Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3667

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3667, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.236.195_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.236.195/01

arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. J.C. van Haarlem te 's-Hertogenbosch,
tegen

Universiteit Nyenrode B.V. (Nyenrode Business Universiteit),

geïntimeerde,hierna aan te duiden als Nyenrode ,advocaten: mr. G.J. Boeve te Utrecht,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 maart 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 5216709 / rolnummer 16-7906 gewezen vonnis van 30 november 2017.

ECLI:NL:GHSHE:2019:3667:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.236.195/01

arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. J.C. van Haarlem te 's-Hertogenbosch,
tegen

Universiteit Nyenrode B.V. (Nyenrode Business Universiteit),

geïntimeerde,hierna aan te duiden als Nyenrode ,advocaten: mr. G.J. Boeve te Utrecht,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 maart 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 5216709 / rolnummer 16-7906 gewezen vonnis van 30 november 2017.

5

- het tussenarrest van 19 maart 2019 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;- het bij brief van 22 maart 2019 door mr. Van Haarlem en bij brief van 26 maart 2019 door mr. Boeve aan het hof toegezonden proces-verbaal van de rechtbank van de comparitie na antwoord gehouden op 20 maart 2017 ter completering van het procesdossier van de eerste aanleg;- het proces-verbaal van comparitie van 26 juli 2019.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

overwegingen

6

6.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
6.1.1.
[appellante] , geboren op [geboortedatum] 1971, is op 1 september 2008 als promovendus voor de duur van het promotieonderzoek in dienst van Stichting Fontys (hierna: Fontys) getreden, een instelling voor hoger beroepsonderwijs.
6.1.2.
De begeleiding van het promotieonderzoek vond plaats door prof. dr. [de promotor] (hierna: [de promotor] ), promotor, en prof. dr. [de copromotor] (hierna: [de copromotor] ) als copromotor, beiden als hoogleraar verbonden aan Nyenrode .
6.1.3.
Nyenrode is een erkende, niet-bekostigde universiteit. De (het college voor promoties) van Nyenrode heeft een promotiereglement – de (hierna: PhD R&R) – vastgesteld. In de versie April 2013 van de Phd R&R staat onder andere het navolgende:
Article 3 Registration

3.1
A person who meets the requirements of Article 7.18, paragraph 2a of the WHW can enroll as a PhD student at Nyenrode , once a Nyenrode professor is willing to act as his or her supervisor. […]

3.5
The Doctorate Board may decide to remove a PhD or an EDP student from the register:- in the event of unethical behavior on the part of the student;- after having been registered for a period of eight years without a successful thesis defense;- on the basis of a substantiated written request from the supervisor(s); in such case NBU has the obligation to actively search for another Nyenrode professor to replace the supervisor. Should this fail, the student will be removed from the register;- at the request of the student;- in the event the fees agreed upon have not been paid;
Article 5 Appointment of supervisor(s)

