Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3734

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3734, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-000509-18 (promis)


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:3734:DOC
nl

Parketnummer : 20-000509-18 Uitspraak : 8 oktober 2019TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 30 januari 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-132575-17 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres 1] .
Hoger beroep

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . De advocaat-generaal heeft zich te dien aanzien op het standpunt gesteld dat het hof, opnieuw rechtdoende, de vordering geheel zal toewijzen.

De verdediging heeft integrale vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde bepleit. In geval van een veroordeling, heeft de verdediging verzocht om de door de rechtbank opgelegde straf te matigen en aan verdachte geen voorwaardelijke straf op te leggen. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging medegedeeld dat de materiële schade niet wordt betwist en verzocht ter zake van de immateriële schade een bedrag van € 7.500,00 toe te wijzen en de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 juli 2017 te Eindhoven aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een beschadiging van het oog en/of zichtverlies en/of één of meerdere sneewonden op/in het gezicht, althans het (voor)hoofd, heeft toegebracht door opzettelijk een (drink)glas in/tegen het gezicht, althans het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te gooien;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 juli 2017 te Eindhoven aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een beschadiging van het oog en zichtverlies en meerdere sneewonden op het gezicht, heeft toegebracht door opzettelijk een drinkglas in/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te gooien.Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen

In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van de Politie Eenheid Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam Eindhoven-Zuid, registratienummer: PL2100-2017142051, op 7 september 2017 in de wettige vorm opgemaakt en gesloten door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, doorgenummerde dossierpagina’s 1-87.

(pagina 20)

Op 8 juli 2017, omstreeks 00:00 uur, bevond ik mij in mijn studentenwoning gelegen aan de [adres 2] in Eindhoven. In verband met een feest waren er ongeveer 30 mensen aanwezig op genoemd perceel.
Ik zag dat één van de jongens welke zich aan de statafel bevond een speciaal bierglas in zijn hand had. Ik zag dat hij dit glas expres op de grond kapot liet vallen.

(pagina 21)

Ik liep hierop naar de jongen toe. Ik pakte de jongen met beide handen bij zijn schouders vast. Ik was voornemens om de jongen uit het pand te plaatsen. Ik duwde de jongen richting de woonkamer. In de woonkamer aangekomen zag ik dat de jongen meerdere malen met gebalde vuist uithaalde in de richting van mijn gelaat. Ik wist deze klappen te ontwijken.
Ik zag dat er een tweede jongen tussen ons in kwam staan en die jongen trachtte ons uit elkaar te halen. Uiteindelijk werden wij door meerdere personen uit elkaar gehaald.

Ik stond op dat moment met mijn rug tegen de muur in de woonkamer van genoemde woning. Ik zag dat er vanuit een groepje welk ongeveer twee meter voor mij stond iets mijn richting werd uitgegooid. Ik voelde een harde klap tegen mijn aangezicht ter hoogte van mijn voorhoofd. Ik voelde en zag dat er bloed langs mijn gezicht begon te lopen. Ik voelde dat iets in mijn rechteroog zat. Ik voelde een stekende pijn in mijn rechteroog.

Ik ben zojuist geopereerd aan mijn oog. De schade aan mijn oog is op dit moment niet in te schatten. Ik heb verder meerdere hechtingen in mijn voorhoofd.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

(pagina 23)

Ik moet een aantal keren per dag mijn rechteroog behandelen. Ik moet mijn oog druppelen tegen infecties en voor herstel. Verder moet ik wekelijks terug naar het ziekenhuis in Maastricht. Ze hebben nu namelijk hechtingen geplaatst in mijn oog en nu wordt er gekeken of die hechtingen het oog goed doen herstellen.
Verder heeft een netvliesspecialist gister gekeken naar mijn oog. Ze schat de kans redelijk groot dat het netvlies nog zal loslaten. Dan zou het onherstelbare gevolgen hebben voor mijn oog. Dit betekent dan permanent verlies van het zicht van mijn oog. Dit is op het moment nog onduidelijk. Het kan ook nog zijn dat de lens in mijn oog beschadigd is alleen moet dit de komende weken, maanden en/of jaren pas duidelijk worden. Het herstel van het oog duurt lang. De hechtingen gaan er pas na 3 maanden uit en vanaf dat moment kan er mogelijk meer duidelijkheid komen over mijn precieze letsel, tenzij er nog eerder complicaties optreden.

