Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3668

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Europees civiel recht,Civiel recht; Internationaal privaatrecht,Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3668, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.244.153_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.244.153/01

arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

[de vennootschap naar Zwitsers recht]

gevestigd te [vestigingsplaats 1] , Zwitserland,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. D.P. Schalken te 's-Hertogenbosch,
tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. T. Roos te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 26 juli 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in incident van 27 juni 2018, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres in het incident en [geïntimeerde] als verweerster in het incident.

ECLI:NL:GHSHE:2019:3668:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.244.153/01

arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

[de vennootschap naar Zwitsers recht]

gevestigd te [vestigingsplaats 1] , Zwitserland,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. D.P. Schalken te 's-Hertogenbosch,
tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. T. Roos te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 26 juli 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in incident van 27 juni 2018, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres in het incident en [geïntimeerde] als verweerster in het incident.

1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in het incident.

2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

-

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven met producties;

de memorie van antwoord met producties.

overwegingen

3

De feiten

3.1.
In r.o. 2. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 1 wordt deze vaststelling op één onderdeel bestreden. De grief slaagt (zie onder k). Het enkele feit dat de grief slaagt, leidt echter nog niet tot vernietiging van het bestreden vonnis.Het hof zal hierna een nieuw overzicht geven van de tussen partijen vaststaande feiten.
a. a) Het schip ‘ [het schip] ’ (hierna: het schip) is gelegen in [vestigingsplaats 1] (Zwitserland). Het schip is eigendom van [appellante] , die een onderneming exploiteert op het gebied van de financiering en de bedrijfsvoering van ondernemingen in de vrijetijdssector.b) [huurder van het schip] te [vestigingsplaats 1] (Zwitserland) (hierna: [huurder van het schip] ) huurt het schip sinds september 2015 van [appellante] . [huurder van het schip] exploiteert een onderneming die activiteiten ontplooit in de cultuur- en horecasector en maakt daarbij gebruik van het schip als evenementenschip/discotheek.c) [geïntimeerde] exploiteert een scheepswerf in [vestigingsplaats 2] en houdt zich onder meer bezig met de reparatie en het onderhoud van schepen.d) Op 8 januari 2016 heeft [geïntimeerde] op verzoek van [huurder van het schip] een offerte uitgebracht voor de verbouwing van het schip voor een begroot bedrag van € 1.461.600,-. Daarna hebben [geïntimeerde] en [huurder van het schip] op 14 januari 2016 een overeenkomst inzake de verbouwing van het schip gesloten, op grond waarvan [geïntimeerde] haar werkzaamheden zou verrichten in [vestigingsplaats 2] , op regiebasis met nacalculatie.e) Op verzoek van [huurder van het schip] en met instemming van [appellante] heeft [geïntimeerde] het schip ten behoeve van de verbouwing laten overbrengen van [vestigingsplaats 1] naar [vestigingsplaats 2] .f) Op 25 februari 2016 heeft [huurder van het schip] per e-mail aan [geïntimeerde] bericht dat zij voor alle werkzaamheden de opdrachtgeefster is en dat facturen aan haar moeten worden gericht.g) In de periode van 25 februari 2016 tot en met 3 juli 2016 heeft [geïntimeerde] de overeengekomen werkzaamheden aan het schip verricht. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd op de werf van [geïntimeerde] in [vestigingsplaats 2] .h) Op 16 maart 2016 heeft een inspectie van het schip plaatsgevonden in [vestigingsplaats 2] . Daarbij waren aanwezig: [medewerker van de huurder van het schip] (hierna: [medewerker van de huurder van het schip] ) namens [huurder van het schip] en [medewerker van appellante 1] (hierna: [medewerker van appellante 1] ) namens [appellante] .i) Op 4 juli 2016 is het schip uit [vestigingsplaats 2] teruggereisd naar [vestigingsplaats 1] , waar het op10 juli 2016 is aangekomen. Tijdens die reis zijn nog afrondende werkzaamheden verricht aan het schip.j) Door [geïntimeerde] zijn in verband met de overeengekomen werkzaamheden voorschotfacturen gestuurd aan [huurder van het schip] en aan [appellante] .k) [appellante] heeft in de periode van maart 2016 tot en met juni 2016 op de aan haar verstuurde facturen een bedrag van € 300.000,- (en niet € 400.000,-, zoals vastgesteld door de rechtbank) betaald aan [geïntimeerde] .l) Op 7 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] een sms-bericht ontvangen van [huurder van het schip] , waarin stond dat een geschil was gerezen tussen [huurder van het schip] en [appellante] over de betaling van de verbouwing van het schip.m) Op 17 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] een e-mailbericht ontvangen van dr. [Verwaltungsrat van appellante 2] namens [appellante] . Deze liet weten dat hij contact zocht als van [appellante] en berichtte verder dat [appellante] geen overeenkomst had met [geïntimeerde] en dat [huurder van het schip] de enige opdrachtgeefster en schuldenaar was van [geïntimeerde] . Aansluitend verzocht hij [geïntimeerde] daarom .n) Op 28 oktober 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden op het schip. Daarbij waren, onder meer, aanwezig: [directeur van geintimeerde] (directeur van [geïntimeerde] ), [medewerker van de huurder van het schip] en [medewerker van appellante 1] .o) [medewerker van de huurder van het schip] heeft op 3 november 2016 een e-mailbericht verzonden aan, onder meer, [geïntimeerde] en [medewerker van appellante 1] , met daarin een samenvatting van de bespreking op 28 oktober 2016. In de e-mail stond, onder meer, dat [appellante] zich tijdens de bespreking bereid had verklaard om € 100.000,- te betalen aan [geïntimeerde] .p) Op 10 november 2016 heeft [geïntimeerde] een betaling van € 100.000,- ontvangen van [appellante] .q) [medewerker van appellante 1] en [geïntimeerde] hebben in januari en februari 2017 per e-mail gecorrespondeerd over de door [geïntimeerde] opgestelde eindafrekening ter zake de verbouwing van het schip. Op basis van deze eindafrekening heeft [geïntimeerde] op 13 februari 2017 facturen gestuurd aan [huurder van het schip] en aan [appellante] . [huurder van het schip] en [appellante] hebben deze facturen niet betaald.
De eerste aanleg

