend was. Dit brengt mee dat het verzet tijdig is ingesteld. De kantonrechter heeft het verzet terecht ontvankelijk geacht, zodat het hof nader kan oordelen over het onderhavige hoger beroep.
6.2.
Het hof heeft in het tussenarrest van 16 juli 2019 een weergave opgenomen van de tussen partijen vaststaande feiten, de door partijen ingestelde vorderingen en de oordelen en de beslissingen van de kantonrechter. Ter wille van de leesbaarheid van het onderhavige arrest zal het hof de betreffende gegevens hieronder nogmaals weergeven.
6.3.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
-

Bij schriftelijke huurovereenkomst van 19 januari 2012 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] met ingang van 27 januari 2012 voor de duur van een jaar (een deel van) de opslagruimte gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] verhuurd.

[geïntimeerde] heeft in januari 2012 (een gedeelte van) zijn bedrijfsvoorraad van zijn snuffelhal overgebracht naar de opslagruimte.

In of omstreeks augustus 2012 is de bedrijfsvoorraad van [geïntimeerde] uit de opslagruimte verwijderd.

Op 17 september 2012 heeft [geïntimeerde] bij de politie aangifte gedaan van diefstal van de bedrijfsvoorraad uit de opslagruimte, gepleegd tussen 6 augustus 2012 te 10:00 uur en 10 september 2012 te 11:15 uur.

Bij brief van 4 maart 2014 heeft de advocaat van [geïntimeerde] [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden doordat zijn bedrijfsvoorraad uit de opslagruimte is verwijderd.

6.4.1.
De bestreden vonnissen zijn gewezen in een verzetprocedure. In de aan die verzetprocedure voorafgaande verstekprocedure vorderde [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] tot betaling van € 35.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 september 2012 en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
6.4.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft de bedrijfsvoorraad van [geïntimeerde] uit de gehuurde opslagruimte verwijderd of [appellant] heeft aan derden toegang verschaft tot de opslagruimte en hen de bedrijfsvoorraad laten meenemen. [geïntimeerde] heeft daar geen toestemming voor verleend. [appellant] is door zijn handelwijze tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Subsidiair is de handelwijze van [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] . [appellant] moet de schade vergoeden die [geïntimeerde] door het verlies van zijn bedrijfsvoorraad heeft geleden. Die schade kan gesteld worden op € 35.000,--.
6.4.3.
[appellant] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. In het verstekvonnis van 24 juni 2015 heeft de kantonrechter, kort samengevat, de vordering van [geïntimeerde] toegewezen.
6.4.4.
[appellant] heeft verzet ingesteld en in de verzetprocedure verweer gevoerd tegen de vordering van [geïntimeerde] . [appellant] heeft als verweer onder meer aangevoerd dat zich begin augustus 2012 twee mannen bij hem hebben gemeld die beschikten over een door [geïntimeerde] ondertekende machtiging tot het afvoeren van de voorraad, een kopie van de huurovereenkomst en sleutels van het pand. Volgens [appellant] mocht hij erop vertrouwen dat deze mannen gerechtigd waren tot het afvoeren van de voorraad. [appellant] heeft geconcludeerd tot, kort gezegd, vernietiging van het verstekvonnis van 24 juni 2015 en tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] .
6.4.5.
In het tussenvonnis van 23 december 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.
6.4.6.
In het tussenvonnis van 30 maart 2016 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter:
-

De zaken die in de gehuurde opslagruimte waren opgeslagen, waren eigendom van [geïntimeerde] (rov. 3.6).

Uitgaande van de stelling van [appellant] dat twee mannen de zaken van [geïntimeerde] hebben opgehaald, heeft te gelden dat [appellant] hen heeft toegestaan de opslagruimte te betreden en de zaken van [appellant] mee te nemen. Dat levert in beginsel een tekortkoming op van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst. Het is aan [appellant] om te bewijzen dat [geïntimeerde] aan derden een door hem ondertekende schriftelijke machtiging heeft verstrekt om zijn bedrijfsvoorraad uit de door hem van [appellant] gehuurde bedrijfsruimte te verwijderen (rov. 3.7).