(pagina 24)

Op dit moment kan ik bijna niets zien door mijn oog wat mij in mijn dagelijks leven sterk beïnvloedt. Verder wil ik opmerken dat ik ook last heb van mijn voorhoofd. Doordat het glazen voorwerp kapot ging tegen mijn hoofd zaten er meerdere sneeën in mijn hoofd. Deze moesten bijna allemaal gehecht worden. Hierdoor heb ik erg veel hechtingen op mijn hoofd.
Op 7 september 2017 nam ik telefonisch contact op met de aangever () om te achterhalen hoe het nu met hem was. Ik hoorde hem de volgende dingen zeggen:

Zijn gezondheid was nog steeds twijfelachtig, omdat er nog steeds kans was op complicaties. Hij moet om de tijd naar het ziekenhuis voor controle. Over een paar maanden mogen zijn hechtingen er uit en dan kunnen ze kijken hoe het verder moet. Hij moet rust houden en hij heeft met het oog nog maar 50% zicht.

(pagina 26)

Wij verwachten een behandeltraject van meer dan een jaar.
(pagina 28)

Er is sprake van multiple laceraties op het voorhoofd en van een corneabeschadiging met verstreken voorste oogkamer.
(pagina 39)

Op 8 juli 2017 was ik aanwezig op een feestje op de [adres 2] te Eindhoven. Op dit feestje waren ongeveer 30 man aanwezig, diverse vrienden groepen. Ik hoorde dat er glas gevallen was en ik maakte me zorgen. Toen ik van boven kwam gelopen beneden de woonkamer in zag ik dat er 2 groepen waren. [persoon 1] hield op dat moment [slachtoffer] () vast. Ik zag dat [slachtoffer] boos was en ik kreeg sterk het vermoeden dat als [persoon 1] hem niet vasthield er gevochten zou gaan worden met groep 2. Op dat moment had [slachtoffer] geen verwondingen in zijn aangezicht.
(pagina 40)

Vervolgens zag ik dat [verdachte] () een Dommelsch glas in zijn handen had en dit opzettelijk en met kracht in de richting van [slachtoffer] gooide. Ik herkende het glas omdat er op de zijkant het kenmerkende logo van Dommelsch stond.
Ik heb op dat moment ook nog de groep getracht weg te duwen maar ik kwam er al snel achter dat [slachtoffer] hevig in zijn aangezicht bloedde en dat er wel heel erg veel bloed was.
(pagina 42)

Ik sta op een gegeven moment bij groep 2 en probeer deze door middel van duwen, weg te duwen van groep 1. Ik kreeg de groep 2 redelijk naar achteren. De afstand tussen groep 1 en 2 was ongeveer 3 à 4 meter. Ik keek vervolgens [verdachte] () aan. Ik zie dat hij zijn hand omhoog haalt en naar achteren haalt. Ik zie dat hij in zijn hand een glas heeft. Ik zie dat hij dit glas richting groep 1 gooit. Hij gooide het glas niet op de grond, hij gooide het glas echt door de lucht.
(pagina 57)

Ik was op 8 juli 2017 in de woning op de [adres 2] te Eindhoven. Er was daar een feestje gaande.
(pagina 58)

Ik zag dat er een glazen voorwerp door de lucht vloog en dat dit tegen het hoofd van [slachtoffer] () kwam. Omdat ik naar [slachtoffer] keek, had ik niet gezien wie dit gooide, omdat dit buiten mijn zichtveld gebeurde. Ik keek wel meteen naar rechts vanwaar dit gegooid werd. Aan de houding van de mensen die daar stonden, dacht ik meteen dat [verdachte] () de meest waarschijnlijke moet zijn die dit gegooid zou moeten hebben. Dit was namelijk omdat [verdachte] de enige persoon was die echt specifiek gericht was op [slachtoffer] terwijl de rest bezig was om [verdachte] tegen te houden.
(pagina 59)