3.2.1.
In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] hoofdelijke veroordeling van [huurder van het schip] en [appellante] tot betaling van € 502.628,- met rente en kosten.

3.2.2.
[geïntimeerde] stelt hiertoe dat zij ter zake de verbouwing van het schip een aannemingsovereenkomst heeft gesloten met [huurder van het schip] , die [huurder van het schip] verplicht om het restant van de aannemingssom ad € 502.628,- aan haar te betalen. Volgens [geïntimeerde] is [appellante] vrijwillig tot de aannemingsovereenkomst toegetreden, heeft zij althans jegens [geïntimeerde] de verplichting tot voldoening van een deel van de nog openstaande aannemingssom op zich genomen, en heeft [geïntimeerde] hierop vertrouwd, althans gerechtvaardigd mogen vertrouwen. [appellante] is daarnaast aansprakelijk jegens [geïntimeerde] , aldus laatstgenoemde, op grond van ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad.

3.2.3.
[appellante] heeft een bevoegdheidsincident opgeworpen en heeft gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van [geïntimeerde] jegens [appellante] vanwege het ontbreken van rechtsmacht.[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in het incident.
3.2.4.
In het vonnis in incident van 27 juni 2018, waarvan beroep, heeft de rechtbank de incidentele vordering van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident. In hetzelfde vonnis heeft de rechtbank daarnaast beslist in het door [huurder van het schip] opgeworpen vrijwaringsincident. De rechtbank heeft bepaald dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld tegen het vonnis, maar uitsluitend voor zover dat betrekking heeft op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.
De grieven en de omvang van het hoger beroep

3.3.1.
[appellante] heeft in hoger beroep vier genummerde grieven en - zoals door het hof opgevat - één ongenummerde grief aangevoerd en heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis in incident en tot het alsnog toewijzen van haar incidentele vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen, met rente. heeft het door [appellante] gestelde gemotiveerd betwist.