Als [appellant] niet in die bewijslevering slaagt, is hij aansprakelijk voor de door [geïntimeerde] geleden schade. Het is aan [geïntimeerde] om te bewijzen dat zijn bedrijfsvoorraad die was opgeslagen in de door hem van [appellant] gehuurde bedrijfsruimte een waarde had van € 35.000,-- (rov. 3.9).

-

[appellant] opgedragen om te bewijzen dat [geïntimeerde] aan derden een door hem ondertekende schriftelijke machtiging heeft verstrekt om zijn bedrijfsvoorraad uit de bedrijfsruimte te verwijderen;

aan [geïntimeerde] opgedragen om te bewijzen dat zijn bedrijfsvoorraad die was opgeslagen in de door hem van [appellant] gehuurde opslagruimte, een waarde had van € 35.000,--.

6.4.7.
In het eindvonnis van 5 juli 2017 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter het verstekvonnis van 24 juni 2015 vernietigd en, opnieuw rechtdoende;
-

[appellant] is er niet in geslaagd om te bewijzen dat [geïntimeerde] aan derden een door hem ondertekende schriftelijke machtiging heeft verstrekt om zijn bedrijfsvoorraad uit de bedrijfsruimte te verwijderen. Dit heeft tot gevolg dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] door het verwijderen van de bedrijfsvoorraad heeft geleden (rov. 2.7).

[geïntimeerde] is er niet in geslaagd om te bewijzen dat zijn bedrijfsvoorraad die was opgeslagen in de door hem van [appellant] gehuurde opslagruimte, een waarde had van € 35.000,--. Wel kan bewezen worden geacht dat de bedrijfsvoorraad een waarde had van € 25.000,--, zodat de vordering van [geïntimeerde] in zoverre toewijsbaar is (rov. 2.16 tot en met 2.19).

-

[appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 25.000,-- te betalen;

[appellant] in de proceskosten van de verstekprocedure en de verzetprocedure veroordeeld.

6.4.8.
In het herstelvonnis van 2 augustus 2017 heeft de kantonrechter het vonnis van 5 juli 2017 op de voet van artikel 32 Rv aldus aangevuld dat over het bedrag van € 25.000,-- de wettelijke rente is toegewezen vanaf 10 september 2012.
Vooropstelling in hoger beroep

6.5.1.
[appellant] heeft in principaal hoger beroep geen grieven gericht tegen de navolgende oordelen van de kantonrechter:Omdat deze oordelen in hoger beroep niet zijn bestreden, staat voor het hof vast dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] door het verwijderen van de bedrijfsvoorraad heeft geleden.
-

de zaken die in de gehuurde opslagruimte waren opgeslagen, waren eigendom van [geïntimeerde] (rov. 3.6 van het bestreden tussenvonnis);

[appellant] is er niet in geslaagd om te bewijzen dat [geïntimeerde] aan derden een door hem ondertekende schriftelijke machtiging heeft verstrekt om zijn bedrijfsvoorraad uit de bedrijfsruimte te verwijderen (rov. 2.7 van het eindvonnis);

dat [appellant] niet in die bewijslevering is geslaagd, heeft tot gevolg dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] door het verwijderen van de bedrijfsvoorraad heeft geleden (rov. 2.7 van het eindvonnis).

6.5.2.
In principaal hoger beroep betoogt [appellant] naar de kern genomen dat de schade minder bedraagt dan het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 25.000,--. In incidenteel hoger beroep betoogt [geïntimeerde] naar de kern genomen dat de schade € 35.000,-- bedraagt, zodat de kantonrechter dat bedrag had moeten toewijzen.
Met betrekking tot grief 1 in incidenteel hoger beroep: bewijslastverdeling in het tussenvonnis