Het glazen voorwerp kwam goed hard op [slachtoffer] af. Het was niet met een boogje maar meer een streep. [verdachte] stond zo’n 2,5 à 3 meter van [slachtoffer] af.
(pagina 68)

Opeens werd een glas gegooid vanuit de hoek van de kamer. Dit kwam in het gezicht van [slachtoffer] () en ik heb vervolgens 112 gebeld omdat [slachtoffer] erg bloedde.
Ik hoorde een klap, keek en zag dat er splinters waren. Zelf heb ik ook splinters in mijn hand. Het glas was nog niet kapot toen het gegooid werd. Ik zag dat het glas kapot ging op [slachtoffer] hoofd. Het was een drinkglas, volgens mij een glas voor speciaal bier.
(pagina 82)

Vorige week vrijdag 7 juli 2017, was ik uitgenodigd voor een feestje op de [adres 2] .
(pagina 83)

Ik stond 3 à 4 meter van [slachtoffer] () af. Toen ik het glas gooide zat het halfvol met Bacardi. Het was een speciaal bierglas. Ik heb gezien dat [slachtoffer] geraakt werd. Ik heb gezien dat zijn gezicht geraakt werd, maar niet precies waar hij geraakt werd.
Datum: 13 februari 2019

Anamnese en onderzoek:Controle 1,5 jaar na corneasclerale perforatie ODR/-
A/ Visus stabiel voor het gevoel. Merkt dat het goede oog niet helemaal scherp is, binoculaire dubbelbeelden maar ook monoculaire dubbelbeelden onder elkaar, wisselend van positie naar te kijken. Wil binnenkort bril aanschaffen.

SLOD: conjunctiva blank, cornealitteken horizontaal, nog 1 hechting in situ centraal (knoopje), kleurt niet aan, iris op 8 uur verkleefd met cornea endotheel en vertrokken.

B/ Geen controles meer nodig.
Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte niet de intentie had om een glas naar (het gezicht van) aangever te gooien, maar dat hij slechts de inhoud van dat glas naar aangever heeft willen gooien en dat daarbij per ongeluk het glas uit zijn hand is geglipt en aangever heeft geraakt. Dat sprake zou zijn geweest van opzet kan niet wettig en overtuigend worden bewezen, ook niet in voorwaardelijke vorm. De verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn daartoe niet redengevend en ook niet betrouwbaar, zodat deze niet voor het bewijs gebezigd mogen worden.Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De [getuige 2] heeft op 9 juli 2017, te 11.30 uur, een getuigenverklaring bij de politie afgelegd. In dat verhoor heeft [getuige 2] verklaard over de baan die het glas heeft afgelegd (te weten: niet in een boogje, maar meer in een streep en goed hard). In die verklaring heeft [getuige 2] niet verdachte aangewezen als degene die het glas zou hebben gegooid. Evenmin heeft hij in die verklaring iets gezegd over de manier waarop de dader zijn hand of arm zou hebben bewogen. [getuige 2] heeft daarover immers verklaard dat dit buiten zijn gezichtsveld is gebeurd en dat hij dit daardoor niet heeft gezien. Dit volgt ook uit de door de verdediging overgelegde WhatsApp-berichten van [getuige 2] aan verdachte. Op 8 juli 2017 schrijft [getuige 2] al aan verdachte dat hij niets heeft gezien en ook in zijn bericht van 9 juli 2017 te 12.59 uur schrijft hij aan verdachte dat hij niet heeft gezien wie gegooid heeft, maar wel dat [slachtoffer] is geraakt. Dit betekent dat [getuige 2] zowel voorafgaand aan zijn verhoor op het politiebureau als na afloop daarvan aan verdachte heeft laten weten dat hij niet heeft gezien wie het glas heeft gegooid. Zijn getuigenverklaring sluit derhalve aan bij de door hem verstuurde WhatsApp-berichten. Het hof acht die kort na het incident afgelegde verklaring, anders dan de verdediging, dan ook betrouwbaar en redengevend voor het bewijs. De aanvullende verklaring van [getuige 2] , zoals opgenomen in het proces-verbaal van 12 juli 2017, heeft het hof niet voor het bewijs gebezigd. Daaruit volgt immers slechts dat [getuige 2] zou hebben gezien dat verdachte ten tijde van het rondvliegend glas “zijn hand/arm half omhoog had en naar beneden bewoog” en hieruit kan derhalve niet worden afgeleid verdachte het glas heeft gegooid.