3.3.2.
Grief 1 heeft betrekking op de door de rechtbank vastgestelde feiten. Deze grief is behandeld in r.o. 3.1. van dit arrest.
Het toetsingskader

3.4.1.
Het hof stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen (zie r.o. 4.1.) dat het geding in de hoofdzaak een internationaal karakter heeft, nu het betrekking heeft op een geschil tussen een in [vestigingsplaats 2] (Nederland) gevestigde vennootschap als eiseres in de hoofdzaak en twee in [vestigingsplaats 1] (Zwitserland) gevestigde vennootschappen als gedaagden, zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
3.4.2.
De rechtbank heeft vervolgens in r.o. 4.2.-4.7. het relevante toetsingskader geschetst. De rechtbank is daarbij uitgegaan van de toepasselijkheid van EVEX II (Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007, PbEU 2007, L 339, hierna: EVEX), waardoor zowel Zwitserland als de lidstaten van de Europese Unie worden gebonden.Tegen deze overwegingen van de rechtbank zijn - terecht - geen grieven of andere concrete bezwaren aangevoerd. Ook het hof gaat daarom uit van de toepasselijkheid van het EVEX en zal verder rekening houden met het volgende.[huurder van het schip] is vrijwillig verschenen voor de rechtbank en heeft geen bevoegdheidsverweer gevoerd, zodat de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 24 EVEX.Dit betekent echter niet dat de rechtbank ook bevoegd is ten aanzien van [appellante] .Hoofdregel van het EVEX is dat bevoegd is de rechter van de woonplaats van de gedaagde (art. 2 EVEX). Volgens [appellante] moet worden uitgegaan van deze hoofdregel, zodat volgens haar (alleen) de Zwitserse rechter de bevoegde rechter is. [geïntimeerde] bepleit dat ook de Rechtbank Limburg, locatie Roermond, bevoegd is om kennis te nemen van haar vordering jegens [appellante] , in de eerste plaats gelet op het bepaalde in artikel 5 sub 1 EVEX.Op grond van die bepaling komt bevoegdheid toe: a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: aan het gerecht van de plaats waarde verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;waarbij geldt:b) dat voor de toepassing van deze bepaling, tenzij anders is overeengekomen, als de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt geldt- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken: de plaats in een door dit verdrag gebonden staat waar de zaken volgens de overeenkomst werden geleverd of hadden moeten worden geleverd;- voor de verstrekking van diensten: de plaats in een door dit verdrag gebonden staat waar de diensten volgens de overeenkomst werden verstrekt of hadden moeten worden verstrekt,en waarbij geldt:c) dat punt a) van toepassing is indien punt b) niet van toepassing is.
Daarnaast beroept [geïntimeerde] zich in verband met [appellante] op het bepaalde in artikel 5 sub 3 EVEX, dat betrekking heeft op de bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad. Op grond van die bepaling is bevoegd het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