6.6.1.
De kantonrechter heeft in rov. 3.9 van het bestreden tussenvonnis geoordeeld dat het aan [geïntimeerde] is om te bewijzen dat zijn bedrijfsvoorraad die was opgeslagen in de door hem van [appellant] gehuurde bedrijfsruimte, een waarde had van € 35.000,--. Grief 1 in incidenteel hoger beroep is tegen dat oordeel gericht.
6.6.2.
Voor zover [geïntimeerde] in de toelichting op de grief betoogt dat de kantonrechter hem mede op basis van de tijdens het getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen geslaagd had moeten achten in de bewijslevering, zal het hof dat betoog hierna bij de behandeling van de grief 2 in incidenteel hoger beroep en grief 2 in principaal hoger beroep betrekken. Die grieven hebben betrekking op de bewijswaardering. In de toelichting op grief 1 in incidenteel hoger beroep zijn geen argumenten te vinden op grond waarvan de kantonrechter [geïntimeerde] al ten tijde van het tussenvonnis voorshands in de bewijslevering geslaagd had moeten achten.
6.6.3.
In de toelichting op de grief voert [geïntimeerde] (voorts) samengevat het volgende aan.Met het leeghalen van de loods is ook de nodige administratie verloren gegaan, waaronder ordners met in- en verkoopfacturen. [geïntimeerde] is dus door toedoen van [appellant] niet meer in staat om ter onderbouwing van de door hem gestelde waarde van de verdwenen zaken de administratie over te leggen. Omdat [geïntimeerde] op deze wijze door toedoen van [appellant] in bewijsnood is geraakt, is er aanleiding om de bewijslast om te keren zodat op [appellant] de bewijslast rust van zijn stelling dat de verdwenen bedrijfsvoorraad minder dan € 35.000,-- waard was.
6.6.4.
Het hof stelt voorop dat de rechter volgens artikel 6:97 BW de schade moet begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan moet zij volgens dit wetsartikel worden geschat. Volgens de parlementaire geschiedenis houdt de door dit artikel aan de rechter geboden vrijheid mede in dat hij bij de vaststelling van de schade niet gebonden is aan de gewone regels van stelplicht en bewijs (TM en MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 339). Volgens vaste rechtspraak blijven echter ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade, alsmede het causaal verband als bedoeld in art. 6:98 BW, in beginsel de gewone bewijsregels gelden, waarbij de rechter ingevolge art. 6:97 BW bevoegd is de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (zie onder meer HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, World Online). Dit brengt mee dat in beginsel toepassing moet worden gegeven aan de gewone regels van bewijslastverdeling,maar dat de schade begroot mag worden op de wijze die met de aard van de schade in overeenstemming is, en geschat mag worden indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.
6.6.5.
Volgens artikel 150 Rv draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten de bewijslast van die feiten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Dit brengt mee dat het in beginsel op de weg van [geïntimeerde] ligt om de feiten te bewijzen waaruit af te leiden is dat de waarde van de verdwenen bedrijfsvoorraad € 35.000,-- bedroeg.
6.6.6.
Er is in dit geval geen bijzondere regel waaruit een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Daarmee resteert de vraag of in dit geval of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Volgens [geïntimeerde] is dat het geval. [appellant] heeft dat betwist.
6.6.7.
Naar het oordeel van het hof is er in dit geval onvoldoende aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van bewijslastverdeling. Daarbij is allereerst van belang dat [appellant] heeft betwist dat in de opslagruimte ook de administratie van [geïntimeerde] aanwezig was, en [geïntimeerde] zijn stelling daarover niet nader heeft onderbouwd. Indien [geïntimeerde] inderdaad geen administratie meer had, rijst de vraag hoe hij de gedetailleerde lijst heeft kunnen opstellen van de volgens hem verdwenen goederen (prod. 5 bij de inleidende dagvaarding).
6.6.8.
Daar komt bij dat [geïntimeerde] ter levering van het bewijs van de door hem gestelde waarde van de bedrijfsvoorraad meerdere bewijsmiddelen naar voren heeft kunnen brengen. Het hof zal die bewijsmiddelen hierna bij de bespreking van grief 2 in principaal hoger beroep en grief 2 in incidenteel hoger beroep over de bewijswaardering bespreken. In zoverre is van bewijsnood aan de zijde van [geïntimeerde] geen sprake geweest.
6.6.9.
Voorts kan aan een eventuele administratie op zichzelf ook geen doorslaggevende bewijskracht worden toegekend, aangezien er geen absolute zekerheid is dat het beeld dat uit een administratie naar voren komt, overeenkomt met de werkelijkheid.
6.6.10.
Het hof ziet al met al onvoldoende aanleiding om af te wijken van de in artikel 150 Rv neergelegde hoofdregel van bewijslastverdeling. Het hof deelt dus het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] de bewijslast draagt van zijn stelling dat de bedrijfsvoorraad die was opgeslagen in de door hem van [appellant] gehuurde bedrijfsruimte, een waarde had van € 35.000,--, althans de bewijslast van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de bedrijfsvoorraad die waarde had. Het hof verwerpt daarom grief 1 in incidenteel hoger beroep.
Met betrekking tot grief 1 in principaal hoger beroep: formulering bewijsopdracht in het tussenvonnis