5.1
The Doctorate Board will appoint a supervisor with the consent of all those concerned.[…]
5.5
In consultation with all those concerned, the Doctorate Board may consider requests from the PhD or EDP student and/or one or more of the supervisors to rescind the appointment of the supervisor, second supervisor or co-supervisor.
6.1.4.
In september 2014 hebben [de promotor] en [de copromotor] de Doctorate Board verzocht om ontheven te worden van hun taken als begeleider in het promotietraject van [appellante] . Bij besluit van 23 februari 2015 heeft de Doctorate Board dat verzoek met onmiddellijke ingang ingewilligd. Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep aangetekend bij de van Nyenrode , die in de uitspraak van 24 september 2015 heeft geoordeeld dat het besluit van de Doctorate Board in stand kan blijven. De PhD Appeal Committee heeft daarbij onder andere overwogen dat het besluit van de Doctorate Board is gebaseerd op artikel 5.5 PhD R&R en niet op artikel 3.5 PhD R&R.
6.1.5.
In een aan [appellante] gerichte brief van de Doctorate Board van 8 oktober 2015 staat:“”.
6.1.6.
Bij beschikking van 9 oktober 2015 is op verzoek van Fontys de arbeidsovereen-komst met [appellante] ontbonden met ingang van 16 oktober 2015.
6.1.7.
Op 30 juli 2015 heeft [appellante] bij de Adviescommissie Nyenrode een klacht ingediend tegen het handelen van [de promotor] . De Adviescommissie heeft op 25 februari 2016 een advies uitgebracht en daarbij onder meer overwogen dat ‘’, dat [de promotor] ‘’, dat de schriftelijke mededeling van [de promotor] dat het ‘“’ indruist tegen de in het Nyenrode opgenomen eis dat bij de stopzetting van de promotiebegeleiding de NBU (hof: Nyenrode Business Universiteit) actief naar een andere Nyenrode promotor zoekt. [de promotor] heeft volgens de Adviescommissie zijn bevoegdheden overschreden, dan wel zich niet gehouden aan de binnen Nyenrode geldende regels. Gelet op de positie van [de promotor] als lid van het College van Bestuur vindt de Adviescommissie ‘’, waarbij de Adviescommissie wel aantekent ervan overtuigd te zijn dat ‘’ Afsluitend is overwogen dat met de beslissing om [appellante] alsnog een jaar de tijd te geven om haar promotie binnen Nyenrode af te ronden, ‘’.
6.1.8.
Bij besluit van 15 november 2016 heeft de Doctorate Board [appellante] met ingang van 28 november 2016 uitgeschreven uit het register met PhD studenten. Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep aangetekend bij de PhD Appeal Committee, die in een uitspraak van 15 juni 2017 het besluit van de Doctorate Board heeft bekrachtigd. De PhD Appeal Committee heeft daarbij onder andere overwogen dat dit besluit van de Doctorate Board is gebaseerd is op artikel 3.5 PhD R&R en meer specifiek op de daarin genoemde omstandigheid dat de promotie van [appellante] acht jaar na haar inschrijving niet was voltooid (dit gedeelte uit artikel 3.5 van de inmiddels geldende versie April 2016 van de PhD R&R is gelijkluidend aan de versie April 2013).Teneinde te kunnen beoordelen of de beslissing van de Doctorate Board om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om [appellante] te verwijderen uit het register nu zij na acht jaar niet haar thesis met succes heeft voltooid, misschien in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, heeft de PhD Appeal Committee onafhankelijk deskundigenadvies ingewonnen over het tot dat moment door [appellante] geproduceerde materiaal. Gelet op de bevindingen van prof. dr. [deskundige 1] en prof. dr. [deskundige 2] RA heeft het PhD Appeal Committee onder meer geoordeeld: “
- er moet zodanig substantiële revisie plaatsvinden dat revisie in de richting gaat van een nieuw proefschrift;

- mijn echte inschatting is dat succesvolle afronding niet waarschijnlijk is.

Dit deskundigenoordeel komt geheel overeen met het oordeel van de promotoren

[de promotor] en [de copromotor] dat de voortgang en de kwaliteit van het promotieonderzoek van appellante zodanig te wensen over liet dat zij geen vertrouwen meer hadden in een proefschrift dat met succes zou kunnen worden voorgelegd aan een leescom-missie.

De vaste overtuiging van appellante dat zij binnen de resterende twee jaar haar promotie met goed gevolg afgerond had kunnen hebben, blijkt niet gestoeld op de realiteit.