3.4.3.
De begrippen ‘overeenkomst’ en ‘onrechtmatige daad’ in artikel 5 EVEX dienen autonoom te worden uitgelegd (zie o.m. HvJ EG 22 maart 1983, nr. 34/82, Jur. 1983, p. 987, Peters/ZNAV; HvJ EG 27 september 1988, nr. 189/87, Jur. 1988, p. 5565, Kalfelis/Schröder). Daarbij komt ook relevantie toe aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie in het kader van het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening (zie artikel 1 lid 2 van Protocol 2 bij het EVEX).Een eiser kan zich ook tot de in artikel 5 sub 1 EVEX aangewezen rechter wenden inhet geval dat de gedaagde, (mede) in het kader van de internationale-bevoegdheidsvraag,betwist dat de overeenkomst bestaat of tot stand gekomen is (zie HvJ EG 4 maart 1982,nr. 38/81, ECLI:EU:C:1982:79, Effer/Kantner). De rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken (zie HvJ EG 3 juli 1997, nr. C-269/95, ECLI:EU:C:1997:337, Benincasa/Dentalkit). Het gaat erom de aanknopingspunten met de forumstaat te identificeren die de bevoegdheid van de aangezochte nationale rechter rechtvaardigen (zie HvJ EU 25 oktober 2012, nr. C-133/11, ECLI:EU:C:2012:664, Folien Fischer en Fofitec). Bij de beantwoording van de vraag naar zijn internationale bevoegdheid dient de nationale rechter acht te slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en dus ook op de stellingen van de gedaagde dienaangaande, maar behoeft geen uitgebreide bewijsprocedure te worden gevolgd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn (zie HvJ EU 28 januari 2015, nr. C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa; HvJ EU l6 juni 2016, nr. C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, Universal Music; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566).
3.5.1.
Door middel van de grieven 2, 3 en 4 maakt [appellante] bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] voldoende heeft gesteld om er voorshands, in het kader van de beoordeling van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, van uit te kunnen gaan dat tussen [geïntimeerde] en [appellante] een overeenkomst bestaat (r.o. 4.9.-slot), waarbij volgens de rechtbank in het midden kan blijven of dit een aannemingsovereenkomst is, of dat [appellante] zich heeft verplicht tot betaling van de restant-aannemingssom (r.o. 4.10.). Volgens [appellante] bestaat tussen haar en [geïntimeerde] geen overeenkomst (grief 2), althans geen in [vestigingsplaats 2] uit te voeren aannemingsovereenkomst (grief 3), althans geen zuivere aannemingsovereenkomst (grief 4).[geïntimeerde] heeft het door [appellante] gestelde gemotiveerd betwist.
3.5.2.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen vast staat dat de overeenkomst betreffende de verbouwing van het schip is gesloten in januari 2016 en wel tussen [geïntimeerde] en [huurder van het schip] . Uit de tussen [geïntimeerde] en [huurder van het schip] (dan wel haar adviseurs) gewisselde correspondentie, waaronder verscheidene offertes, volgt dat [geïntimeerde] jegens [huurder van het schip] de verbouwing () van het schip op zich had genomen en daartoe omvangrijke, nader omschreven werkzaamheden (waaronder: , , , , en ) diende te verrichten.Dit alles duidt naar het oordeel van het hof op het bestaan - tussen [huurder van het schip] en [geïntimeerde] - van een overeenkomst in de zin van artikel 5 sub 1 onder b), tweede gedachtestreepje, EVEX, meer in het bijzonder (en naar Nederlands recht gekwalificeerd) op het bestaan van een overeenkomst van aanneming van werk. Dat [geïntimeerde] ter realisering van de verbouwing gebruik heeft gemaakt van aanvankelijk aan haar (of aan door haar ingeschakelde derden) in eigendom toebehorende materialen doet hieraan niet af. [appellante] heeft, in afwijking hiervan, gesteld dat tussen [huurder van het schip] en [geïntimeerde] een koopovereenkomst betreffende roerende lichamelijke zaken is gesloten, althans een gemengde koop-aannemings-overeenkomst, maar heeft deze stellingen onvoldoende onderbouwd. Met name heeft [appellante] niet toegelicht op welke - kennelijk door [huurder van het schip] in eigendom te verwerven - roerende lichamelijke zaken de overeenkomst heeft gezien. Voor zover [appellante] doelt op de materialen waarmee [geïntimeerde] het schip heeft verbouwd, overweegt het hof dat [appellante] niet heeft betwist dat deze materialen zijn aangebracht op en aan het schip en dat zijzelf (als eigenaar van de hoofdzaak, het schip) vervolgens door natrekking eigenaar is geworden van deze materialen. Dat de overeenkomst tussen [huurder van het schip] en [geïntimeerde] daarnaast ook betrekking heeft gehad op roerende lichamelijke zaken die door natrekking eigendom zijn geworden van [appellante] , is gesteld noch gebleken.Het hof gaat er daarom, met de rechtbank, van uit dat [huurder van het schip] met [geïntimeerde] een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten, en daarmee een overeenkomst in de zin van artikel 5 sub 1 onder b), tweede gedachtestreepje, EVEX.