6.7.1.
De kantonrechter heeft in het dictum van het bestreden vonnis [geïntimeerde] opgedragen om te bewijzen dat zijn bedrijfsvoorraad die was opgeslagen in de door hem van [appellant] gehuurde opslagruimte, een waarde had van € 35.000,--. Grief 1 in principaal hoger beroep is gericht tegen de wijze waarop deze bewijsopdracht is geformuleerd.
6.7.2.
In de toelichting op de grief betoogt [appellant] dat de kantonrechter in de bewijsopdracht ten onrechte niet tot uitdrukking heeft gebracht dat het te leveren bewijs betrekking diende te hebben op de waarde die de bedrijfsvoorraad had op het moment waarop de voorraad uit het gehuurde werd verwijderd. Volgens [appellant] had de kantonrechter de bewijsopdracht nauwkeuriger moeten formuleren ten aanzien van de peildatum die bij de vaststelling van de waarde van de bedrijfsvoorraad gehanteerd moet worden.
6.7.3.
[geïntimeerde] heeft als reactie op de grief betoogd dat uit de tekst van de bewijsopdracht in combinatie met het feitencomplex reeds volgt dat de bewijsopdracht ziet op de waarde die de bedrijfsvoorraad had ten tijde van het wegnemen daarvan uit het gehuurde. Volgens [geïntimeerde] is de bewijsopdracht voldoende duidelijk geformuleerd.
6.7.4.
Tussen partijen staat vast dat het in dit geding gaat om de vraag welke waarde de bedrijfsvoorraad had ten tijde van het verdwijnen van die voorraad uit het gehuurde in of omstreeks augustus 2012. Het is naar het oordeel van het hof duidelijk dat de kantonrechter dit heeft bedoeld en de bewijsopdracht kan in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet anders worden uitgelegd. Het hof verwerpt daarom grief 1 in principaal hoger beroep.
6.7.5.
Niettemin kan het geen kwaad om de bewijsopdracht – ten overvloede – in die zin te herformuleren dat het peilmoment daarin wordt opgenomen. Beide partijen menen dat de bewijsopdracht aldus moet worden begrepen. Het hof zal de bewijsopdracht daarom herformuleren in dier voege dat [geïntimeerde] dient te bewijzen dat zijn bedrijfsvoorraad die was opgeslagen in de door hem van [appellant] gehuurde opslagruimte, ten tijde van het verwijderen daarvan uit het gehuurde een waarde had van € 35.000,-- (althans feiten en omstandigheden dient te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de bedrijfsvoorraad op dat moment die waarde had). Het hof zal in het navolgende bij de beoordeling van de grieven over de bewijswaardering van de aldus geherformuleerde bewijsopdracht uitgaan. De bewijsopdracht die de kantonrechter had gegeven kwam hier ook al op neer, zodat grief 1 in principaal hoger beroep niet tot vernietiging van het tussenvonnis leidt.
Met betrekking tot grief 2 in principaal hoger beroep en grief 2 in incidenteel hoger beroep

6.8.1.
De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis geoordeeld: [appellant] is daar met grief 2 in principaal hoger beroep tegen opgekomen. Volgens [appellant] is niet bewezen dat de bedrijfsvoorraad een waarde had van € 25.000,--, en moet de vordering van [geïntimeerde] geheel worden afgewezen. [geïntimeerde] is met grief 2 in incidenteel hoger beroep eveneens opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter. Volgens [geïntimeerde] is hij wel degelijk geslaagd in de levering van het bewijs dat de bedrijfsvoorraad een waarde had van € 35.000,--. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen. Ter beoordeling van de grieven moet het hof het geleverde bewijs waarderen en vaststellen welke waarde de in het gehuurde opgeslagen bedrijfsvoorraad had direct voorafgaand aan het verdwijnen van de voorraad uit de gehuurde opslagruimte.
-

dat [geïntimeerde] er niet in is geslaagd om te bewijzen dat zijn bedrijfsvoorraad die was opgeslagen in de door hem van [appellant] gehuurde opslagruimte, een waarde had van € 35.000,--;

dat wel bewezen is dat de bedrijfsvoorraad een waarde had van € 25.000,--.