en daaraan de conclusie verbonden dat de verwijdering uit het register niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en derhalve stand kan houden.
6.2.
De procedure in eerste aanleg.
6.2.1.
[appellante] heeft in eerste aanleg zowel Nyenrode als Fontys in rechte betrokken en vorderde kort gezegd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:- voor recht te verklaren dat Fontys tegenover [appellante] istekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst dan wel onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, op grond waarvan Fontys gehouden is de bij staat op te maken schade van [appellante] te vergoeden;- voor recht te verklaren dat Nyenrode op grond van onrechtmatige daad gehouden is de bij staat op te maken schade van [appellante] te vergoeden;-
- dat bij betaling van de één de ander zal zijn bevrijd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis; - veroordeling in de proceskosten.
6.2.2.
Aan de tegen Nyenrode ingestelde vordering heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Nyenrode heeft in strijd gehandeld met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Uit het advies van de Adviescommissie Nyenrode blijkt duidelijk dat het besluit van [de promotor] tot stopzetting van het promotietraject onvoldoende zorgvuldig was, dat hij ten onrechte heeft besloten om te komen tot beëindiging van de studiefaciliteiten, dat in zijn algemeen is overwogen dat [de promotor] zijn bevoegdheden heeft overschreden, dan wel dat hij zich niet gehouden heeft aan de binnen Nyenrode geldende regels, waardoor de schijn van machtsmisbruik is gewekt. Daarmee staat de onrechtmatigheid vast. De gedragingen van [de promotor] zijn aan Nyenrode toe te rekenen.Door dit handelen heeft [appellante] schade geleden. Door de abrupte beëindiging van het promotietraject zag zij jarenlang werk in rook opgaan, waardoor zij zowel lichamelijk als geestelijk volledig uit het lood is geslagen en waarbij het tot op heden voor haar niet mogelijk is geweest om de draad weer op te pakken. Bovendien heeft Nyenrode niet voor een nieuwe promotor gezorgd.
6.2.3.
Nyenrode heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.2.3.
In het eindvonnis van 30 november 2017 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.
6.3.
De grieven en de vorderingen in hoger beroep.
6.3.1.
[appellante] heeft Fontys en Nyenrode aangezegd in hoger beroep te komen maar heeft het door haar tegen Fontys ingestelde hoger beroep ingetrokken, zodat het hoger beroep nu alleen nog aanhangig is tussen [appellante] en Nyenrode .
6.3.2.
[appellante] heeft in de memorie van grieven één grief aangevoerd (zie hierna) en zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. “
Ten onrechte wordt door de kantonrechter overwogen dat het (volgens de Adviescommissie) procesmatig onzorgvuldig handelen jegens [appellante] niet als onrechtmatig kan worden bezien. Daarbij wordt ten onrechte onder meer overwogen, dat de urgentie om het proefschrift af te ronden al vanaf 2012 is toegenomen en mevrouw [appellante] zich door het besluit van [de promotor] niet overvallen had kunnen voelen. Daarbij wordt tevens overwegen, dat de onzorgvuldigheid is opgeheven door het haar alsnog gunnen van een verlengde termijn tot 28 november 2016.”

6.3.3.
Blijkens de toelichting op de grief beoogt [appellante] meerdere bezwaren tegen het vonnis aan te voeren. Deze bezwaren zijn als afzonderlijke grieven aan te merken voor zover zij voor het hof en de wederpartij voldoende kenbaar zijn. De naar het oordeel van het hof voldoende kenbare grieven zullen hierna afzonderlijk worden besproken.
Hoor en wederhoor in het kader van het staken van de begeleiding

6.4.1.
Het hof stelt voorop dat [appellante] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.16. dat “” Dat verzoek heeft geresulteerd in het besluit van de Doctorate Board van 23 februari 2015 om het verzoek van [de promotor] en [de copromotor] om van hun taken als begeleider in het promotietraject van [appellante] ontheven te worden, met onmiddellijke ingang in te willigen.
6.4.2.
In de laatste alinea op pagina zeven en vervolgens (doorlopend) in de eerste alinea op pagina acht van de memorie van grieven betoogt [appellante] dat Nyenrode onrechtmatig heeft gehandeld doordat de Doctorate Board haar onvoldoende in staat heeft gesteld om gebruik te maken van haar recht om te worden gehoord voorafgaand aan het besluit van 23 februari 2015.
6.4.3.
Deze grief dient te worden verworpen. Voor zover bij de totstandkoming van het besluit van de Doctorate Board het beginsel van hoor en wederhoor onvoldoende in acht is genomen door, nadat [appellante] had aangegeven verhinderd te zijn op 19 januari 2015, de hoorzitting buiten haar aanwezigheid doorgang te laten vinden, is dat gebrek namelijk gerepareerd doordat een volledige (her)beoordeling van dat besluit heeft plaatsgevonden in de procedure bij de PhD Appeal Committee die is geëindigd met de uitspraak van 24 september 2015, terwijl [appellante] niet heeft aangevoerd dat (ook) in die procedure het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden of dat de uitspraak van 24 september 2015 anderszins onzorgvuldig tot stand gekomen is.
Doen of nalaten vóórafgaand aan het staken van de begeleiding

6.5.
Gelet op de grieven en de toelichting daarop van [appellante] , zien de verwijten die zij Nyenrode maakt voornamelijk op een doen of nalaten van [de promotor] / Nyenrode vóór en op een doen of nalaten van [de promotor] / Nyenrode ná zijn verzoek om de begeleiding te staken. Hierna zal eerst in worden gegaan op hetgeen al dan niet is gedaan vóórafgaand aan dat verzoek.
[appellante] werd overvallen door de aankondiging van het verzoek om de begeleiding te mogen staken