3.5.3.
In verband met de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst zijn verstrekt heeft [geïntimeerde] gesteld: (1) dat was overeengekomen dat de verbouwingswerkzaamheden zouden worden verricht op haar werf in [vestigingsplaats 2] , (2) dat het schip daarom vanuit [vestigingsplaats 1] naar [vestigingsplaats 2] is gevaren; (3) dat de werkzaamheden in [vestigingsplaats 2] in totaal vijf maanden in beslag hebben genomen, (4) dat de oplevering van het werk heeft plaatsgevonden vóór het vertrek van het schip naar [vestigingsplaats 1] , (5) dat zij daarna uitsluitend nog werkzaamheden heeft verricht op en aan het schip ter oplossing van tijdens de oplevering geconstateerde gebreken; (6) dat deze laatste werkzaamheden zijn verricht toen het schip terugvoer naar [vestigingsplaats 1] , uitsluitend om [huurder van het schip] - die een snelle opening van het schip als horecagelegenheid had gepland - ter wille te zijn; en (7) dat deze laatste werkzaamheden daarmee binnen een periode van zes dagen zijn verricht. [appellante] heeft deze stellingen niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Uitgaande - daarom - van de door [geïntimeerde] gestelde feiten, heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd waarom (uitsluitend) [vestigingsplaats 1] moet worden gezien als de plaats van nakoming van de overeenkomst. Evenmin is deugdelijk onderbouwd waarom, zoals [appellante] alternatief heeft gesteld, de werkzaamheden door [geïntimeerde] zijn verricht in [vestigingsplaats 2] en op de terugreis van het schip naar [vestigingsplaats 1] , en daarmee in Nederland, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland. Zowel de aard als de omvang van de door [geïntimeerde] buiten Nederland verrichte werkzaamheden (bezien in verhouding hetgeen in Nederland is gedaan) kunnen niet leiden tot deze laatste conclusie.Het hof gaat er daarom, met de rechtbank, van uit dat [vestigingsplaats 2] (Nederland) heeft te gelden als de plaats in de zin van artikel 5 sub 1 onder b), tweede gedachtestreepje, EVEX.3.5.4. [geïntimeerde] heeft haar stelling dat zij ook met [appellante] heeft gecontracteerd (zier.o. 3.2.2.) onderbouwd met een beroep op de volgende tussen partijen vaststaande feiten:(a) [appellante] heeft ingestemd met het overbrengen van het schip van [vestigingsplaats 1] naar [vestigingsplaats 2] ; (b) [appellante] heeft ook ingestemd met de verbouwing van het schip door [geïntimeerde] ; (c) nadat door [huurder van het schip] was aangegeven dat [appellante] zou bijdragen aan de verbouwingskosten, heeft [geïntimeerde] een aantal voorschotfacturen rechtstreeks aan [appellante] verzonden; deze facturen zijn door [appellante] behouden en zijn door [appellante] vervolgens ook rechtstreeks aan [geïntimeerde] voldaan; (d) [medewerker van appellante 1] is door [appellante] afgevaardigd om aanwezig te zijn bij de inspectie van het schip op 16 maart 2016; (e) tijdens het overleg in [vestigingsplaats 1] op 28 oktober 2016 heeft [appellante] (bij monde van [medewerker van appellante 1] ) toegezegd om aanvullend € 100.000,- te betalen aan [geïntimeerde] ; [appellante] is deze toezegging vervolgens nagekomen op 10 november 2016; (f) in de loop van december 2016-februari 2017 is discussie ontstaan over de eindafrekening van [geïntimeerde] ; [medewerker van appellante 1] heeft zich daar namens [appellante] actief mee bemoeid en heeft op een zeker moment - vanwege de volgens hem tekortschietende inhoud van de eindafrekening - verdere betalingen door [appellante] aan [geïntimeerde] geweigerd. heeft daarnaast gesteld dat [medewerker van appellante 1] de persoon is die - weliswaar feitelijk en op de achtergrond, maar niettemin - de overheersende zeggenschap heeft binnen [appellante] . Deze stelling is door [appellante] niet weersproken. 