6.8.2.
Het hof stelt bij de waardering van het bewijs voorop dat het gaat om de waarde die de bedrijfsvoorraad in augustus 2012 had voor een handelaar. Dit is tussen partijen niet in geschil en past ook bij de stelling van [geïntimeerde] dat hij medio 2012 (mede gelet op zijn gevorderde leeftijd) heeft getracht de bedrijfsvoorraad als een geheel te verkopen aan een handelaar. Het gaat dus niet om de totale prijs die de verschillende roerende zaken zouden opbrengen bij afzonderlijke doorverkoop aan verschillende consumenten.
6.8.3.
Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de bedrijfsvoorraad in het jaarverslag van [geïntimeerde] over 2011 per 31 december 2011 is gewaardeerd op € 35.000,--. Dit jaarverslag dateert van 22 juni 2012, dus van vóór het moment waarop de bedrijfsvoorraad omstreeks augustus 2012 uit het gehuurde is verdwenen. Het hof heeft, mede gelet op de verklaring die accountant [de accountant] tijdens de bij de kantonrechter gehouden getuigenverhoren heeft afgelegd, geen aanleiding om aan de juistheid van deze waardering te twijfelen. Het hof neemt dus tot uitgangspunt dat de bedrijfsvoorraad van [geïntimeerde] op 31 december 2011 een waarde had van € 35.000,--.
6.8.4.
Uit het jaarverslag blijkt voorts dat de bedrijfsvoorraad een jaar eerder, op 31 december 2010, een geschatte waarde had van € 43.334,--. De waarde is dus geleidelijk (met gemiddeld ruim € 1.000,-- per maand) afgenomen, hetgeen [de accountant] als getuige ook heeft bevestigd. Het hof neemt aan dat dit verband houdt met verkopen die [geïntimeerde] in de loop van 2011 uit de bedrijfsvoorraad heeft gedaan. Een andere verklaring voor de waardedaling van de voorraad is niet gesteld of gebleken. Het hof acht dit relevant omdat [appellant] heeft betwist dat de hele bedrijfsvoorraad die op 31 december 2011 aanwezig was, naar het gehuurde is overgebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsvoorraad eind januari 2012 naar de gehuurde bedrijfshal is overgebracht. Het hof acht aannemelijk dat in de periode tot die verhuizing nog verkopen uit de voorraad hebben plaatsgevonden. Het tegendeel is door [geïntimeerde] niet gesteld. Het hof gaat daarom schattenderwijs uit van de veronderstelling dat de bedrijfsvoorraad Van [geïntimeerde] eind januari 2012 een waarde had van € 34.000,--.
6.8.5.
Het hof verwerpt het verweer van [appellant] dat eind januari 2012 niet de hele toen aanwezige voorraad naar het gehuurde is overgebracht. Omdat het pand van waaruit [geïntimeerde] zijn snuffelhal exploiteerde zou worden gesloopt, is er geen aanleiding om aan te nemen dat een deel van de bedrijfsvoorraad is achtergebleven. [appellant] heeft zijn desbetreffende verweer onvoldoende onderbouwd.
6.8.6.
Het hof heeft ook geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat de omvang van de bedrijfsvoorraad in relevante mate is afgenomen tussen eind januari 2012 en augustus 2012. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] zich in deze periode nog bezig hield met verkoop van de zaken. De door hem geëxploiteerde snuffelhal zou worden gesloopt en was in verband daarmee ontruimd, en [geïntimeerde] ging kort daarna een koper/handelaar zoeken die de hele voorraad van hem wilde overnemen.
6.8.7.
De kantonrechter heeft bij zijn beslissing om bewezen te achten dat de bedrijfsvoorraad in augustus 2012 een waarde had van € 25.000,--, doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring van de getuige [de getuige] . Deze getuige heeft de bedrijfsvoorraad medio 2012 bekeken in verband met een mogelijke aankoop daarvan. [de getuige] heeft verklaard dat een reële prijs voor de voorraad rond € 25.000,-- was. Het hof constateert bij lezing van de verklaring van [de getuige] dat een deel van de voorraad voor hem als Belg niet interessant was omdat er oranje-artikelen bij zaten. Uit de verklaring van [de getuige] blijkt voorts dat het voor hem een prijsdrukkend gegeven is dat hij pleegt door te verkopen aan anderen met winkels (zodat hij een tussenhandelaar is en geen eindverkoper). Voor een koper die zelf winkels heeft, heeft de voorraad volgens [de getuige] een andere (naar het hof begrijpt: hogere) waarde. Naar het oordeel van het hof zijn deze onderdelen van de verklaring van [de getuige] goed te verenigen met de hiervoor in rov. 6.8.4 genoemde waarde van € 34.500,--. Uit deze onderdelen van de verklaring is niet af te leiden dat een Nederlandse koper met eigen winkels niet bereid zou zijn geweest om voor de begin augustus 2012 in het gehuurde aanwezige voorraad € 34.000,-- te betalen.
6.8.8.
De verklaring van [de getuige] bevat wel een ander onderdeel dat voor het hof aanleiding is om de waarde van de voorraad op een iets lager bedrag vast te stellen. [de getuige] heeft verklaard: ‘Je moet de hele handel opstapelen en vervoeren. Dat is moeilijk. Dat is een logistiek probleem.’ Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat een koper bij het doen van een bod op de voorraad rekening zou hebben gehouden met deze logistieke kosten. Niet gesteld of gebleken is dat deze logistieke kosten zijn verdisconteerd in de waarde die in het jaarverslag over 2011 aan de voorraad is toegekend. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat bij verkoop van de voorraad als geheel aan een handelaar uitgegaan moet worden van een iets lagere marktwaarde dan het hiervoor in rov. 6.8.4 genoemde bedrag van € 34.000,--. Daarbij is van belang dat uit alle getuigenverklaringen blijkt dat het ging om een bedrijfsvoorraad met veel volume, voor het vervoeren waarvan meerdere ritten met een grote vrachtwagen noodzakelijk waren. De logistieke kosten van het vervoeren van de voorraad moeten dus niet op een verwaarloosbaar bedrag worden geschat.
6.8.9.
Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om de waarde van die de bedrijfsvoorraad direct voorafgaand aan het verdwijnen daarvan had, schattenderwijs vast te stellen op € 31.000,--. Er zijn geen feiten of omstandigheden komen vast te staan op grond waarvan van een hoger of lager bedrag moet worden uitgegaan. Voor nadere bewijslevering ziet het hof geen aanleiding, omdat in het geding bij de kantonrechter reeds uitgebreide getuigenverhoren hebben plaatsgevonden en partijen in hoger beroep geen voldoende gespecificeerd aanbod tot het leveren van nader bewijs hebben gedaan.
6.8.10.
Dit brengt mee dat grief 2 in principaal hoger beroep verworpen moet worden en dat grief 2 in incidenteel hoger beroep ten dele doel heeft getroffen.
Met betrekking tot grief 3 in principaal hoger beroep