6.6.
In de als zodanig door [appellante] geformuleerde (hiervoor geciteerde) grief betoogt zij dat ten onrechte door de kantonrechter (in rov. 4.15.) is overwogen dat zij zich door het besluit van [de promotor] overvallen had kunnen voelen. Deze grief berust op een onjuiste lezing van het vonnis. De kantonrechter heeft namelijk overwogen dat “”. Deze grief wordt verworpen. [appellante] heeft in haar toelichting aangevoerd dat er ‘geen vuiltje aan de lucht leek te zijn’. Voor zover [appellante] daarmee heeft bedoeld dat de kantonrechter dat heeft miskend, faalt dat betoog. Volgens de kantonrechter was de feitelijke situatie anders en het hof schaart zich achter die motivering (zie ook hierna in 6.7.1).
[de promotor] heeft procesmatig onvoldoende zorgvuldig gehandeld

6.7.
In haar toelichting op pagina zes en in de eerste twee alinea’s op pagina zeven van de memorie van grieven betoogt [appellante] dat ‘het traject’ is gestaakt, onrechtmatig is. [appellante] onderbouwt daarbij waarom het kwam dat zij op 22 september 2014 overvallen werd door de aankondiging van het verzoek om de begeleiding te mogen staken en citeert daarbij uit het advies van de Adviescommissie van 25 februari 2016.
6.7.1.
De Adviescommissie heeft op basis van (onder andere) haar - door [appellante] geciteerde - bevindingen geoordeeld dat [de promotor] procesmatig onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Dat oordeel ziet dus op [de promotor] doen en nalaten voorafgaand aan het verzoek om de begeleiding te mogen staken. De kantonrechter heeft daarover geoordeeld – mede gelet op zijn hiervoor in 6.6. geciteerde overweging – dat “”. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat [de promotor] , dan wel Nyenrode , in deze fase niet onrechtmatig tegenover [appellante] heeft gehandeld. [de promotor] is (samen met [de copromotor] ) naar het oordeel van het hof niet onzorgvuldig overgegaan tot het doen van het verzoek om te worden ontheven van de begeleiding van [appellante] , gezien zijn waarschuwing in de mail van 20 mei 2014 en het feit dat [appellante] de daarna afgegeven planning van 30 juni 2014 niet (geheel) heeft waargemaakt. Bovendien weegt (ook) het hof mee dat dit vervolgens heeft geleid tot een rechtmatig, door de PhD Appeal Committee bekrachtigd, besluit om de begeleiding door [de promotor] en [de copromotor] te staken, welk besluit bovendien niet met zich bracht dat het promotietraject ook op dat moment eindigde. Voor zover [appellante] betoogt dat sprake is van onrechtmatig handelen als gevolg van een doen of nalaten van [de promotor] en/of Nyenrode voorafgaand aan het staken van de begeleiding, wordt die grief daarom verworpen.
Doen of nalaten ná het staken van de begeleiding

6.8.
Het hof begrijpt de grief van [appellante] op pagina acht en negen (eerste en tweede alinea) van de memorie van grieven aldus dat zij het feitelijk wel zo heeft ervaren dat haar promotie werd beëindigd nadat [de promotor] aan haar op 22 september 2014 had medege-deeld de begeleiding te willen staken. Zij stelt dat haar ten onrechte geen vangnet(regeling) is geboden door een andere promotor voor haar te zoeken, terwijl zij zelf geen promotor bereid zou kunnen vinden om haar te begeleiden en zij bovendien vrijwel direct werd afgesloten van studiefaciliteiten.
Geen vangnetregeling binnen Nyenrode