3.5.5. [appellante] heeft gesteld dat deze feiten niet kunnen leiden tot de conclusies die [geïntimeerde] eraan verbindt. Volgens [appellante] is zij uitsluitend als eigenaar van het schip betrokken geweest bij de verbouwing ervan, waarbij nog van belang is dat [huurder van het schip] een koopoptie op het schip heeft en [appellante] gerechtigd is om haar bijdrage aan de verbouwingskosten op te tellen bij de koopsom, als [huurder van het schip] gebruik zou maken van de optie.[appellante] heeft verder gesteld dat zij betreurt dat zij de voorschotfacturen heeft behouden en rechtstreeks heeft betaald aan [geïntimeerde] , maar dat dit een en ander is gebeurd op een moment dat er nog geen problemen waren. Na het ontstaan van de problemen heeft zij [geïntimeerde] , bij monde van dr. [Verwaltungsrat van appellante 2] , duidelijk laten weten dat [geïntimeerde] zich voor de nog openstaande bedragen diende te wenden tot haar opdrachtgever en schuldenaar [huurder van het schip] .De toezegging op 28 oktober 2016 om aanvullend € 100.000,- te betalen en de betaling zelf zijn volgens [appellante] onder dwang gedaan, omdat [geïntimeerde] anders niet aan haar de documenten had verstrekt die [appellante] als eigenaar van het schip diende te verstrekken aan de Zwitserse autoriteiten. Tot deze documenten behoorde ook een (kloppende) eindafrekening zijdens [geïntimeerde] .
3.5.6.
Het hof constateert dat [geïntimeerde] zich ter onderbouwing van haar stellingen over de relatie tussen [appellante] en de aanvankelijk (in ieder geval) met [huurder van het schip] gesloten aannemingsovereenkomst kan beroepen op een groot aantal tussen partijen vaststaande feiten. Datzelfde geldt niet voor [appellante] . Het hof volgt [appellante] ook niet in haar stelling dat haar eigendomsrecht op het schip afdoende kan verklaren waarom zij betrokken is geraakt bij (de uitvoering van) de aannemingsovereenkomst tussen [huurder van het schip] en [geïntimeerde] . De rechtstreekse betalingen door [appellante] op door [geïntimeerde] aan haar verzonden facturen wijzen niet in deze richting. Hetzelfde geldt voor de betrokkenheid van [medewerker van appellante 1] , namens [appellante] , bij de eindafrekening. Uit de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie blijkt dat deze betrokkenheid niet alleen te maken had met de verantwoording van de verbouwing jegens de Zwitserse autoriteiten, maar ook met eventuele rechtstreeks door [appellante] aan [geïntimeerde] te verrichten betalingen, welke betalingen uiteindelijk ook door [appellante] zijn geweigerd met een beroep op de - volgens haar - tekortschietende eindafrekening. [appellante] heeft niets gesteld dat afdoet aan deze conclusie.Mede gelet op de tekortschietende feitelijke onderbouwing van haar standpunten, ziet het hof geen reden om [appellante] op dit moment toe te laten tot nadere bewijslevering, zoals door het horen van getuigen.
3.5.7.
Gelet op het voorgaande heeft [geïntimeerde] ook naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd gesteld om er - in verband met de rechtsmacht van de Nederlandse rechter - van uit te kunnen gaan dat tussen [geïntimeerde] en [appellante] een overeenkomst bestaat.Het hof is daarbij, met de rechtbank, van oordeel dat in het midden kan blijven of [appellante] als partij is toegetreden tot de aannemingsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [huurder van het schip] , of dat [appellante] enkel de verplichting tot betaling van (een deel van) de restant-aannemingssom op zich heeft genomen. Het hof gaat er daarbij van uit dat [appellante] deze laatste (gestelde) verplichting jegens [geïntimeerde] op zich heeft genomen als tegenprestatie voor de door [geïntimeerde] te verrichten/verrichte werkzaamheden aan het schip, waardoor zij als eigenaar van het schip én als verhuurder ervan aan [huurder van het schip] is gebaat. Daarvan uitgaande maakt ook deze laatste, meer beperkte, betalingsverplichting onderdeel uit van de aannemingsovereenkomst, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd op artikel 5 sub 1 onder b), tweede gedachtestreepje EVEX.Voor zover hierover anders kan worden gedacht, sluit het hof zich aan bij de opvatting van de rechtbank dat de verbintenis tot betaling in Nederland dient te worden uitgevoerd, zodat bevoegdheid bestaat op grond van artikel 5 sub 1 onder a). [geïntimeerde] heeft in verband hiermee - onweersproken - gesteld dat een geldschuld zowel naar Nederlands als naar Zwitsers recht een brengschuld is. [appellante] heeft niets gesteld dat afdoet aan het oordeel van de rechtbank (tevens het subsidiaire oordeel van het hof) dat [vestigingsplaats 2] heeft te gelden als de plaats waar de restant-aannemingssom dient te worden betaald.

