Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:4056

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:4056, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-002033-16


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:4056:DOC
nl

Parketnummer : 20-002033-16 Uitspraak : 5 november 2019TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 21 juni 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-810665-15 tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] , [adres] .
Hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep van het ten laste gelegde vrijgesproken.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daartoe zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met uitzondering van de tot vrijspraak strekkende overwegingen van de rechtbank, weergegeven onder kopje 4.3 van het vonnis. Het hof vervangt deze overweging door de hiernavolgende overweging.
Vrijspraak

Uit het dossier blijken de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte (als bestuurder) en [betrokkene] (als bijrijder) zijn op 9 december 2015 samen in een auto aangetroffen. In de auto en onder [betrokkene] zijn voorwerpen aangetroffen die met prostitutiewerk in verband kunnen worden gebracht. [betrokkene] legitimeerde zich met een kaartje van het asielzoekerscentrum te Gilze en in haar handtas werden onder meer reinigingsdoekjes, 19 condooms, een telefoon en 7 biljetten van € 50,00 aangetroffen. In het voertuig werden verder nog een telefoon, een iPad Mini en beltegoedbonnen aangetroffen. Verder was de kofferbak comfortabel gemaakt door het aanbrengen van meerdere lagen autobekleding.

[betrokkene] heeft in de ten laste gelegde periode in Nederland asiel aangevraagd, maar hier is (telkens) negatief op beslist. Gedurende de asielprocedures mocht zij in Nederland niet werken. Tijdens de asielprocedure heeft zij haar paspoort aan de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) overhandigd. Zij verbleef tijdelijk in een asielzoekerscentrum.

In de telefoon van de verdachte is een bericht aangetroffen inhoudende: ‘€ 10.000,00 en 100 dollar moet aan [betrokkene] geven’.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg een uitgebreide verklaring afgelegd. De verdachte heeft bij die gelegenheid onder meer verklaard dat:

De verdachte heeft deze verklaring ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.

[betrokkene] heeft op 9 december 2015, enkele uren nadat de verdachte en zij waren aangetroffen, bij de politie een verklaring afgelegd. Zij heeft bij die gelegenheid onder meer verklaard dat de bestuurder van de auto (de verdachte) een kennis van haar is, dat zij niet bang voor hem is maar wel voor de politie en dat hij, de verdachte, een goed hart heeft. [betrokkene] heeft afgezien van een B9-procedure, kort inhoudende dat verwijdering uit Nederland kan worden opgeschort met een tijdelijke verblijfsstatus, om haar de gelegenheid te geven om in alle rust te besluiten of zij aangifte wilde doen.
Blijkens de brief van de toenmalig raadsvrouw van de verdachte, [raadsvrouw] , d.d. 14 maart 2016 heeft [betrokkene] in januari een verklaring opgesteld, welke verklaring is voorzien van een beëdigde vertaling. Zij heeft in die brief verklaard dat (naar het hof begrijpt) de verdachte altijd heel goed voor haar is geweest, dat zij het lot en God dankbaar is dat zij hem heeft leren kennen, dat hij haar altijd belangeloos heeft geholpen en dat hij haar nooit heeft bedreigd of haar ergens toe heeft gedwongen.

Op 25 juli 2019 is [betrokkene] door de raadsheer-commissaris door middel van een videoverhoor gehoord. Zij was teruggekeerd naar haar oorspronkelijke verblijfplaats in de Oekraïne en verbleef aldaar ten tijde van het verhoor. Zij heeft bij die gelegenheid onder ede een uitgebreidere verklaring afgelegd. Zij heeft onder meer verklaard dat:

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel.

Het hof stelt voorop dat de ten laste gelegde gedragingen eerst dan als “mensenhandel” kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat verdachte met behulp van een van de in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, eerste lid, aanhef en onder 1º genoemde middelen de betrokkene ertoe heeft gedwongen of bewogen in de prostitutie werkzaam te zijn, waarbij is voldaan aan de voorwaarde dat de gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (vgl. Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:556). Ook voor een bewezenverklaring van een op artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4º en 9º van het Wetboek van Strafrecht toegesneden tenlastelegging is vereist dat op grond van de omstandigheden van het geval uitbuiting komt vast te staan. Ten aanzien van het voordeel trekken (sub 6º) moet voorts worden aangenomen dat is vereist dat het opzet van de dader behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander (vgl. Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467).

Het in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voorkomende bestanddeel "(oogmerk van) uitbuiting" is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder "gedwongen of verplichte arbeid of diensten". De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerk steller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Daar komt bij dat voor de vervulling van de delictsomschrijving niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit (vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, rechtsoverweging. 2.6.1).