6.9.1.
Wat betreft de vangnetregeling waarop [appellante] zich beroept, is van belang dat in de destijds geldende versie van de PhD R&R (versie april 2013) weliswaar in artikel 3.5 stond dat Nyenrode de verplichting had om actief binnen Nyenrode te zoeken naar een vervangende promotor, maar dat gold alleen indien er door de promotor(en) een verzoek was gedaan om de PhD student uit het register te verwijderen. Een dergelijk verzoek is in 2014 niet gedaan; in 2014 is door de promotoren op grond van artikel 5.5 PhD R&R verzocht om ontheven te worden van hun taken als begeleider in het promotietraject van [appellante] . Het door [appellante] geciteerde advies van de Adviescommissie berust op dit punt (“”) dan ook op een onjuiste lezing en toepassing van artikel 3.5 PhD R&R.
6.9.2.
Overigens had Nyenrode die verplichting evenmin toen de Doctorate Board twee jaar later [appellante] als PhD student uit het register verwijderde. Nog afgezien van het feit dat het betreffende onderdeel van artikel 3.5 PhD R&R toen inmiddels anders luidde, berust het besluit van de Doctorate Board van 15 november 2016 niet op een verzoek van de promotor(en) om [appellante] uit het register te verwijderen, maar op een andere grondslag, namelijk de omstandigheid dat [appellante] niet binnen acht jaar na haar registratie met succes haar proefschrift had verdedigd. Nyenrode was naar het oordeel van het hof ook niet op grond van regels van ongeschreven recht gehouden om [appellante] een andere promotor aan te bieden gezien het oordeel van de onafhankelijke deskundigen over de kwaliteit van het werk van [appellante] , dat [appellante] in dit hoger beroep onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.
6.9.3.
Of er, zoals gesteld door [appellante] , op andere universiteiten in vergelijkbare gevallen – dus indien de door de promotor(en) wordt beëindigd – wel een vangnetregeling wordt toegepast waarbij een andere promotor/tijdelijke begeleider door de universiteit wordt aangeboden, doet niet ter zake. Dat andere universiteiten, op grond van hun promotiereglement of om andere redenen, anders handelen dan Nyenrode , maakt het handelen van Nyenrode (conform de WHW haar PhD R&R) niet onrechtmatig. Deze grief wordt daarom verworpen.
De (on)mogelijkheid om een nieuwe promotor buiten Nyenrode te vinden

6.10.1.
In de eerste alinea op pagina acht van de memorie van grieven voert [appellante] aan dat, indien zij al elders een potentiële andere promotor zou hebben kunnen vinden, het voorspelbaar is dat bij het inwinnen van referenties die mogelijkheid gedwarsboomd zou worden. Zeer vermoedelijk zou [de promotor] het een ieder afgeraden hebben haar promotie af te ronden (bedoeld zal zijn: de begeleiding als nieuwe promotor op zich te nemen), aldus [appellante] .
6.10.2.
Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien waarom het onzorgvuldig zou zijn indien [de promotor] desgevraagd zijn eerlijke mening zou geven over de kwaliteit van het werk van [appellante] . Bovendien betreft dit betoog van [appellante] slechts speculaties van [appellante] , hetgeen niet kan dienen ter onderbouwing van haar, door Nyenrode betwiste, stelling dat het voor haar niet mogelijk was om buiten Nyenrode een nieuwe promotor te vinden. Voor zover in dit betoog een grief kan worden gelezen, dient deze daarom te worden verworpen.
Tijdelijke afsluiting van studiefaciliteiten

6.11.1.
[appellante] beroept zich in de tweede en derde alinea op pagina acht van de memorie van grieven op het feit dat zij vanaf het najaar van 2014 enige tijd afgesloten is geweest van studiefaciliteiten van Nyenrode , zoals haar e-mailaccount en de bibliotheek. In de praktijk is daarmee (tijdelijk) gehandeld alsof toen al het promotietraject – en dus niet alleen de promotiebegeleiding – was stopgezet.
6.11.1.
De hierin besloten liggende grief van [appellante] dient evenwel te worden verworpen, omdat zij niet kenbaar heeft gegriefd tegen de overweging van de kantonrechter in rov. 4.18 “”.
6.11.2.
Ten overvloede overweegt het hof dat vast staat dat [appellante] op enig moment, in ieder geval na de uitspraak van de PhD Appeal Committee van 24 september 2015, opnieuw toegang heeft gekregen tot die faciliteiten en vervolgens nog tot 28 november 2016 in de gelegenheid is gesteld om haar proefschrift te voltooien. Bovendien staat vast dat [appellante] tot op de dag van de comparitie in dit hoger beroep (derhalve bijna vijf jaar na het najaar van 2014) feitelijk geen enkele voortgang meer heeft geboekt. Het is daarom niet aannemelijk dat er een causaal verband bestaat tussen de tijdelijke afsluiting van de studiefaciliteiten en het niet afronden van het promotietraject door [appellante] en de schade die zij als gevolg daarvan stelt te lijden.
6.11.3.
Deze grief dient dan ook te worden verworpen.
Conclusie en afwikkeling

6.12.
Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.
6.12.1.
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep en deze proceskostenveroordeling, zoals door Nyenrode gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
7

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis 30 november 2017 van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Nyenrode op € 726,-- aan griffierecht en op € 2.148,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, H.AE. Uniken Venema en J.W. Ponds en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 oktober 2019.

griffier rolraadsheer