6.9.1.
Door middel van grief 3 in principaal hoger beroep betoogt [appellant] dat een deel van de verdwenen voorraad enkele maanden na het verdwijnen van de voorraad aan [geïntimeerde] is geretourneerd. Volgens [appellant] moet de waarde van de geretourneerde voorraad in mindering worden gebracht op de waarde die de bedrijfsvoorraad kort voor het verdwijnen daarvan had, en hoeft [appellant] alleen het verschil aan [geïntimeerde] te vergoeden.
6.9.2.
Het hof stelt naar aanleiding van deze grief voorop dat [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding sub 16 heeft gesteld, kort samengevat, dat in oktober 2012 ‘een grote hoeveelheid goederen uit zijn opslagruimte’ is opgedoken op een rommelmarkt in [plaats] en dat deze goederen uiteindelijk via de politie aan hem zijn geretourneerd. Als productie 6 bij de inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde] enkele foto’s van deze zaken overgelegd.
6.9.3.
[geïntimeerde] heeft in zijn reactie op grief 3 in principaal hoger beroep niet betwist dat de waarde van deze geretourneerde zaken in beginsel in mindering moet worden gebracht op het bedrag dat [appellant] als schadevergoeding aan [geïntimeerde] moet voldoen. Volgens [geïntimeerde] gaat het echter slechts om enkele ‘bananendozen’ met spullen en staan deze dozen met spullen in geen enkele serieuze verhouding tot de volledige bedrijfsvoorraad. Volgens [geïntimeerde] is de waarde van de geretourneerde spullen niet meer dan € 100,-- tot € 200,-- geweest.
6.9.4.
Het hof constateert dat [appellant] in de toelichting op grief 3 geen standpunt heeft ingenomen over de waarde van het aan [geïntimeerde] geretourneerde deel van de voorraad. [geïntimeerde] heeft dat in zijn reactie op grief 3 wel gedaan, maar zijn stelling dat de waarde niet meer dan € 100,-- tot € 200,-- is, is niet onderbouwd aan de hand van een nadere toelichting over de aard van de retour gekomen zaken en over de aantallen daarvan. Het hof maakt uit de als productie 6 bij de inleidende dagvaarding overgelegde foto’s op dat het onder meer gaat om keukenartikelen, beeldjes, portefeuilles en decoratieve klompen. In de inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde] gesteld dat het ging om ‘een grote hoeveelheid goederen uit zijn opslagruimte’. Omdat beide partijen verder weinig tot geen aanknopingspunten hebben gegeven om de waarde van deze artikelen als voorraad te begroten, zal het hof die waarde schattenderwijs vaststellen op € 500,--. Voor een andere waardebepaling bieden de stellingen van partijen onvoldoende aanknopingspunten.
6.9.5.
Ter vaststelling van de schadevergoeding die [appellant] aan [geïntimeerde] moet voldoen, moet dit bedrag van € 500,-- in mindering worden gebracht op het hiervoor in rov.