Uit voormelde verklaringen en de overige inhoud van het dossier blijkt dat [betrokkene] zich op de websites www.seksjobs.nl en www.kinky.nl onder de naam ‘[naam]’ beschikbaar stelde tot het verrichten van diensten van seksuele aard. Ook blijkt uit voormelde verklaringen dat de verdachte [betrokkene] heeft geholpen bij het opstellen van de seksadvertenties, dat hij bemiddelde bij reacties op die advertenties, haar als escort naar de klanten vervoerde en deelde in de opbrengst die zij uit deze seksafspraken verwierf. In die zin heeft de verdachte [betrokkene] actief en nadrukkelijk geholpen met haar prostitutiewerkzaamheden en deze bevorderd.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting in het geheel niet gebleken van de ten laste gelegde dwang, (dreiging met) geweld, afpersing of misleiding door de verdachte, zodat van deze dwangmiddelen naar het oordeel van het hof in elk geval geen sprake is. Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of van een kwetsbare positie overweegt het hof het volgende.

Naar het oordeel van het hof is extra behoedzaamheid geboden bij de vraag of hiervan sprake is in een geval als het onderhavige, waarin [betrokkene] in een voor haar vreemd land in een AZC verbleef, in een asielprocedure verkeerde en de Nederlandse taal niet machtig was.Het hof is van oordeel dat deze omstandigheden op zichzelf echter onvoldoende zijn om vast te stellen dat sprake is van een situatie waarin een onafhankelijke zelfstandige opstelling niet meer mogelijk is. In dat kader heeft [betrokkene] bij de raadsheer-commissaris in juli 2019 middels videoconference onder ede een verklaring afgelegd die in lijn ligt met hetgeen zij drie-en-een-half jaar eerder - namelijk in januari 2016 - in een handgeschreven brief heeft verklaard en ook in lijn ligt met de verklaringen van de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep. De verklaring bij de raadsheer-commissaris is bovendien in vrijheid vanuit haar thuisadres afgelegd door middel van een videoverhoor en op dat moment was van een eventuele B9-procedure geen sprake. Het hof is niet gebleken dat de verdachte enige invloed heeft gehad op de inhoud van deze verklaring. In deze verklaring heeft [betrokkene] te kennen gegeven dat zij niet afhankelijk was van de verdachte, maar een volwassen vrouw is die zichzelf in Nederland kon redden. Uit de verklaringen van de verdachte en [betrokkene] volgt verder dat [betrokkene] klaarblijkelijk plezier had in het prostitutiewerk, haar eigen tarieven bepaalde, bepaalde welke seksuele handelingen zij wilde verrichten en dat de verdiensten evenredig tussen [betrokkene] en de verdachte werden verdeeld, waarbij de verdachte van zijn deel nog verschillende onkosten voor allebei vergoedde. Ook heeft [betrokkene] verklaard dat zij uitsluitend in Nederland was om hier de mogelijkheden te onderzoeken voor een verblijfsvergunning voor haar zoon en dat zij daarna weer terug naar Oekraïne wilde. De verklaringen van [betrokkene] en de verdachte vinden voorts steun in de notitie in de telefoon van de verdachte, het aangetroffen geldbedrag (7 biljetten van € 50,00) in de handtas van [betrokkene] , in de omstandigheid dat [betrokkene] thans weer in Oekraïne woont en dat zij meerdere keren per jaar (zonder hulp van de verdachte) naar Polen gaat om aldaar prostitutiewerkzaamheden te verrichten.Op grond van al het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet onomstotelijk worden vastgesteld dat [betrokkene] , die ten tijde van het ten laste gelegde de leeftijd van 50 jaar had, in een situatie heeft verkeerd die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een ‘mondige prostituee’ in Nederland pleegt te verkeren. Naar het oordeel van het hof kan derhalve niet worden bewezen dat sprake is geweest van (het oogmerk van) uitbuiting en dient de verdachte van de ten laste gelegde mensenhandel te worden vrijgesproken.


-

[betrokkene] tegen hem heeft gezegd dat zij in het asielzoekerscentrum prostitutiewerkzaamheden verrichtte voor geld en dat zij hier € 30,00 voor vroeg;

hij toen tegen haar heeft gezegd dat € 30,00 heel weinig is en dat zij meer geld kon verdienen met seksafspraken;

[betrokkene] hierop enthousiast werd en aan hem heeft gevraagd of hij haar wilde helpen;

hij seksadvertenties voor [betrokkene] op de websites www.kinky.nl en www.seksjobs.nl heeft geplaatst;

[betrokkene] op deze websites onder de naam ‘ [naam] ’ haar diensten aanbood;

hij heeft bemiddeld bij reacties op deze advertenties, seksafspraken voor haar heeft geregeld en haar bracht en haalde naar de seksafspraken.

hij de inhoud van de seksadvertenties geheel in overleg met [betrokkene] heeft samengesteld. Zo gaf [betrokkene] aan welke seksuele handelingen zij wel en niet wilde verrichten en bepaalde zij zelf de prijs;

hij de helft kreeg van de opbrengsten die [betrokkene] met het prostitutiewerk verdiende en hij van dat deel ook alle onkosten betaalde die zij samen hadden, zoals eten, benzine, beltegoed en de kosten van de advertenties;

(nadat de voorzitter hem het voormelde bericht op dossierpagina 61 voorhield) dit een notitie betreft en gaat over geld dat hij voor [betrokkene] bewaarde en dat hij het geld aan haar heeft teruggegeven;

[betrokkene] bij het verrichten van seksuele handelingen die buiten het reguliere aanbod op de advertenties om gingen, zoals anale seks, de daarbij behorende additionele inkomsten zelf hield;

hij nog nooit een vrouw had gezien die zo van seks genoot als [betrokkene] en hij denkt dat zij een nymfomaan was;

[betrokkene] eigenlijk alles zonder condoom deed en hij haar heeft gewaarschuwd dat dit gevaarlijk was.