3.5.8.
Het hof concludeert dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellante] , voor zover deze bevoegdheid wordt gebaseerd op het bestaan van een overeenkomst tussen deze beide partijen.Gelet hierop oordeelt het hof dat de grieven 2, 3 en 4 niet kunnen leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.
De (gestelde) ongerechtvaardigde verrijking van [appellante] ten koste van [geïntimeerde] en de (gestelde) onrechtmatige daad van [appellante] jegens [geïntimeerde] ‘De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de Nederlandse rechter
bevoegd is om van de vordering van [geïntimeerde] kennis te nemen op grond van art. 5 lid 1

EVEX. Daarmee behoeft de subsidiaire grondslag van de vordering van [geïntimeerde] geen

bespreking.’

3.6.2.
Het hof overweegt dat de rechtbank haar bevoegdheid om te oordelen over de vordering op basis van de gronden ‘ongerechtvaardigde verrijking’ en ‘onrechtmatige daad’ in het midden heeft kunnen laten, indien zij ervan uit is gegaan dat deze gronden niet aan de orde zullen (behoeven te) komen in het verdere verloop van de procedure tussen [geïntimeerde] en [appellante] .Voor het geval de rechtbank met haar genoemde oordeel echter heeft willen aangeven dat zij, uitgaande van haar bevoegdheid op de grondslag ‘overeenkomst’, ook bevoegd is om de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellante] te beoordelen op de beide andere grondslagen, maakt [appellante] daartegen terecht bezwaar. Ook in het kader van de toepassing van het EVEX geldt immers dat, voor zover de nationale rechter bevoegd is om kennis te nemen van de onderdelen van de vordering die zijn gebaseerd op overeenkomst, hij niet - op die grond - ook bevoegd is om kennis te nemen van de onderdelen van de vordering die een andere grondslag hebben dan overeenkomst (zie o.m. HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9604, Spectra/Ziegler). Dat de vordering van [geïntimeerde] in alle gevallen strekt tot voldoening van hetzelfde geldbedrag doet er niet aan af dat qua bevoegdheid sprake is van drie afzonderlijke vorderingen.
3.6.3.
Dit oordeel van het hof kan [appellante] evenwel niet baten, omdat een nader onderzoek naar haar bevoegdheid om de vordering te beoordelen op de grondslagen ‘ongerechtvaardigde verrijking’ en ‘onrechtmatige daad’ de rechtbank zou hebben geleid tot een positief oordeel over die bevoegdheid. Het hof overweegt hiertoe als volgt.[geïntimeerde] heeft gesteld dat, doordat de op en aan het schip aangebrachte materialen door natrekking eigendom zijn geworden van [appellante] en doordat de nog openstaande facturen voor haar werkzaamheden terzake niet worden voldaan, [appellante] ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten nadele van [geïntimeerde] .[appellante] heeft hier tegenover gesteld dat zij niet is gebaat, maar veeleer wordt geschaad door de verbouwing, omdat zij het schip daardoor in de toekomst alleen nog kan verhuren als horecaschip. [geïntimeerde] heeft vervolgens nader gesteld (cva in het incident nr. 18) dat het schip ook vóór de verbouwing al door [appellante] werd verhuurd als horecaschip en dat het schip daarnaast vóór de verbouwing in een deplorabele toestand verkeerde. [appellante] heeft vervolgens niet, zoals op haar weg had gelegen, haar