Het hof acht de door de [getuige 1] op 8 en 9 juli 2017 afgelegde verklaringen eveneens betrouwbaar en redengevend voor het bewijs. [getuige 1] heeft daarin onder meer verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte een glas in zijn hand had, dat hij zijn hand omhoog en naar achteren heeft gehaald en dat hij dit glas vervolgens opzettelijk en met kracht in de richting van aangever [slachtoffer] heeft gegooid. De omstandigheid dat [getuige 1] zich tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris op 18 januari 2019, ongeveer anderhalf jaar na dato, de betreffende beweging niet meer precies kan herinneren, daardoor niet geheel kan uitsluiten dat de hand van borsthoogte kwam en twijfels heeft over het woord “bovenhands”, is naar het oordeel van het hof verklaarbaar door het tijdsverloop en is bovendien niet strijdig met zijn eerste twee verklaringen.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen schuift het hof het door verdachte geschetste scenario, inhoudende dat hij enkel de inhoud van het glas richting aangever [slachtoffer] heeft willen gooien en dat het glas daarbij per ongeluk uit zijn hand is geglipt, als onaannemelijk ter zijde. Gelet op de wijze waarop verdachte het glas heeft gegooid en de baan die het glas daarna heeft afgelegd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk het glas in het gezicht van [slachtoffer] heeft gegooid.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte daarbij ook het voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Door met kracht en vanaf een korte afstand een breekbaar glas te gooien in de richting van het hoofd van [slachtoffer] , heeft verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het glas niet alleen aangever zou raken, maar ook dat het glas ten gevolge daarvan zou breken, waarbij dat glas terecht zou komen in tere en kwetsbare lichaamsdelen, zoals de ogen van aangever. Door aldus te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever aanvaard. De door de verdediging aangehaalde uitspraak van dit hof van 9 maart 2015 maakt dit oordeel niet anders, nu de omstandigheden van die casus niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige.Het hof is ten slotte van oordeel dat het door [slachtoffer] opgelopen letsel is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. Blijkens de medische informatie in het dossier is sprake van multiple laceraties (meerdere weefselverscheuringen) op het voorhoofd en een corneabeschadiging (hoornvliesbeschadiging) met verstreken voorste oogkamer. Een operatie en een daarop volgend langdurig behandeltraject zijn nodig geweest. Inmiddels is sprake van een medische eindsituatie. [slachtoffer] heeft blijvende littekens in zijn gezicht en één hechting in het hoornvlies is achtergebleven. Ook is het zicht uit zijn rechteroog nog steeds slecht, heeft hij last van dubbelbeelden en draagt hij hierdoor nu een bril.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging derhalve in al zijn onderdelen en acht het primair ten laste gelegde, met de rechtbank en de advocaat-generaal, wettig en overtuigend bewezen.

Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een deskundigenonderzoek te gelasten en de getuige [getuige 2] nader te horen, indien het hof de door [getuige 2] afgelegde verklaringen betrouwbaar en redengevend voor het bewijs acht.
Door een deskundige zou dan onder meer moeten worden onderzocht welke snelheid minimaal nodig is om de inhoud uit een bepaald glas over een afstand van drie meter te krijgen, of het glas bij die afstand en snelheid breekt als het een hoofd raakt dat stil staat/voorwaarts/achterwaarts beweegt en welke lijn dat glas in dat geval aflegt.