-

zij het prostitutiewerk niet als werk zag, omdat zij seks nu eenmaal leuk vindt;

zij bij de politie niet naar waarheid had verklaard, immers had zij niet verklaard dat zij prostitutiewerk deed;

zij dit had verzwegen omdat zij bang was dat de informatie hierover in Oekraïne bekend zou worden, waar prostitutie strafbaar is;

zij in 2015 naar Nederland is gekomen omdat zij informatie wilde inwinnen over de mogelijkheden om haar zoon naar Nederland te laten komen, teneinde te voorkomen dat hij in Oekraïne het leger in moest;

zij in Nederland [verdachte] leerde kennen;

aan de orde was gekomen dat zij, [betrokkene] , in het asielzoekerscentrum een aantal keer seks had gehad voor geld;

zij van seks houdt en dat het prettig is als je daar ook nog eens geld bij kunt verdienen;

zij ook seks zou hebben als zij daar geen geld voor zou verdienen, maar zij dan de mannen zelf zou uitkiezen;

de verdachte had gezegd dat hij haar kon helpen en dat ze voor reclame moesten zorgen;

zij aan de verdachte vroeg om haar te helpen om seks tegen betaling te organiseren;

de verdachte een foto van haar, [betrokkene] , heeft gemaakt ten behoeve van de seksadvertenties en dat zij zelf de naam ‘[naam]’ had bedacht;

de verdachte en zij hierna van start zijn gegaan en dat het prostitutiewerk ongeveer tweeënhalve maand heeft geduurd;

zij seks echt nodig had en zij lichamelijke klachten kreeg als zij geen seks had;

een arts tegen haar heeft gezegd dat, hoe meer seks zij, [betrokkene] , zou hebben, hoe beter dat voor haar gezondheid zou zijn;

zij door het hebben van seks jonger lijkt dan haar werkelijke leeftijd;

zij het geld dat zij met het prostitutiewerk verdiende nodig had om te ontspannen en te reizen en zij ook een deel van het verdiende geld aan haar zoon gaf;

zij geld uit Oekraïne opgestuurd zou krijgen als zij in Nederland tekort kwam;

zij geen Nederlands of Engels spreekt en verstaat en een paar woorden Duits spreekt;

(op de vraag van de officier van justitie of zij in Nederland afhankelijk was van de verdachte) zij een volwassen en verstandige vrouw is en zichzelf kon redden;

de verdachte haar niet heeft verteld wat zij hier moest zeggen;

hetgeen zij in Nederland op seksueel gebied heeft gedaan volledig uit vrije wil is gebeurd;

zij van plan was om weer terug naar Oekraïne te gaan;

zij 2 à 3 keer per jaar naar Polen gaat om daar te werken als prostituee en dat de verdachte daar niet bij betrokken is;

het van de klant afhing of zij seks met een condoom had, maar dat zij zelf niet van condooms houdt;

de verklaring van de verdachte juist is, inhoudende dat hij het geld – zoals in de notitie op dossierpagina 61 is weergegeven – voor haar bewaarde en dat zij het geld van hem heeft teruggekregen.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,mr. S. Riemens en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,en op 5 november 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
_067faa44-3ddc-4961-8e22-41fe6ee518f4
1

Dossierpagina’s 25-27 en 40.

_a2124843-8005-493c-9683-4f6832dbd611
2

Dossierpagina 42.

_c10927cb-fcb9-43ed-bcbf-4efda6fd0d2d
3

Dossierpagina 55.

_e4d9b4af-b018-4bb2-acc3-c68f7995cbb6
4

Dossierpagina’s 201-202 en 316.

_91389df7-ea78-4678-aa73-0ce60b189c13
5

Dossierpagina 61.

_99ea864c-d49e-4507-81f1-1e632d8e7327
6

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 juni 2016.

_b49ad833-14a1-499e-bda4-3538c4fae928
7

De verklaring van de verdachte in hoger beroep d.d. 22 oktober 2019.

_6249fa8b-6e4b-4691-9463-b126dc7e2c82
8

Dossierpagina’s 316-318.

_b053745f-4408-4439-88ee-d7d6fa429b60
9

Dossierpagina 322.

_19477d48-74ea-4719-a542-e87b81f3cc5f
10

Brief van advocatenkantoor [raadsvrouw] d.d. 14 maart 2016 met bijlagen.

_00d32956-1399-4bf8-8d9f-653d706072f2
11

Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene] bij de raadsheer-commissaris d.d. 25 juli 2019.

_55c5fe54-65ba-446e-a53e-bd2ade36783c
12

Dossierpagina’s 16 en 23.