eigen stellingen nader onderbouwd. Het hof gaat er daarom - in verband met het oordeel over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter - van uit dat [appellante] door de verbouwing is verrijkt, omdat zij door natrekking eigenaar is geworden van door [geïntimeerde] gebruikte materialen en het schip door de verbouwing in waarde is gestegen. Of de omvang van deze verrijking (ten minste) gelijk is aan het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag zal, zo nodig, moeten blijken in de hoofdzaak.Ervan uitgaande dat de verrijking van [appellante] heeft plaatsgevonden door de genoemde natrekking, heeft deze verrijking (in elk geval in hoofdzaak) plaatsgevonden in [vestigingsplaats 2] , waardoor [vestigingsplaats 2] heeft te gelden als de in de zin van artikel 5 sub 3 EVEX.In verband met de grondslag ‘onrechtmatige daad’ heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellante] in twee opzichten onrechtmatig heeft gehandeld: (a) door de schijn te wekken dat de aanneemsom door [huurder van het schip] of [appellante] zou worden betaald, waarna [geïntimeerde] de verbouwing heeft voltooid en het schip heeft laten vertrekken naar [vestigingsplaats 1] , en (b) door te profiteren van de wanprestatie van [huurder van het schip] .Het verwijt onder (a) wordt onderbouwd met een beroep op de feiten die ook ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op het bestaan van een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante] . Het gaat hier voor een deel om gebeurtenissen in [vestigingsplaats 2] (zoals de bijeenkomst op 16 maart 2016, waarbij [medewerker van appellante 1] namens [appellante] aanwezig was) en om gedragingen van [appellante] die (volgens [geïntimeerde] ) hebben geleid tot het vertrouwen aan haar kant dat de verbouwing zou worden betaald, zodat [geïntimeerde] de werkzaamheden in [vestigingsplaats 2] heeft voltooid en het schip vanuit [vestigingsplaats 2] heeft laten vertrekken naar [vestigingsplaats 1] . Hiervan uitgaande kan [vestigingsplaats 2] worden gezien als de in de zin van artikel 5 sub 3 EVEX. [appellante] heeft niets gesteld dat afdoet aan dit oordeel.Het verwijt onder (b) is niet nader onderbouwd. Het hof gaat ervan uit dat [geïntimeerde] zich in dit verband wil beroepen op de feiten die ook ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Daarvan uitgaande is ook hier sprake van bevoegdheid op grond van artikel 5 sub 3 EVEX (maar rijst de - in de hoofdzaak eventueel te beantwoorden - vraag hoeveel zelfstandige waarde dit OD-verwijt heeft).
3.6.4.
Gelet op het voorgaande kan ook [appellante] ’s vijfde grief niet leiden tot vernietiging van vonnis waarvan beroep.
Ten slotte

3.7.1.
Gelet op het falen van de grieven zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.
3.7.2.
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op€ 726,- aan griffierecht en op € 1.074,- (1 punt, tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

4

Het hof:

bekrachtigt het vonnis in incident, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof;

wijst de zaak terug naar de rechtbank;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 726,- aan griffierecht en op € 1.074,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 oktober 2019.

griffier rolraadsheer