Aan de getuige [getuige 2] wenst de verdediging dan onder andere vragen te stellen over de inconsistenties in zijn verklaringen, de redenen daarvan, het mogelijke belang bij het ‘opplussen’ van zijn verhaal, de imagoschade waarover hij spreekt en de brief die hij zegt te hebben geschreven. Ook dient hij dan nader bevraagd te worden over de positie van de arm van verdachte, welke kant deze op bewoog en waar [getuige 2] toen stond.Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Hoewel het hof de verdediging toegeeft dat er verschillen zitten in de door de getuige [getuige 2] op 9 juli 2017 bij de politie afgelegde verklaring en diens aanvullende verklaring van 12 juli 2017, acht het hof – zoals reeds overwogen – die eerste verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. In die verklaring spreekt de getuige reeds over de baan die het glas heeft afgelegd (in een streep), zonder verdachte daarbij te belasten, aangezien hij verklaart de dader niet te hebben gezien. De aanvullende verklaring van 12 juli 2017 heeft het hof niet voor het bewijs gebezigd. De noodzaak tot het nader horen van de getuige is het hof derhalve niet gebleken.

Gelet op de heldere verklaring van de getuige [getuige 1] , in onderling verband en samenhang beschouwd met de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] als ook met de overige bewijsmiddelen, acht het hof zich voldoende voorgelicht over de wijze waarop het glas – en niet de inhoud daarvan – is gegooid en kapot gegaan. Het hof is derhalve van oordeel dat nader onderzoek hiernaar door een deskundige niet noodzakelijk is.

Het hof wijst beide voorwaardelijke verzoeken daarom af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde


1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.

Het primair bewezen verklaarde levert op: zware mishandeling.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van aangever [slachtoffer] door een glas in diens gezicht te gooien. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] littekens op zijn voorhoofd en blijvend oogletsel opgelopen, naast het feit dat hij een langdurig behandeltraject heeft moeten doorlopen. Uit zijn ter zitting in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaring blijkt op welke wijze het letsel hem in zijn dagelijks leven heeft belemmerd en zal blijven belemmeren. Op aanraden van zijn artsen heeft [slachtoffer] moeten stoppen met het uitoefenen van zijn sport (voetbal) en is er een blijvend risico op complicaties. Hoewel het hof wil aannemen dat de impact en de gevolgen voor [slachtoffer] groter zijn dan verdachte heeft gewild, neemt dat de ernst van het feit niet weg.
Mede gelet op het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 juni 2019, waaruit volgt dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld en ook sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, gaat het hof – net als de advocaat-generaal – ervan uit dat sprake is van een eenmalig incident. Het hof ziet dan ook geen meerwaarde in de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal verzochte voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is van oordeel dat oplegging van een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren, met aftrek van voorarrest, voldoende recht doet aan de ernst van het feit en ook passend is bij de persoonlijke omstandigheden van de nog jonge verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 23.633,40. De vordering bestaat uit € 3.633,40 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 13.633,40. De rechtbank heeft de vordering vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De materiële schade ten bedrage van in totaal € 3.633,40 is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist, en is derhalve geheel voor toewijzing vatbaar. Uit het journaal van het Academisch Ziekenhuis Maastricht (bijlage bij de aanvullende toelichting op de schade in hoger beroep) blijkt dat sinds 13 februari 2019 sprake is van een medische eindsituatie. Zoals reeds uit het hiervoor overwogene volgt, zijn de gevolgen van het handelen van verdachte voor de nog jonge benadeelde partij groot: er is sprake van littekens op het voorhoofd, blijvend oogletsel en belemmering in het dagelijks leven, onder andere door het niet meer kunnen uitoefenen van een favoriete sport. Het hof is dan ook, met de advocaat-generaal, van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 20.0000,00 waarop de immateriële schade is begroot eveneens geheel voor toewijzing vatbaar is. Verdachte is tot vergoeding van deze materiële en immateriële schade gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van in totaal € 23.633,40 toewijsbaar is.
Het toe te wijzen bedrag aan materiële schade zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2017, zijnde het moment waarop de vordering in eerste aanleg is ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2017, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een totaalbedrag van € 23.633,40. Verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van , indien niet naar behoren verricht te vervangen door .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van bestaande uiten, vermeerderd met de vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van bestaande uiten, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
3 november 2017 en van de immateriële schade op 8 juli 2017.
Aldus gewezen door:mr. S. Riemens, voorzitter,mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,en op 8 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.