6.8.9
genoemde bedrag van € 31.000,--. Het hof concludeert dat [appellant] aan [geïntimeerde] een schadevergoeding moet voldoen van € 30.500,--.
Conclusie en afwikkeling

6.10.1.
Uit hetgeen in rov. 6.6.10, rov. 6.7.4 en rov. 6.7.5 is overwogen, volgt dat het bestreden tussenvonnis moet worden bekrachtigd voor zover aangevochten door grief 1 in incidenteel hoger beroep en grief 1 in principaal hoger beroep.
6.10.2.
Het bestreden eindvonnis van 5 juli 2017, zoals aangevuld bij herstelvonnis van 2 augustus 2017, moet worden vernietigd voor zover het betreft de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] € 25.000,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 september 2012. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, [appellant] veroordelen om aan [geïntimeerde] € 30.500,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 september 2012.
6.10.3.
Het hof zal het bestreden eindvonnis voor het overige bekrachtigen.
6.10.4.
Het principaal hoger beroep heeft slechts op een ondergeschikt onderdeel doel getroffen. Het hof zal [appellant] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep, zoals door [geïntimeerde] gevorderd inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.
6.10.5.
Het incidenteel hoger beroep heeft ten dele doel getroffen. Beide partijen zijn in incidenteel hoger beroep dus over en weer ten dele in het gelijk en ten dele in het ongelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten van het incidenteel hoger beroep daarom compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen.
7


Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het bestreden tussenvonnis van 30 maart 2016 voor zover aangevochten door grief 1 in incidenteel hoger beroep en grief 1 in principaal hoger beroep;

vernietigt het bestreden eindvonnis van 5 juli 2017, zoals aangevuld bij herstelvonnis van 2 augustus 2017, voor zover het betreft de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] € 25.000,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 september 2012;

in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] € 30.500,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 september 2012;

bekrachtigt het bestreden eindvonnis van 5 juli 2017 voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 313,-- aan griffierecht en op € 1.391,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat de bedragen van deze proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het incidenteel hoger beroep tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en R.J.M. Cremers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 november 2019.

griffier rolraadsheer